Gallimimus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Ornithomimosauria, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.

Het eerste fossiel van Gallimimus werd gevonden in 1963. Het dier kreeg in 1972 zijn naam, die 'kippennabootser' betekent, toen de typesoort Gallimimus bullatus benoemd werd. Van Gallimimus zijn verschillende bijna complete skeletten opgegraven, ook van jonge dieren. De wetenschappers kregen zo een goed beeld van hoe de soort eruitzag.

Gallimimus leek niet op een kip; de naam verwijst naar de bovenste halswervels die gebouwd zijn als die van hoenderen. Gallimimus werd ongeveer zes meter lang en een halve ton zwaar. Daarmee was hij het grootste zekere lid van de Ornithomimidae. Hij was vermoedelijk warmbloedig en bedekt met een primitief verenkleed. Hij liep op zijn krachtige achterpoten met lange voeten waarmee hij hard kon wegrennen voor roofsauriërs als Tarbosaurus. Ook zijn voorpoten waren lang maar de handen tamelijk kort. Met de armen kon hij takken omlaag buigen om bladeren en vruchten te eten met de snavel van zijn langwerpige tandeloze kop. Misschien at hij als een alleseter ook wel kleine dieren. De jongen leken op de volwassen dieren maar hadden een veel stompere snuit.

Vondst en naamgeving Begin augustus 1963 werden bij Tsaagan Choesjoe tijdens de derde Pools-Mongoolse paleontologische expeditie naar de Gobiwoestijn talrijke ornithomimide resten gevonden door het team van professor Zofia Kielan-Jaworowska. De vondst werd in 1965 door haar vermeld.

De typesoort Gallimimus bullatus werd in 1972 benoemd en beschreven door Halszka Osmólska, Ewa Roniewicza en Rinchen Barsbold. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse gallus, 'haan', en mimus, 'nabootser' een verwijzing naar de grote gelijkenis van de voorste nek van het dier met die van de Galliformes. De soortaanduiding betekent: 'gezwollen', is afgeleid van het Latijn bulla, een capsulevormige amulet die Romeinse knapen om hun hals droegen, en verwijst naar de capsulevormige bolling aan de schedelbasis. left|thumb|400px|Een groep authentieke fossielen van Gallimimus inclusief juveniele exemplaren Het holotype IGM 100/11 is gevonden in lagen van de Nemegtformatie die dateren uit het Campanien-Maastrichtien, ongeveer zeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een tamelijk compleet skelet met schedel en onderkaken. Als paratype werden talrijke losse botten aangewezen alsmede nog eens vier gedeeltelijke skeletten: IGM 100/10, een jong dier; ZPAL MgD-I/1, een jong dier; ZPAL MgD-I/32, een specimen zonder schedel en ZPAL MgD-I/94, een jong dier zonder schedel. Verschillende gestroopte vrijwel volledige skeletten zijn naar Mongolië gerepatrieerd. Later zijn, van drie aanvullende locaties, nog talrijke andere beenderen aan de soort toegewezen en ook IGM 100/12, een skelet met schedel, en IGM 100/1133, een schedel met onderkaken. Op het moment van de beschrijving was Gallimimus verreweg de best bekende ornithomimide; tegenwoordig is dat Sinornithomimus. Bekendheid van een andere soort verwierf het dier in 1993 door een optreden in de film Jurassic Park, met een vervolg in 1997 in The Lost World: Jurassic Park.

In 2001 werd de onderkaak gedetailleerd beschreven door Jørn Harald Hurum nadat dit element bij ZPAL MgD-I/1 was losgemaakt en verder geprepareerd.

In 1988 hernoemde Gregory S. Paul de soort tot Ornithomimus bullatus maar hij is daarin door niemand gevolgd.

"Gallimimus mongoliensis" Op 18 oktober 1996 kondigde Barsbold op een persconferentie in Japan een "Gallimimus mongoliensis" aan, gebaseerd op specimen IGM 100/14, dat dateert uit de veel oudere Bayanshireeformatie van Mongolië. De soortnaam is daarna wel in publicaties vermeld maar nooit formeel benoemd. Uit latere analyses blijkt dat de soort niet direct aan G. bullatus verwant is. Barsbold zelf heeft in 2004 gesteld dat hij niet van plan is de soort alsnog onder Gallimimus te gaan benoemen; wel gaat het volgens hem om een nieuw taxon waaraan nog een aparte geslachtsnaam gegeven moet worden. Het exemplaar betreft het gedeeltelijk skelet met schedel van een drieënhalve meter lange ornithomimide uit het Cenomanien-Turonien. De soort verschilt van Gallimimus in een veel langere hand, een kleinere schedel, een hoger naar de binnenkant van het lichaam afbuigend eerste middenhandsbeen, bijna rechte handklauwen en kortere middenvoetsbeenderen.

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|400px|Gallimimus in grootte vergeleken met een mens Gallimimus is een grote ornithomimide; in feite de grootste bekende ornithomimosauriër met mogelijke uitzondering van de reusachtige Deinocheirus. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op zes meter, het gewicht op vierhonderdvijftig kilogram. Gallimimus heeft in dat geval een heuphoogte van zo'n twee meter; sommige fragmenten wijzen echter op grotere exemplaren, tot acht meter lang en met een gewicht van een ton. Als ornithomimide is het een tweevoeter met lange armen en lange achterpoten en met een kleine tandeloze schedel gedragen door een lange nek. De soort onderscheidt zich van meer afgeleide ornithomimiden door relatief korte benen en armen, een lang opperarmbeen, een lange nek en een erg langgerekte kop.

De beschrijvers wisten in 1972 enige verdere typerende kenmerken vast te stellen. De snuitpunt is afgeplat. Het onderste slaapvenster is driehoekig van vorm en wordt niet geraakt door het jukbeen. De derde en vierde schedelzenuw hebben een gemeenschappelijke uitgang die samenvloeit met de fissura optica. De onderkaak is vooraan schepvormig en heeft een grote zijopening. De lengte van het achterbeen is gelijk aan die van de gezamenlijke ruggenwervels. De vijftien voorste staartwervels hebben wervellichamen die achteraan breder zijn dan de helft van hun lengte. De overgang tussen de voorste en achterste staartwervels vindt plaats tussen de vijftiende en zestiende wervel. Het opperarmbeen is langer dan het schouderblad. De hand maakt ongeveer een kwart uit van de lengte van de arm. De klauw van de derde vinger is korter dan het kootje dat hem draagt. De middenvoet heeft zeventig procent van de lengte van het onderbeen, de derde teen een derde. Het tweede middenvoetsbeen is drie procent korter dan het vierde. Deze opsomming geeft niet strikt de autapomorfieën, unieke nieuwe eigenschappen, aan; een moderne volledige bepaling hiervan door vergelijking met alle nu bekende verwanten ontbreekt. In 2004 resulteerde een kladistische analyse van Peter Makovicky in de volgende: de buitenste zijopening in de onderkaak is kleiner; de hand is kort; het dijbeen heeft op de voorste onderkant een verbrede flensvormige richel langs de groeve voor de pees van de strekspier; er bevindt zich ter hoogte van uitgang voor de tiende schedelzenuw een extra opening met onbekende functie op de achterwand van de hersenpan naast de verticale richel op het os metoticum.

Schedel en onderkaken thumb|Een plaat met twee gestroopte skeletten De schedel van Gallimimus, drieëndertig centimeter lang, is zeer langwerpig en vooral de snuit is erg verlengd. Het bovenprofiel loopt tamelijk horizontaal; pas ter hoogte van de neusgaten buigt het omlaag om een in zijaanzicht spitse snuitpunt te vormen. Die wordt scherper doordat op een derde van de voorkant de bovenkaaklijn plots naar boven buigt zodat daarin een lage punt gevormd wordt. De onderkaaklijn buigt overeenkomstig naar boven maar niet zo sterk wat vooraan een gaping tussen boven- en onderkaak oplevert. Door de oorspronkelijke beschrijvers werd dit kenmerk sterk overdreven doordat ze zelfs twee buigpunten naar boven veronderstelden; Paul gaf in 1988 aan dat dit niet het geval was. Bij specimen IGM 100/1133 is de hoornsnavel bewaard gebleven en die laat zien dat het hiaat daardoor gedeeltelijk gesloten wordt. De snavel wordt gekenmerkt door talrijke nauw aaneengesloten richels die haaks staan op de rand. Van boven bezien is de snuit echter niet spits maar juist stomp, zij het niet verbreed ten opzichte van het middendeel: naar achteren toe verwijdt hij in een geleidelijke curve. De neusgaten zijn in zijaanzicht spleetvormig maar overdwars gemeten erg breed. Ze worden van achteren begrensd door de lange neusbeenderen die het grootste gedeelte van de snuit overdekken. De zijkant daarvan wordt gevormd door de tandeloze maxilla. De belangrijkste schedelopening, de fenestra antorbitalis, heeft wel een lange uitholling met vooraan een kleinere langwerpige fenestra maxillaris maar is zelf niet al te groot en rechthoekig van vorm. Door een dun gebogen traanbeen dat bovenop een zeer laag schedelhoorntje vormt wordt dit fenestra gescheiden van de enorme ronde oogkas die een belangrijk deel van de achterste zijkant beslaat. Hierdoor worden de andere achterste schedelelementen naar de marge gedrongen en ze zijn vaak delicaat van bouw. Slechts een dun jukbeen scheidt de oogkas van de kaakrand en is achteraan via een quadratojugale met een sterk hellend quadratum verbonden dat naar achteren uitloopt in een squamosum. De bovenrand van de oogkas wordt gevormd door een prefrontale; de voorhoofdsbeenderen vormen een licht bollend schedeldak en hebben hun breedste punt achter de oogkassen. De wandbeenderen zijn daardoor van boven bezien erg kort; ze hellen naar onder richting de laag geplaatste schedelbasis.

In 1972 was het de eerste keer dat een schedelbasis van een ornithomimide in detail beschreven kon worden en Osmólska e.a. besteedden grote aandacht aan dit gedeelte dat een complexe structuur bleek te hebben, gekenmerkt door talrijke grote foramina voor de zenuwen en aderen. Ze waren vooral gefascineerd door een opvallende bolling of bulla aan de onderkant van de hersenpan, gevormd door een zwelling van het parasfenoïde. De structuur was hol met een opening aan de voorkant en de functie ervan vond men zeer raadselachtig; men overwoog dat het speciale uitbreiding van het brein of een klier zou hebben kunnen bevat. Tegenwoordig begrijpen we dat het een extreem geval is van pneumatisering, het binnendringen van uitlopers van de luchtzakken in de beenderen, zoals ook bij vogels voorkomt. Hoewel de beschrijvers in het algemeen de schedel wel met die van de vogels vergeleken, de klemtoon leggend op de overeenkomende lichte bouw en onderlinge beweeglijkheid van de schedeldelen, verwezen ze op dit punt naar de Phytosauria die ook een van onderen bolle hersenpan hebben. In 1972 had John Ostrom zijn hypothese dat vogels dinosauriërs zijn nog niet gepubliceerd en was het populair hun verwanten onder de Crurotarsi te zoeken; men begreep dus niet dat ze ten opzichte van crurotarse groepen als de Phytosauria speciaal aan Gallimimus verwant zouden kunnen zijn. De bulla is later ook bij de meeste andere ornithomimiden vastgesteld. Doordat de schedelbasis vrij laag ligt, is de hersenpan schuin naar boven georiënteerd maar door de hellende quadrata niet zeer verkort met een uitgebreid basisfenoïde zodat het parasfenoïde ver naar voren steekt. Het onderliggende driestralige pterygoïde is door dat alles een ingewikkeld element geworden dat zich in allerlei bochten moet wringen om de onderkant van dit geheel nog te kunnen ondersteunen. Vooraan, in het verhemelte, zit er tussen dit pterygoïde en het os palatinum een secundaire opening en het verhemeltebeen heeft bovenop aan de zijkant een opvallende opstaande dwarsrichel.