De otter (Lutra lutra), ook Europese otter of visotter genoemd, is een marterachtig zoogdier. Het is de soort met het grootste verspreidingsgebied van de otterfamilie. Het dier eet vooral vis, maar jaagt ook op amfibieën, schaaldieren, kleine zoogdieren, vogels en reptielen. Bestaande populaties van deze semi-aquatische marterachtige komen voor in een grote verscheidenheid aan zoetwater- en mariene habitats in Azië, Europa en delen van Noord-Afrika. Ondanks de grote verspreiding heeft het verlies van leefgebieden geleid tot afnemende populaties, vooral in Azië, en de soort staat momenteel op de lijst van de International Union for Conservation and Nature and Natural Resources vermeld als “gevoelig”.

Kenmerken thumb|ottervoet thumb|voetafdruk

Een volwassen otter is 80 tot 140 centimeter lang, inclusief de staart van 30 tot 50 centimeter lengte. Het gewicht varieert tussen de 5 en 12 kilo en de schouderhoogte is gemiddeld 30 centimeter. Vrouwtjes zijn meestal kleiner dan mannetjes. Mannetjes hebben een kop-romplengte van 60 tot 90 centimeter, een staartlengte van 36 tot 47 centimeter en een lichaamsgewicht van 6 tot 17 kilogram. Vrouwtjes hebben een kop-romplengte van 60 tot 70 centimeter, een staartlengte van 35 tot 42 centimeter en een gewicht van 6 tot 12 kilogram.

De otter lijkt op andere ottersoorten doordat hij een brede, ronde kop heeft met snorharen en zwemvliezen die half zo lang zijn als de tenen. Zijn lichaam is langwerpig en eindigt in een lange, in doorsnede ovaalronde staart met een kegelvormige punt. De vacht is dicht en donkerbruin, maar lichter aan de buikzijde, bestaat uit een waterdichte buitenste laag van dekharen en een luchthoudende binnenste laag van dicht opeengeplante donsharen, die onder water droog blijft. De dekharen drogen vrij snel, en hechten uit het water aan elkaar. Voor de otter, die nauwelijks over onderhuids vetweefsel beschikt, is deze waterdichtheid van groot belang om in het water op temperatuur te blijven. Een optimale conditie van de vacht voorkomt onderkoeling tijdens het jagen onder water. Vanwege de grote geografische verspreiding is de variatie binnen de soort aanzienlijk. Populaties die in Azië leven hebben korter haar en lichter gekleurde vacht met een paar lichte vlekken bij de keel dan elders. Met zijn gestroomlijnde lichaam is het dier goed aangepast aan het leven in het water. De ogen en de kleine afsluitbare oren en neusgaten liggen op één lijn boven op de platte kop, waardoor ze boven water blijven als het dier aan het wateroppervlak zwemt. De otter heeft tussen de tenen van alle vier de korte krachtige poten.

Anatomie thumb|tekening schedel van een otter thumb|tekening skelet van een otter

De lengte van de schedel van volwassen otters varieert tussen 10,6 en 12,4 cm. De maximale breedte tussen de jukbogen is 6,6 tot 8,15 cm, en van de hersenpan 4,6 tot 5,6 cm. De hoogte van de schedel, afgezien van de kam op het midden, wisselt van 3,25 tot 3,8 cm. De lengte van de tandrij in de bovenkaak (hoektand tot achterste ware kies) 3,25 en 3,95 cm en in de onderkaak 3,85 en 4,8 cm. De tandformule van de volwassen dieren is , dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, vier valse kiezen en een ware kies in elke helft van de bovenkaak, en drie snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en twee ware kiezen in elke helft van de onderkaak. De gemiddelde maximale maten van de bovenste knipkies (dat is de achterste valse kies in de bovenkaak) gemeten bij zeven dieren zijn 10,9 mm lang, 8,0 mm breed, buitenste knipblad 5,8 mm lang en binnenste knipblad 6,3 mm lang. Voor de onderste knipkies (dat is de voorste ware kies in onderkaak) 12,5 mm lang en 5,6 mm breed, terwijl het buitenste knipblad 5,3 mm lang is. De kracht waarmee de otter kan bijten wordt geschat op 148 N met de hoektanden en 216 N met de knipkiezen.

Taxonomie thumb|illustratie van Cuthbert E. Swan uit The wild beasts of the world door Frank Finn (1909)

De wetenschappelijke naam van de otter werd gepubliceerd in 1758 door Carl Linnaeus in deel 1 (dierkunde) van de tiende editie van Systema naturae, het boek dat geldt als beginpunt van de zoölogische nomenclatuur. Hij noemde de soort Mustela lutra, en baseerde de beschrijving op exemplaren uit de omgeving van Upsala in Zweden. In 1777 plaatste Johann Christian Polycarp Erxleben de otter in een eigen geslacht, en hij noemde de soort Lutra vulgaris. Hij vermeldde daarbij dat de soort voorkomt in Europae atque Asiae Americaeque borealis aquis dulcibus, fluuiis, stagnis, piscinis, non in mari. Est quoque in Persia (Europa, Azië en Noord-Amerika, bij stromend en stilstaand zoet water en in visvijvers, maar niet in zee. Is ook in Perzië). Robert Kerr gaf in 1792 de naam Mustela lutra piscatoria.

William Elford Leach stelde de naam Lutra fluviatilis voor in 1816. In 1823 beschreef Frédéric Cuvier zowel Lutra barang van Java en Sumatra, als Lutra nair uit Pondicherry (India). De otter die in Scandinavië ook voorkomt aan de kust werd in 1827 door Gustaf Johan Billberg onderscheiden als Lutra vulgaris marinus. In het postuum in 1831 uitgegeven deel 3 van het boek Zoographia Rosso-Asiatica: sistens omnium animalium in extenso deelde Peter Simon Pallas de otter in bij de civetkatten en gaf die de naam Viverra lutra. In 1834 werd postuum een boek over de zoogdieren van Scandinavië uitgegeven van Hans Bochmann Melchior die daarin Lutra nudipes onderscheidde. William Ogilby meende dat een vorm van de otter die in Ierland voorkomt voldoende afwijkt en gaf die de naam Lutra roensis in 1834. In 1837 vond John Edward Gray otters uit China en nabij Bombay zodanig afwijkend dat hij ze als afzonderlijke soorten beschouwde en hij gaf ze de namen Lutra chinensis en Lutra indica. Brian Houghton Hodgson beschreef in 1839 twee otters uit Nepal die hij Lutra monticolus nobis en Lutra auro-brunneus nobis noemde. In 1844 beschreef Hans Schinz een otter uit Kashmir en noemde die Lutra kutab. Thomas Horsfield beschreef in 1851 een otter die voorkomt op Sumatra en Borneo als Lutra simung. In 1855 beschreef Hodgson een vorm van de uitlopers van de Himalaya als Lutra sinensis. Gray beschreef in 1865 een otter uit Nepal onder de naam Barangia nepalensis, en in 1867 een uit Japan als Lutonectes whiteleyi, om daar vervolgens in 1869 een spelfout in te maken als Leutronectes whiteleyi. Fernand Lataste beschreef in 1885 een otter uit Algerije onder de naam Lutra angustifrons, die hij vergeleek met de otter uit Europa, die hij de naam Lutra lutra gaf, de eerste keer dat de huidige naamcombinatie gebruikt wordt.

Alfred Nehring beschreef in 1887 een exemplaar uit Japan onder de naam Lutra japonica. In 1906 beschreef Paul Matschie een exemplaar dat hij had verzameld in de provincie Shaanxi (Hinganfu) tijdens een expeditie naar China en Tibet in de jaren 1901-1905 dat hij Lutra hanensis noemde. Datzelfde jaar beschreef Ángel Cabrera Lutra lutra splendida, een ondersoort uit de omgeving van Essaouira in Marokko. Aleksei Andrejevitsj Bjalynitski-Birula gaf in 1912 de naam Lutra seistanica aan een exemplaar dat verzameld is in het Iraanse deel van de binnendelta van de rivier de Helmand, en in 1915 onderscheidde hij de ondersoort Lutra lutra oxiana uit het Pamir-gebergte. Hermann Pohle beschreef in zijn revisie van de otters uit 1920 Lutra intermedia van Sumatra en Lutra lutra ceylonica uit Sri Lanka. In 1922 publiceerde Benedykt Dybowski onderscheidde drie varianten van de otter: Lutra vulgaris var. amurensis uit de Amoer en Oessoeri, Lutra vulgaris var. baicalensis uit het Baikalmeer, en Lutra vulgaris var. kamtschatica van het schiereiland Kamtsjatka. Dieren verzameld in de omgeving van Teheran krijgen in 1931 van Sergej Ognjov de naam Lutra meridionalis. Edward Alphonso Goldman gaf in 1936 de naam Lutra stejnegeri aan een collectie uit de omgeving van Petropavlovsk op Kamtsjatka. In 1960 meende Sergei Uljanovitsj Stroganov dat een populatie uit de provincie Tjoemen in het zuiden van Siberië een eigen ondersoort vormt en noemde deze Lutra lutra borealis. In een publicatie over vogels en zoogdieren van Hainan uit 1983 beschrijven L. Xu en diens coauteurs Lutra hainana. In 1989 menen Y. Imaizumi en M. Yoshiyuki dat in Japan een eigen ottersoort voorkomt waaraan ze de naam Lutra nippon meegeven. Deze is inmiddels uitgestorven. Begin jaren '90 werd bij een vergelijking van mitochondriaal cytochroom b van otters uit Letland en China en een opgezette otter uit Japan vastgesteld dat de Japanse otter tot een aparte soort behoort. Volgens een onderzoek uit 2019 is er echter nog steeds veel controverse over de status van de Japanse otter.

Nancy Hung en Chris J. Law onderscheiden in hun monografie uit 2016 twaalf ondersoorten die met hun synoniemen hieronder staan opgesomd. Lutra lutra angustifrons (= splendida) Lutra lutra aurobrunnea (= auro-brunneus en nepalensis) Lutra lutra barang (= simung en intermedia) Lutra lutra chinensis (= hanensis en sinensis) Lutra lutra hainana Lutra lutra kutab Lutra lutra lutra (= fluviatilis, marinus, nudipes, roensis, stejnegeri en vulgaris) Lutra lutra meridionalis Lutra lutra monticolus Lutra lutra nair (= ceylonica en indica) Lutra lutra seistanica (= oxiana) Lutra lutra whiteleyi (= japonica en nippon)

De otter wordt gerekend tot de orde Carnivora, de familie Mustelidae, de onderfamilie Lutrinae en het geslacht Lutra.

Voedsel thumb|Otter die een zalm eet