Arnold (Franz Walter) Schönberg (Wenen, 13 september 1874 – Los Angeles, 13 juli 1951) was een Oostenrijks-Hongaars-Amerikaans componist, muziekleraar en -theoreticus en schilder. Hij wordt als grondlegger van de twaalftoonsmuziek tot de invloedrijkste componisten van de twintigste eeuw gerekend. In 1941 verwierf Schönberg de Amerikaanse nationaliteit; vanaf die tijd wordt zijn naam als Schoenberg gespeld.

De jaren tot de Eerste Wereldoorlog Jeugd Schönbergs ouders verhuisden vanuit Preßburg (het huidige Bratislava) naar Wenen. Zijn vader Samuel Schönberg kwam uit Szécsény in Hongarije, zijn moeder Pauline Nachod uit Praag; Schönberg verkreeg de Hongaarse nationaliteit, die in de Tsjechische werd omgezet in 1918 met de stichting van Tsjechoslowakije. Zijn vader was atheïst en zijn moeder hechtte aan de joodse tradities.

Zijn muzikale vorming begon met vioollessen op achtjarige leeftijd, waarna hij al snel zelf begon te componeren, in imitatie van Ignaz Pleyel en Giovanni Battista Viotti. ("Als noch nicht neunjähriges Kind hatte ich angefangen, kleine und später größere Stücke für zwei Violinen in Nachahmung solcher Musik zu komponieren, die ich mit meinem Lehrer oder einem Cousin zu spielen pflegte. Als ich Violinduos von Viotti, Pleyel und anderen zu spielen vermochte, ahmte ich ihretn Stil nach."geciteerd bij het Arnold Schönberg archief; "Als nog geen negenjarige was ik begonnen om kleine en later grotere stukken voor twee violen te componeren in imitatie van de muziek die ik met mijn leraar of een neef speelde. Toen ik vioolduo's van Pleyel, Viotti en anderen spelen kon, bootste ik hun stijl na." (Rückblick (in: Stil und Gedanke: Aufsätze zur Musik), 1949)) Later, na kennismaking met een medescholier die altviool speelde, schreef hij trio's voor twee violen en altviool. De dood van zijn vader in 1889 en de daarop volgende armoede van de familie dwongen hem in 1891 zijn school te verlaten en te werken als kantoorklerk in een bank. ("All my compositions up to about my seventeenth year were no more than imitations of such music as I had been able to become acquainted with – violin duets and duet-arrangements of operas and the repertory of military bands that played in public parks."geciteerd bij het Arnold Schönberg archief; "Al mijn composities tot mijn 17e jaar waren niet meer dan imitaties van het soort muziek waarmee ik vertrouwd had kunnen raken – vioolduetten en duetarrangementen van opera's en het repertoire van militaire kapellen die in openbare parken speelden." (My Evolution (in: Style and Idea), 1949))

Eerste muzikale vorming en composities (1894-1903) Zijn vriend Oskar Adler, een violist, was zijn eerste muziekleraar. Schönberg en zijn vrienden vormden een ensemble, en bovendien trad hij in 1894 toe tot een amateurorkest, Polyhymnia, dat werd geleid door Alexander von Zemlinsky. Zemlinsky, gevormd in het conservatorium en met positieve kritieken van Johannes Brahms voor zijn composities, werd zijn enige leraar en degene die hem de formele instructies gaf die hem tot dan hadden ontbroken. Schönberg is verder voornamelijk een autodidact geweest.

Voor het schrijven van zijn strijkkwartet in D (1897) kreeg hij adviezen van Zemlinsky. Zemlinsky zorgde als lid van het comité van de Wiener Tonkünstlerverein ook voor een uitvoering ervan in maart 1898 in de Verein. Het strijksextet Verklärte Nacht van het jaar daarop (1899) werd echter afgewezen door de Verein, het begin van een lange reeks afwijzingen van zijn werken. Schönberg zette al in zijn vroege werken de eerste stappen in de ontwikkeling van de chromatiek die in 1908 uiteindelijk zouden leiden tot een loslaten van de harmonie gebaseerd op drieklanken en de tonaliteit.

thumb|Cabaret Überbrettl In 1898 had hij zich bekeerd tot het lutheranisme, mogelijk beinvloed door vrienden.

Schönberg onderhield zich in zijn levensbehoeften met het leiden van arbeiderskoren en het orkestreren van operettes. Tussen maart 1900 en april 1901 maakte hij intussen een begin met het schrijven van de omvangrijke Gurre-Lieder. Ook ontmoette hij er Alma Maria Schindler, later de vrouw van onder meer Gustav Mahler. In 1901 huwde Schönberg Zemlinsky's zuster Mathilde (1877-1923); het echtpaar zou twee kinderen krijgen, Gertrud (1902-1947) en Georg (1906-1974). Het echtpaar verhuisde naar Berlijn waar Schönberg een tijdelijke baan kreeg in de Überbrettl, een cabaret opgezet om het populaire karakter ervan voor serieuze doeleinden in te zetten. Schönberg zou er de dichters Frank Wedekind, Christian Morgenstern en Richard Dehmel ontmoeten. Na afloop van zijn contract bij Überbrettl zou Schönberg genoodzaakt zijn geweest om weer operettes te orkestreren als hij niet in contact was gekomen met Richard Strauss. Die was onder de indruk van de voltooide delen van de Gurrelieder en van Schönbergs pas afgeronde symfonisch gedicht Pelleas und Melisande. Strauss gebruikte zijn invloed en bezorgde hem een aanstelling aan het Sternconservatorium. Schönberg bleef een jaar langer in Berlijn en keerde in 1903 naar Wenen terug.

Wenen 1903-1911 thumb|links|Alexander von Zemlinsky In Wenen richtte Schönberg met Zemlinsky de Vereinigung schaffender Tonkünstler op. Een jaar lang gaf hij harmonie- en contrapuntlessen in de Schwarzwald'schen Schulanstalten. Een aantal leerlingen bleven nadien bij hem privélessen volgen; in 1904 kwam daar een leerling van Adler bij, Anton Webern, en ook Alban Berg. Zij zouden zich ontwikkelen tot grote componisten en de muziekontwikkeling van hun leraar nauw volgen, daar hun eigen zeer persoonlijke interpretatie aan geven, hun eigen weg gaan, maar Schönberg hun leven lang toegewijd blijven. Het lesgeven was niet erg lucratief (Berg bijvoorbeeld kreeg gratis les omdat hij geen geld had) en het Weense publiek was te conservatief om zijn werk ergens uitgevoerd te krijgen. Speciale genootschappen trachten voor dat conservatisme een oplossing te vinden door uitvoeringen in kleinere kring te organiseren. De Ansorge Verein, het genootschap waarbij Schönberg zich aansloot en waar verschillende van zijn eerste werken voor het eerst werden uitgevoerd, wist Gustav Mahler bereid te vinden als ere-voorzitter op te treden. Mahler was zeer onder de indruk van Schönbergs Verklärte Nacht. Het bezorgde Schönberg de voortdurende steun van Mahler. Pas in 1905 vond de eerste uitvoering plaats van Pelleas und Melisande, onder leiding van Schönberg zelf in de Wiener Musikverein. Later in het jaar voltooide hij zijn Sechs Lieder für Gesang und Orchester (opus 8) en het eerste strijkkwartet (opus 7). Het daaropvolgende jaar volgde de Erste Kammersymphonie für 15 Soloinstrumente, een werk dat, samen met Verklärte Nacht, tot Schönbergs meest uitgevoerde werken zou gaan behoren.

Financieel ging het hem echter slecht en het meer en meer dissonante karakter van zijn werken maakte uitvoering ervan niet gemakkelijk; steeds kreeg hij een storm van kritiek. Schönberg voorzag in zijn levensonderhoud en dat van zijn familie met onder andere het arrangeren van bekende delen uit opera's van Rossini en Lortzing voor piano twee- of vierhandig.

In 1907 werden Schönbergs eerste strijkkwartet en de Eerste Kammersymphonie uitgevoerd. Wederom sprak Mahler zich publiekelijk uit ten gunste van Schönberg en tot zijn dood in 1911 bleef hij de componist steunen. Uitvoering van het tweede strijkkwartet in 1908 leidde tot nog meer oproer. Het werk heeft in het derde en vierde deel een partij voor sopraan, op teksten van de Duitse dichter Stefan George. Het kwartet is een keerpunt in zijn oeuvre: het moment waarop hij de tonaliteit verliet en de overgang maakte naar zijn expressionistische periode. De eerste vrije dissonante werken, Das Buch der hängenden Gärten en de drie pianostukken (opus 11), werden ontvangen met algeheel onbegrip. Tijdens de zomer van 1909 schreef Schönberg in Steinakirchen zijn Fünf Orchesterstücke (opus 16); hij ontmoette er ook de arts en dichteres Maria Pappenheim die voor hem de tekst schreef voor het monodrama Erwartung (opus 17). Niet alleen waren er problemen op het gebied met zijn composities; ook in Schönbergs privéleven waren er problemen. Hij had zich in 1907 al meer toegelegd op schilderen en had de schilders Oskar Kokoschka en Richard Gerstl ontmoet. Mathildes verhouding met Gerstl veroorzaakte een crisis binnen het huwelijk en leidde tot de zelfmoord van Gerstl in 1908.

thumb|Wassily Kandinsky Een zelf georganiseerde expositie van zijn schilderwerk in 1910 leidde tot nader contact met de expressionistische schilder Wassily Kandinsky, oprichter van Der Blaue Reiter, waaruit een langdurige vriendschap ontstond. Schönberg exposeerde ook met de schilders van Der Blaue Reiter. Op compositiegebied was Schönberg jaren productief geweest. Maar tussen 1910 en 1911 wijdde hij zich voornamelijk aan het schrijven van zijn Harmonielehre en de voltooiing van de orkestratie van de Gurrelieder. In 1910 solliciteerde Schönberg met succes naar de positie van extern lector in theorie en compositie, maar zijn hoop op een hoogleraarschap werd niet verwezenlijkt. Wel werden er vragen in het parlement gesteld en werd Schönberg slachtoffer van felle antisemitische aanvallen. Aan het eind van het academisch jaar was zijn financiële situatie zo verslechterd dat hij besloot zijn geluk opnieuw te beproeven in Berlijn.

Berlijn 1911-1925 De ontvangst in Berlijn ging vergezeld van zeer negatief commentaar in de pers. Zijn colleges op het Stern Conservatorium werden slecht bezocht. Maar zijn naam begon internationaal wel door te dringen en het publiek stond meer open voor zijn vroege muziek, en zijn latere werk maakte nieuwsgierig. Tot die latere werken behoorde onder andere Herzgewächse (opus 20) voor hoge sopraan, celesta, harmonium en harp.

Zijn compositie Pierrot Lunaire werd onder zijn leiding met succes in oktober 1912 uitgevoerd, gevolgd door een tournee in Duitsland. Henry Wood had kort daarvoor, op 3 september 1912, in Londen de eerste uitvoering gegeven van de Fünf Orchesterstücke. De eerste uitvoering van zijn Gurrelieder onder Franz Schreker in Wenen was een groot succes; maar Schönberg, gekwetst door de jarenlange vijandigheid naar zijn muziek van het Weense publiek, weigerde het applaus in ontvangst te nemen. Al spoedig was die vijandigheid van het publiek voor zijn muziek terug. Zijn pogingen intussen om te dirigeren hadden enig succes door de steun van Zemlinsky en voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hij Pelleas und Melisande, de Gurre-Lieder en de Fünf Orchesterstücke gedirigeerd in een aantal Europese steden.

De Eerste Wereldoorlog tot 1925 Weer terug in Wenen werd Schönberg in 1915 voor militaire dienst afgekeurd en na een tweede keuring en enige tijd dienst bleek zijn gezondheid zodanig – Schönberg leed aan astma – dat hij in 1916 definitief werd afgekeurd. Hij had al vier jaar relatief weinig gecomponeerd, afgezien van het afronden van Die glückliche Hand in 1913 en de Vier Lieder für Gesang und Orchester (opus 22) in 1916. Plannen voor een grootschalig werk waren in 1915 niet verder gekomen dan een begin met de tekst en de compositie van het oratorium Die Jakobsleiter. Financiële problemen maakten dat hij de huur niet kon betalen en daarom met zijn gezin in goedkope pensions moest wonen. Dat en een nieuwe oproep voor militaire dienst waren nadelig voor het compositieproces. Die Jakobsleiter is nooit voltooid. Schönbergs seminar voor compositie in de Schwarzwald Schule bleek echter succesvol en tot 1920 bleef hij lesgeven.