thumb|Potvis De potvis of cachelot (Physeter macrocephalus) is een walvis uit de familie van de potvissen (Physeteridae).
De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 76 Er is lange tijd onenigheid geweest over de wetenschappelijke naam van de potvis, maar de naam Physeter macrocephalus wordt tegenwoordig als algemeen aanvaard beschouwd.
De potvis is de grootste nog levende soort van de onderorde van de tandwalvissen (Odontoceti). Mannetjes kunnen een lichaamslengte bereiken van ongeveer achttien meter en een gewicht van 45 ton. Vrouwtjes blijven met een lengte tot elf meter en een gewicht tot 35 ton echter aanzienlijk kleiner. De lichaamskleur is grijs tot donkergrijs, de onderzijde is lichter en heeft vaak lichtere vlekken. Potvissen hebben een van de grootste verspreidingsgebieden van alle zeezoogdieren en komen vrijwel wereldwijd voor in alle diepere delen van de zee. Ze staan bekend als goede duikers die uren onder water kunnen blijven en meer dan drie kilometer diep kunnen duiken.
Op het menu staan voornamelijk pijlinktvissen en andere zeedieren zoals vissen. Vrouwtjes en hun jongen zwemmen in groepen in tropische wateren terwijl mannetjes in afzonderlijke groepen verblijven of alleen leven. Af en toe voegen de mannetjes- en vrouwtjesgroepen zich samen om te paren. De belangrijkste natuurlijke vijand is de orka (Orcinus orca).
De mens heeft de potvis bijna op de rand van uitsterven gebracht door de intensieve walvisjacht om het vlees en het vet van het dier te verkrijgen. De potvis werd hierdoor in de negentiende en twintigste eeuw in aantal gedecimeerd, maar tegenwoordig is de jacht op dit dier verboden. De belangrijkste bedreigingen zijn aanvaringen met schepen, verstrikking in visnetten en ander menselijk afval en door mensen gecreëerde onderwatergeluiden. Mogelijk vormt ook klimaatverandering een toekomstige bedreiging.
Naamgeving thumb|Het exemplaar dat in 1598 strandde in Berkheide werd als lectotype aangewezen. Afgebeeld is een gravure van Jacob Matham (1571 – 1631).
De naam potvis slaat vermoedelijk op de grote, dikke kop. Het woord 'pot' werd vroeger niet alleen gebruikt voor aardewerk (potten) maar ook voor dingen die een rond en plomp uiterlijk hadden.
De geslachtsnaam Physeter is afgeleid van het Griekse physētēr en betekent vrij vertaald 'blaaspijp' of 'balg'. De soortaanduiding macrocephalus betekent vrij vertaald 'grote kop'; macros = groot en kephalē = kop.
De potvis was in de oudheid een imposante verschijning en werd al door Plinius de Oudere omschreven als een 'orka' met scherpe en snijdende tanden. Twee potvissen die strandden in Nederland en veel walschot opleverden werden beschreven door Albertus Magnus. Latere beschrijvingen van de potvis zijn bekend van natuuronderzoekers uit de renaissance die echter maar deels gebaseerd waren op feiten en deels op mythen. Voorbeelden van dergelijke schrijvers waren Guillaume Rondelet (1507 – 1566), Conrad Gesner (1516 – 1565) en Pierre Belon (1517 – 1564 of 1565). Een andere beschrijving is bekend van de Franse arts Ambroise Paré (ca. 1510 – 1590). Later werd een in Schotland gestrande potvis bestudeerd door Robert Sibbald (1641 – 1722).
In 1738 publiceerde Peter Artedi (1705 – 1735) postuum een artikel waarin hij stelde dat de potvis verdeeld zou moeten worden in vier verschillende ondersoorten. Artedi kreeg bijval van de Schotse natuurfilosoof John Anderson (1726 – 1796). In 1756 stelde Mathurin Jacques Brisson dat er wel zeven ondersoorten moesten zijn en Carl Linnaeus stelde dat in 1758 weer bij tot vier ondersoorten: Physeter catodon, P. macrocephalus, P. microps en P. tursio. De ondersoorten P. microps en P. tursio werden beschreven als dieren met een hoge rugvin en worden beschouwd als verkeerd geïdentificeerd aangezien bij de potvis een rugvin ontbreekt.
Door de meeste biologen wordt de naam Physeter macrocephalus als de juiste naam gezien en wordt P. cathodon als een synoniem beschouwd. Ook de International Commission on Zoological Nomenclature, een internationale organisatie die verantwoordelijk is voor de nomenclatuur van dieren, beschouwt P. macrocephalus als de juiste naam.
Het eerst beschreven exemplaar van een diersoort wordt doorgaans geprepareerd en wordt het holotype genoemd. Linnaeus beschreef de potvis echter op basis van een exemplaar dat eeuwen geleden werd gevonden en niet meer bestaat. Hierdoor werd door de biologen Lipke Holthuis en Antonius Husson in 1974 een lectotype aangewezen. Dit betrof een mannetje 'van 16 tot 21 meter' dat strandde bij Berkheide op 3 februari 1598. De stranding werd beschreven door Carolus Clusius in 1605. Holthuis en Husson wezen daarnaast ook een neotype aan; een zestien meter lang mannetje dat strandde op 24 februari 1937 op Middelplaat.
De potvis is daarnaast onder vele wetenschappelijke namen beschreven waarvan een selectie is opgenomen in de onderstaande tabel. Verouderde wetenschappelijke namen van de potvis Wetenschappelijke naam Auteur Beschrijving Status Physeter catodon Linnaeus, 1758 Waarschijnlijk is de beschrijving gebaseerd op een kruising tussen een potvis en een griend. De naam werd beschouwd als nomen dubium maar later werd een neotype aangewezen (een exemplaar dat in 1937 in Middenplaat werd gevonden) welke nog steeds in een museumcollectie aanwezig is. nomen dubium Physeter microps Linnaeus, 1758 De beschrijving is gebaseerd op een waarneming van Artedi uit 1738. Het betreft echter een dier met een hoge rugvin, die bij de potvis ontbreekt. Mogelijk is de beschrijving gebaseerd op verschillende dieren. De naam werd beschouwd als een junior synoniem maar er is geen type-exemplaar bekend. nomen dubium Physeter tursio Linnaeus, 1758 Eveneens gebaseerd op een waarneming van een andere potvis door Artedi uit 1738. De beschrijving vermeld een hoge rugvin en afgeplatte tanden welke bij de potvis niet voorkomen. De naam werd beschouwd als een junior synoniem maar er is geen type-exemplaar bekend. nomen dubium Physeter novae angliae Borowski, 1781 De potvis wordt summier beschreven op basis van enkele schetsen van een exemplaar uit New England. Een type-exemplaar is niet bekend. . synoniem Physeter andersonii Borowski, 1781 Borowski beschrijft een exemplaar dat vermeld is door Brisson in 1756. Er is een typelocatie bekend maar geen holotype. Hoewel Borowski een tekening publiceerde in 1780 dook de naam pas een jaar later op in een van teksten voorziene versie. junior synoniem Phiseter [sic] trumpo Bonnaterre, 1789 De beschrijving bestaat uit een gedetailleerde tekening en enkele lichaamskenmerken en is gebaseerd op een gestrande potvis in Frankrijk. Het dier werd waarschijnlijk nooit in een museumcollectie opgenomen. junor synoniem Phiseter [sic] cylindricus Bonnaterre, 1789 Bonnaterre gaf een summiere beschrijving van een dier dat werd vermeld door Anderson in 1746. Er is geen type-exemplaar bekend, uit de illustratie die Bonnaterre heeft toegevoegd blijkt duidelijk dat het een potvis betreft. junior synoniem Phiseter [sic] Mular Bonnaterre, 1789 Zowel de geslachtsnaam als de soortaanduiding zijn onjuist gespeld. Deze derde beschrijving van Bonnaterre in een jaar is eveneens gebaseerd op een waarneming van Anderson. De soortaanduiding is gebaseerd op de triviale naam die werd gegeven door Bayer in 1733. junior synoniem Physeter maximus Cuvier, 1798 De beschrijving van Cuvier is er beperkt en bevat geen illustraties of details betreffende de uiterlijke kenmerken. De type-exemplaar is een exemplaar dat tezamen met 30 andere exemplaren strandde in Audierne (Frankrijk). Er is waarschijnlijk een schedel van het holotype bewaard gebleven; een juveniel exemplaar dat in 1784 werd ingebracht. junior synoniem Catodon svineval Lacépède, 1804 Lacépède gaf een korte beschrijving gebaseerd op gestrande dieren in Noorwegen zonder gedetailleerde lichaamskenmerken of een illustratie. Er is geen type-exemplaar bekend, mogelijk is de beschrijving gebaseerd op grienden. junior synoniem Physeter orthodon Lacépède, 1804 De beschrijving bevat enkele lichaamskenmerken en de lichaamskleur en is gebaseerd op waarnemingen van Anderson uit 1746. De typelocatie is Groenland, er is geen typesoort bekend. junior synoniem Physeter urganatus Rafinesque, 1814 Rafinesque baseerde zijn waarnemingen op een tekening van Mongitore uit 1743. Hoewel deze illustratie niet erg natuurgetrouw is gaat het waarschijnlijk wel om een potvis. junior synoniem Physeterus [sic] sulcatus Lacépède, 1818 De beschrijving is erg summier en betreft een exemplaar uit Japan, gebaseerd op een ongepubliceerde tekening. Er is geen type-exemplaar bekend. junior synoniem Physeter australasianus Desmoulins, 1822 Des Moulins beschreef een exemplaar op basis van een prent die twee jaar later werd gepubliceerd. De typelocatie van dit exemplaar werd later beschreven als de Molukken en Nieuw-Zeeland. Het exemplaar is niet teruggevonden in een collectie. synoniem Tursio vulgaris John Fleming, 1822 De naam is een later gebruikte naam voor de door :Linnaeus benoemde soort Physeter tursio. De beschrijving bestond louter uit een vermelding van een hoge rugvin. synoniem Physeter polycyphus Quoy & Gaimard, 1824 Er is geen type-exemplaar bekend en ook een duidelijke beschrijving ontbreekt. De illustratie laat duidelijk een potvis zien, de naam is later wel gespeld als polyscyphus, polycephus, en polycystus. synoniem D[elphinus] bayeri Risso, 1826 Deze soort werd summier beschreven aan de hand van een in Frankrijk gestrand, tien meter lang mannelijk exemplaar. Of er een holotype is verzameld of bewaard is onbekend. synoniem Physeter gibbosus Wiegmann, 1840 De naam is gebaseerd op enkele illustraties die duidelijk een potvis weergeven. De afbeeldingen zijn gebaseerd op oudere prenten uit 1771 en 1769. Een type-exemplaar is niet bekend. synoniem Catodon colneti Gray, 1850 De naam is een eerbetoon aan James Colnett die het dier ving langs de kust van Mexico. Er is geen type-exemplaar bekend en ook een beschrijving en een illustratie ontbreken. nomen nudum Catodon australis Wall, 1851 Wall had als curator de beschikking over een skelet dat hij uitgebreid beschreef. Het holotype was een tandeloze schedel van de potvis. De typelocatie is Port Jackson in Australië. junior synoniem Catodon (Meganeuron) krefftii Gray, 1865 De naam is een eerbetoon aan Gerard Krefft, die Gray foto's stuurde van de wervels van een holotype uit New South Wales, Australië. Op basis van de foto's en de beschrijvingen van Gray blijkt het om delen van een potvis te gaan. synoniem [Physeter] pterodon Trouessart, 1898 Deze soortnaam is niet gebaseerd op een type-exemplaar en er is ook geen beschrijving of illustratie gegeven. Trouessart opperde, zonder hiervoor een bron te geven, dat de naam door Lesson zou zijn gebruikt. nomen dubium
Taxonomie en indeling Potvissen behoren tot de orde van de walvisachtigen (Cetacea), een groep van ongeveer negentig zoogdieren die meestal in de zee leven, een aantal soorten leeft deels of geheel in rivieren. Walvisachtigen hebben allemaal een enigszins vis-achtige lichaamsbouw en worden verdeeld in twee groepen. De potvis behoort tot de onderorde tandwalvissen (Odontoceti), een groep van tien families die allen tanden dragen. Dit is het belangrijkste verschil met de andere groep van walvisachtigen; de baleinwalvissen. Deze hebben baleinen in plaats van tanden waarmee ze hun voedsel uit het water te filteren.