Kosovo (Albanees: , ; Servisch: , ), officieel de Republiek Kosovo (Albanees: ; Servisch: ), is een gedeeltelijk erkend land in Zuidoost-Europa. Kosovo ligt in het midden van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Albanië, Noord-Macedonië en Servië. De hoofdstad van Kosovo is Pristina.

Kosovo riep op 17 februari 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid uit van Servië. De etnisch Albanese bevolking, waar Kosovo voor ruim 90% uit bestaat, streefde al enige tijd naar afscheiding van Servië. Deze onafhankelijkheid wordt door 110 van de 193 leden van de Verenigde Naties erkend, waarvan Kosovo echter geen lid is. Servië erkent deze onafhankelijkheid niet en beschouwt Kosovo als een autonome provincie onder de naam Kosovo i Metohija. Servië verloor het feitelijke gezag over Kosovo al in 1999, toen de regio na de Kosovo-oorlog onder internationaal bestuur kwam.

Op 22 juli 2010 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo niet in strijd is met het volkenrecht.https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2010/07/22/onafhankelijkheidvankosovoisnietillegaal-1-830735/

Geschiedenis Vroege geschiedenis

Het gebied dat overeenkomt met het huidige Kosovo werd oorspronkelijk bewoond door de Indo-Europese volkeren Illyriërs en Thraciërs. In 231 v.Chr. ontstond het koninkrijk Dardanië, geregeerd door een gemengd Illyrisch-Thracische stam. Na veroveringen gedurende de oudheid door het Romeinse en Byzantijnse Rijk volgden in de 7e eeuw van de middeleeuwen Slavische expansie naar de Balkan. In het jaar 836 werd Kosovo onderdeel van het Eerste Bulgaarse Rijk. In de 13e eeuw werd de regio geannexeerd door het Koninkrijk Servië, dat geregeerd werd door de Nemanjić-dynastie. Deze dynastie leidde Servië onder tsaar Stefan Dušan naar een regionale macht en het territoriale hoogtepunt in de vorm van het Keizerrijk Servië. Aan het eind van de 14e eeuw verzwakte het Servische rijk onder de opvolgers en regeerden de Servische edelen afzonderlijk van elkaar. De dynastieën van Branković en Lazarević regeerden over het grootste gedeelte van Kosovo. Na kleinschalige uitbreiding van de Albanese Kastrioti-dynastie richting Prizren wisten de prinsen van de Dukagjini-dynastie het vorstendom Dukagjini aanzienlijk uit te breiden vanuit Noord-Albanië naar grote delen van het westen van Kosovo. Het aangrenzende vorstendom Zeta, overeenkomend met het huidige Montenegro, regeerde ook enige tijd over datzelfde gebied. Andere delen van Kosovo werden nog altijd geregeerd door de Branković-dynastie. In 1389 vocht het Moravisch Servië met steun van een Balkanalliantie, onder leiding van vorst Lazar Hrebeljanović in Kosovo de Slag op het Merelveld tegen Ottomaanse Rijk. Vorst Lazar en sultan Murat I sneuvelden tijdens de veldslag. Het eindigde in een Ottomaanse overwinning, waarna de Ottomanen het gebied, en hierna het grootste gedeelte van de Balkan, vijf eeuwen lang bezetten. 250px|thumb|Slag van Kosovo Polje in 1389 door Adam Stefanovic (1870)

Ottomaans Kosovo De Slag op het Merelveld van 1389 was een belangrijke gebeurtenis in de Ottomaanse expansie op de Balkan. Onder de Ottomanen werd Kosovo geïntegreerd in het Ottomaanse bestuur. De bevolking was religieus en taalkundig divers, maar bestond voornamelijk uit Servische en Albanese christenen. Vanaf de 15e eeuw verspreidde de islam in Kosovo zich geleidelijk, vooral onder Albanezen en enkele Slavische volkeren, zoals de Bosniakken en Gorani, terwijl de Serviërs grotendeels oosters-orthodox bleven. In 1690 volgden volgens de Servische overlevering grootschalige volksverhuizingen van Serviërs plaats; die vanuit Kosovo noordelijk trokken naar gebieden in Centraal-Servië en Vojvodina. Vanaf de 17e en 18e eeuw nam de Albanese bevolking in verschillende delen van Kosovo sterk toe. In Kosovo bestond het leger onder andere uit janitsaren, waarbij ook Albanezen, Serviërs en andere Balkanvolkeren, zoals Bosniakken, via het devşirme-systeem konden worden gerekruteerd. De Ottomanen hieven belastingen op landbouw, handel en andere inkomsten, terwijl niet-moslims onder andere de jizya betaalden. In de 18e eeuw kregen lokale machthebbers meer invloed en groeide Prizren uit tot een belangrijke stad.

Val van het Ottomaanse Rijk Van 1760 tot 1831 maakte Kosovo onderdeel uit van het semi-autonome Pasjalik Shkodër nadat de macht van de Albanese edelen binnen het Ottomaanse Rijk groeiden. In 1831 trokken de Ottomanen de autonomie van het Pasjalik Shkodër in om hun macht weer te verstevigen nadat het rijk wankelde. In 1877 werd Kosovo administratief hervormd; het was daarmee de facto de eerste keer dat het gebied zelfbesturend was, alhoewel de jure nog onderdeel van het Ottomaanse Rijk. In 1912 verklaarde Albanië zich na een reeks opstanden onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk, waarna Servië, Montenegro en Griekenland het land grotendeels bezetten en aanspraak wilden maken op Albanese gebieden na het verdrijven van Ottomaanse troepen tijdens de Eerste Balkanoorlog. Na het einde van de Tweede Balkanoorlog bepaalde de Vrede van Londen de landsgrenzen op de Balkan. Hoewel Albanië zijn onafhankelijkheid behield, werd tijdens de conferentie besloten dat gebieden met een etnisch Albanese meerderheid, waaronder Kosovo, zouden worden opgedeeld onder Servië, Montenegro en Griekenland. Servië kreeg vanaf 1913, na de val van het Ottomaanse Rijk, de heerschappij over Kosovo.

Het zinde Servië niet dat het Congres van Berlijn aan Oostenrijk-Hongarije het recht verleende om Bosnië en Herzegovina - waar ook veel Serviërs woonden - te bezetten. Deze kwestie werd in 1914 de aanleiding tot de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand te Sarajevo. Daarop brak de Eerste Wereldoorlog uit. miniatuur|Situatie na de Eerste Balkanoorlog, 1913 Toen Duitse en Bulgaarse troepen Servië in de winter van 1915-1916 veroverden, leidde dat tot een grote exodus van Servische burgers en het Servische leger uit Kosovo. Honderdduizenden Servische soldaten stierven door honger, extreem weer en Albanese vergeldingsaanvallen, toen ze zich terugtrokken en zich bij de geallieerde Britse en Franse troepen voegden, die waren geland op Korfoe en bij Thessaloniki.

Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen Na de Eerste Wereldoorlog smolten Servië, Montenegro, Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Noord-Macedonië samen tot de nieuwe staat Joegoslavië: een verzameling van een aantal aan elkaar verwante volkeren onder de naam "Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen". De Serviërs speelden vanaf het begin een dominante rol in het nieuwe koninkrijk. Deze rol zorgde op de lange duur voor wrevel met andere bevolkingsgroepen op de Balkan, die veelal sterke verlangens koesterden naar meer vrijheid en zelfstandigheid. Naast politieke, economische en culturele aspecten waren er ook godsdienstige: enerzijds vanuit het christendom de katholieke Kroaten en Slovenen (± 30%) en de orthodoxe Serviërs (± 40%), anderzijds een moslimminderheid (± 15%), vooral in Bosnië, en in Kosovo de Albanezen. In het laatste decennium van het Interbellum moedigde de overwegend Servische regering de Serviërs aan zich in Kosovo te vestigen.

In april 1941 vielen de troepen van Hitler het verdeelde land binnen. De Duitsers werden door een deel van de Kroaten als bevrijders onthaald. Het Duitsgezinde Kroatische leger 'ustaše' van Ante Pavelić mocht ongestoord zijn haat botvieren op alles wat niet-katholiek en niet-Kroatisch was. Alleen al in het concentratiekamp Jasenovac hebben 120.000 mensen de dood gevonden. Ongeveer 90% van deze slachtoffers was Serviër. Dit kamp werd tot symbool van de ustaša's genocide op Servische bevolking. Dit zou later de Kroaten een slechte naam bezorgen in het naoorlogse Joegoslavië en mede de nauwe banden tussen Kroaten en Duitsland verklaren. In totaal kwamen ruim één miljoen mensen om tijdens de Tweede Wereldoorlog, hetgeen neerkomt op één op elke 16 inwoners.Bogoljub Kočović: 'Žrtve Drugog svetskog rata u Jugoslaviji', Svjetlost, Sarajevo 1990.Vladimir Žerjavić Gubici stanovništva Jugoslavije u Drugom svjetskom ratu, Jugoslovensko Viktimološko društvo, Zagreb, 1989.

De Italianen van Mussolini hadden via Albanië ook Kosovo bezet en geannexeerd. Aangezien Albanië sinds de val van de Albanese koning Zog een personele unie met Italië en Abessinië vormde, betekende iedere uitbreiding van Albanië een uitbreiding van Italië. Dit land had dus alle belang bij een Albanese dominantie, en trachtte dit derhalve te bewerkstelligen door Albanezen aan te moedigen zich in het gebied te vestigen en Serviërs te verjagen. Die taken werden uitgevoerd door Albanese milities van de Balli Kombëtar, SS Skanderbeg en Vulnetari. Ook de Albanese autoriteiten streefden naar een etnisch homogeen Kosovo; de premier van het koninkrijk Albanië, Mustafa Kruja, kondigde in juni 1942 vervolgingen van Servische burgers aan. In die periode kwamen in Kosovo meer dan 10.000 Serviërs om en werden ongeveer 100.000 Serviërs verdreven naar Centraal-Servië.

Vanaf 1943 werd het gebied door de Duitsers bezet, die zich op hun beurt snel moesten terugtrekken.

Kosovo in Socialistisch Joegoslavië In het door de oorlog verscheurde land kwam in 1945 Josip Broz Tito met zijn communistische partizanenleger als overwinnaar uit de strijd. Een saillant detail is dat Tito als Kroaat het doel had om de diverse bevolkingsgroepen tot een hechte eenheid te formeren. Hij beloofde van Joegoslavië een bondsstaat te maken, met gelijke rechten voor alle deelstaten, wat hem voor alle partijen aanvaardbaar maakte. Hij groeide van partizanenleider uit tot een gerespecteerd staatsman. Als president voor het leven voerde Tito een dictatoriaal bewind, dat hem in staat stelde zowel democraten als nationalisten voor tientallen jaren de mond te snoeren. Tijdens de staatshervorming in 1974 werd Kosovo onder de naam Socialistische Autonome Provincie Kosovo een autonome provincie binnen de Socialistische Republiek Servië, (net als Vojvodina). Hiermee kregen Kosovo en Vojvodina feitelijk evenveel zeggenschap binnen Joegoslavië als een deelrepubliek (eigen parlement, regering en rechtbank).

Onder Tito's heerschappij genoten de Albanezen aanvankelijk relatieve vrijheid, maar na repressieve acties in 1974 en 1976 bekleedden Serviërs 75% van de belangrijke (overheids)functies. De Albanezen vormden inmiddels, gesteund door een hoog geboortecijfer, rond de 85% van de bevolking. De Servische minderheid woonde (en woont) hoofdzakelijk vrij geconcentreerd in het noorden, met een aantal verspreide gemeenschappen over de rest van Kosovo.

Tito overleed op 4 mei 1980. Hij ging de geschiedenis in als de communistische leider die de Russische opmars naar het westen een halt wist toe te roepen: hij weekte zijn land los uit het Oostblok, volgde zijn eigen weg en gaf het communisme in Joegoslavië een eigen gezicht. Na de dood van Tito leidden de onderhuidse etnische spanningen echter opnieuw tot gewelddadige confrontaties: zijn levenswerk viel uiteen en bleek geen lange toekomst te hebben.

Op 11 maart 1981 brak in Kosovo een opstand uit onder de Albanese inwoners. Zij eisten dat Kosovo net als alle overige republieken behandeld zou worden met de leus Kosova-Republikë (Kosovo Republiek). Na het neerslaan van de opstand, waarbij volgens de Servische autoriteiten 11 doden en 257 ernstig gewonden vielen (Albanese cijfers spreken daarentegen van 1600 doden en ongeveer een gelijk aantal gewonden), werden ongeveer 2000 Albanezen gevangengezet, waaronder een belangrijk deel van de Albanese intelligentsia en Albanese partijkaders.