De Beurs van Berlage is een rijksmonument, gelegen aan het Damrak en Beursplein, Oude Brugsteeg en Beursstraat, in het centrum van Amsterdam, ontworpen door Hendrik Petrus Berlage. Het gebouw is tegenwoordig in gebruik als centrum voor exposities, congressen en andere bijeenkomsten. De Beurs van Berlage behoort tot de 'Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg' uit 1990.
Ontstaansgeschiedenis In de loop van de jaren 70 van de 19e eeuw werd duidelijk dat Amsterdam behoefte had aan een nieuwe Koopmansbeurs. De bestaande Beurs van Zocher uit 1848 was, door de economische opleving, niet alleen te klein geworden, het gebouw, dat de bijnaam "het mausoleum" had, was ook qua stijl uit de mode geraakt. Het in 1876 ontworpen Centraal Station, tegenover de oude beurs, maakte dit nog maar eens duidelijk. De behoefte aan een nieuwe beurs in combinatie met het CS als nieuwe gateway tot de stad waren de aanleiding tot een lange discussie tussen de gemeente enerzijds, en ondernemers georganiseerd in de Kamer van Koophandel en architecten georganiseerd in Architectura et Amicitia (A et A) anderzijds. De gemeente wilde zo min mogelijk geld uitgeven, de ondernemers wilden zo snel mogelijk een nieuwe beurs en de architecten, met A et A-voorzitter Jan Springer voorop, wilden een architectonisch hoogstandje, dat een plaats kreeg in een groot stedenbouwkundig plan, dat het CS met de Dam moest verbinden.
De ‘Beursquaestie’ thumb|left|400px|Beursterrein, behorend bij het prijsvraagprogramma voor een nieuwe beurs, 1884 In 1879 werd door de gemeenteraad een commissie benoemd om de al bestaande beursontwerpen op uitvoerbaarheid te toetsen. Deze commissie bracht op 19 november van dat jaar een rapport uit, dat echter nooit werd behandeld.Anoniem (7 februari 1891): p. 44. Op 18 oktober 1882 wees de raad het zojuist gedempte Damrak tussen de Dam en de Oudebrug aan als locatie voor de nieuwe beurs. Deze moest zo veel mogelijk door de handelaren zelf betaald worden en dus werd op initiatief van Adriaan Heynsius een 'beursbelasting' ingevoerd. In juni 1883 kondigde de gemeente Amsterdam aan dat het van plan was een internationale prijsvraag uit te schrijven.
A et A was het echter niet eens met het hiervoor opgestelde concept-prijsvraagprogramma. Ze wilde de prijsvraag, in het belang van haar leden, beperken tot een nationale prijsvraag en eiste dat de namen van de juryleden van tevoren bekend werden gemaakt. In november stuurde ze een adres aan de raad met daarin hun eisen.Dit adres is gepubliceerd in De Opmerker, 18e jaargang, nummer 46 (17 november 1883): p. 422. Zie scan TU Delft (gearchiveerd) Van de vier eisen in dit adres, nam de raad er slechts één – met betrekking tot de jurering – over.Anoniem (24 november 1883): pp. 433-434. Vervolgens ontstond er onenigheid over de plaats waar de beurs gebouwd moest worden. Het door de gemeente aangewezen bouwterrein had als voordeel dat geen enkel huis onteigend hoefde te worden en zorgde ervoor dat schepen nog steeds in het ongedempte gedeelte van het Damrak konden afmeren. Hierdoor ontstond echter wel een onregelmatig, trapeziumvormig terrein, dat vanwege de minimumoppervlakte van de nieuwe beurs en de beperkte breedte van het Damrak op die hoogte ook nog eens zeer langgerekt was. Iemand merkte dan ook spottend op dat 'het terrein beter geschikt zou zijn voor een stadskegelbaan dan voor een Beursgebouw'. Eind december diende gemeenteraadslid A. Prins, met instemming van A et A, een voorstel in het Damrak in zijn geheel te dempen en een vierkante beurs te bouwen direct tegenover het Centraal Station.Anoniem (5 januari 1884): pp. 2-3. Niet lang daarna volgden anderen het voorbeeld van Prins. Kiesvereniging Burgerplicht diende op 30 januari 1884 een in 1879 door Muysken en De Kruyff gepubliceerd beursplan aan de DamC.B.P.M. (2 februari 1884): pp. 37-38. in en kort daarna presenteerde A.L. van Gendt een plan voor een beurs als pendant van het Paleis op de Dam.Anoniem (16 februari 1884): pp. 58-59. Al deze voorstellen werden keurig door een commissie getoetst op technische en financiële uitvoerbaarheid en even leek het erop dat het plan van Van Gendt het zou winnen. Zelfs de wethouder van Publieke Werken, Jac. Ankersmit, liet zich overtuigen, maar de bewoners aan de Dam en de Warmoesstraat vroegen zulke exorbitante gedragen voor onteigening, dat hij het niet door de gemeenteraad kreeg en het oorspronkelijke, trapeziumvormige bouwterrein alsnog werd opgenomen in het prijsvraagprogramma.Anoniem (10 mei 1884): [p. 157].
Prijsvraag Motto Auteur(s) Prijs Afbeelding Y L.M. Cordonnier 1e prijs 300x80px In hoc signo floresco J.F. Groll,F. Ohmann 2e prijs 300x80px La Bourse ou la vie J. Vollmer 3e prijs 80x80px Mercaturae H.P. Berlage,Th. Sanders 4e prijs 300x80px Ammerack L. Klingenberg,E. Tauschenberg 5e prijs 300x80px Het uiteindelijke prijsvraagprogrammaHet prijsvraagprogramma is gepubliceerd in De Opmerker, 19e jaargang, nummer 26 (28 juni 1884): pp. 232-234. en de samenstelling van de juryVoorzitter van de jury was Jac. Ankersmit, vicevoorzitter Friedrich Schmidt en secretaris ene Dirksen. Robert Kerr werd als jurylid vervangen door de Londense architect R. Rhené Spiers. Anoniem (8 november 1884): p. 391. Anoniem (15 november 1884): pp. 399-400. werden op 28 juni 1884 bekendgemaakt. Om vriendjespolitiek en nationalistische gevoelens uit te sluiten, werd elk ontwerp niet onder de naam van de auteur(s) ingediend, maar onder een motto. Het aantal inzendingen was buiten verwachting groot. De 199 inzendingen (eigenlijk 201; twee ontwerpen kwamen te laat binnen) werden in het Rijksmuseum opgehangen om door de jury te worden beoordeeld.Anoniem (8 november 1884): p. 391. De jury kwam op 10 november voor het eerst bij elkaar en de eindstemming vond plaats op 15 november. Het juryrapport werd in het Frans gepubliceerd in het Algemeen Handelsblad.Een Nederlandse vertaling hiervan is opgenomen in het buitengewoon nummer van het Bouwkundig Weekblad (17 november 1884): pp. 319-320. Natuurlijk was er kritiek op dit rapport. Men vond het aan de korte kant en men was het niet eens met de eis van de jury dat het gebouw 'schilderachtig' moest zijn. Deze eis stond nergens in het prijsvraagprogramma en had als resultaat dat alle classicistische ontwerpen buiten de prijzen vielen, terwijl een groot aantal critici een zoveelste Rijksmuseum of Centraal Station niet wenselijk vond.Anoniem (13 december 1884): pp. 437-438. Van de inzendingen, die van 27 november tot en met 14 december in het Rijksmuseum werden tentoongesteld, werden er 5 uitgenodigd voor een besloten wedstrijd,Anoniem (29 november 1884): pp. 417-419. waaronder dat van Berlage en zijn compagnon Sanders. In deze tweede ronde, die in 1885 plaatsvond, werden de ontwerpen aangepast aan de wensen van de jury.Anoniem (13 juni 1885): pp. 209-210. Hiervoor stelde zij een nieuw prijsvraagprogramma op, dat net als het vorige prijsvraagprogramma eerst door de gemeenteraad goedgekeurd moest worden.Anoniem (22 november 1884): pp. 413-414. Ook nu probeerden verschillende partijen er hun invloed op uit te oefenen; dit keer met meer succes. Zo werd de maximumbegroting vastgesteld op 2 miljoen gulden (en niet ongeveer 2 miljoen gulden) en zorgde gemeenteraadslid Gosschalk ervoor dat de eis dat de vijf deelnemers aan de besloten prijsvraag de 'schikkingen en het bouwkunstig karakter van hun eerste ontwerp' moesten aanhouden, geschrapt werd, omdat 'men anders het Trojaansche paard, waarin [...] niet Grieken [...], maar waarin de officiële Rijks-bouwtrant verstopt is, zou binnenhalen'.Anoniem (27 december 1884): pp. 458-459.
thumb|left|160px|Binnenhof van het stadhuis van La Rochelle Van deze vijf ontwerpen werd op 3 juni 1885 het ontwerp met motto Y van de Franse architect L.M. Cordonnier gekozen als winnaar.Het juryrapport van de tweede ronde is gepubliceerd in De Opmerker, 20e jaargang, nummer 24 (13 juni 1885), pp. 210-211. De vijf bekroonde ontwerpen werden van 10 tot en met 24 juni tentoongesteld in Arti et Amicitiae. Een lezer van het tijdschrift De Opmerker ontdekte echter dat ontwerp Y 'letterlijk gekopieerd' was naar het stadhuis in La Rochelle.Anoniem (20 juni 1885): p. 218. Om twijfelaars hiervan te overtuigen werd in de etalage van Van der Land in de Kalverstraat het ontwerp Y naast afbeeldingen van het stadhuis van La Rochelle opgehangen. Een aantal architecten stuurden vervolgens op 23 juni een brief naar de gemeenteraad met het verzoek nog eens goed naar dit ontwerp te kijken.Deze brief, ondertekend door A.N. Godefroy, A.C. Bleijs, J.H. Leliman, A.L. van Gendt, J.L. Springer, C.B. Posthumus Meyjes, A. Salm, W.J. Vuijk, H. Evers, G. van Arkel, D.H. Haverkamp, A. van Delden en L. Breirer, is gepubliceerd in De Opmerker, 20e jaargang, nummer 26 (27 juni 1885): p. 226. In de raadsvergadering op 24 juni werd het juryrapport afgekeurd, niet alleen vanwege de plagiaatkwestie, maar ook omdat ze de begrotingen volledig buiten beschouwing had gelaten. Vervolgens werd aan het college van B & W gevraagd een onderzoek in te stellen naar beide zaken.Anoniem (27 juni 1885): pp. 225-226. Voor de plagiaatkwestie ging het college terug naar de jury. Deze was echter niet van plan haar oordeel te wijzigen, waardoor het college niets anders kon doen dan het ontwerp te accepteren. Wat de begroting betreft vroeg het college de eerste twee prijswinnaars, Cordonnier en Groll, persoonlijk om een begroting, die, na enige bezuinigingen, het gestelde maximum van 2 miljoen niet overschreden.Anoniem (19 december 1885): pp. 437-438. Op 6 januari 1886 kwam de raad samen om het oordeel van B & W te bespreken. Gosschalk noemde het 'een meesterstuk van diplomatische kunst'. Hij had echter geen vertrouwen in de 'bezuinigingen'. Als architect wist hij dat de uiteindelijke bouwkosten waarschijnlijk hoger zouden uitvallen dan de begroting en de bezuinigingen teniet zouden doen en dus vond hij dat het project afgesteld moest worden. Bovendien was 1885 een zeer slecht jaar voor de beurs. Er was zo weinig handel dat voorlopig met de beurs van Zocher volstaan kon worden. Toch werd het rapport van B & W zonder stemming aangenomen. Hierna werden de naambrieven geopend en konden de prijzen voor de vijf bekroonde ontwerpen worden uitgereikt zonder dat een van de winnaars zijn ontwerp ook daadwerkelijk mocht uitvoeren.Anoniem (9 januari 1886): pp. 10-11. Hierna bleef de beurskwestie voorlopig liggen, terwijl er nog steeds beursbelasting betaald werd.
Het ‘Officieele project’ thumb|250px|Impressie van de Damrakboulevard uit het Plan Werker, door M. Hendrickx, 1884. In november 1886 volgde J. Coninck Westenberg J. Ankersmit op als wethouder van P.W. De nieuwe wethouder spande zich in om de kwestie tot een snel einde te brengen. Hij gaf gemeentearchitect A.W. Weissman de opdracht een nieuw beursplan te maken. Dit plan werd op 3 mei 1887 aan de raad voorgedragen en was samengesteld uit de beste elementen van de eerste twee bekroonde prijsvraagontwerpen: de door de beurshandelaren geprezen plattegrond van Groll en Ohmann en de architectuur van Cordonnier.Anoniem (7 mei 1887): pp. 147-148. De gemeente had met het uitreiken van de premies deze ontwerpen immers aangekocht en er bestond geen wettelijke bepaling die haar verhinderde hiermee te doen wat ze wilde. De verontwaardiging over deze manier van handelen was groot en de voordracht werd tijdens een raadszitting in februari 1888 dan ook met grote meerderheid afgewezen.H. G. J. (3 maart 1888): p. 70. De beursbelasting werd echter niet afgeschaft en zo sluimerde de beurskwestie voort.Anoniem (27 oktober 1888): pp. 244-245.
thumb|left|250px|J. Springer, Plan Krasnapolsky, 1888