Roosendaal () is een stadANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 85 94-394 . in de Nederlandse provincie Noord-Brabant, en de grootste plaats binnen de gelijknamige gemeente Roosendaal.

Door zijn ligging aan de spoorlijn (Amsterdam –) Rotterdam – Antwerpen (– Brussel – Parijs) vervulde Roosendaal een internationale logistieke functie. Roosendaal is gezien vanuit het noorden het laatste station op Nederlands grondgebied voor de grens met België. De Beneluxtrein, (= intercity Amsterdam - Brussel) stopte hier sedert 1957. Sinds begin april 2018 gaat deze trein over de HSL-Zuid, via Breda.

Toponymie Voor de naam Roosendaal zijn twee verklaringen in omloop: De eerste verklaring heeft te maken met het Middeleeuws gebruik om kloosters de benaming: -dal te geven: Agnetendal, Mariadal, Godsdal enz. Het ‘dal der rozen’ zou dan verwijzen naar de Heilige Maria, aan wie de eerste kapel te Roosendaal oorspronkelijk was gewijd. Maria werd in de Middeleeuwen vaak door bloemen gesymboliseerd. Zo stond de witte lelie voor zuiverheid en de roos (rosa mystica) was het symbool van volmaaktheid. De tweede verklaring de naam Roosendaal als rietdal: risse is een andere naam voor riet. Ook staat roos voor rus, eveneens een moerasplant. De locatie was oorspronkelijk een bijna drooggevallen moeras tussen de zandruggen of donken, dat in de zomer vol riet stond.

Naamgenoten Door de spelling onderscheidt de naam zich van Rozendaal bij Arnhem, al werd ook Roosendaal in het verleden weleens zo gespeld. Rozendaal (Frans: Rosendaël) was daarnaast ook een dorp bij de Franse stad Duinkerke en vormt daar thans een wijk van. Verder zijn er het Vlaams-Brabantse Roosdaal, het Britse district Rossendale, het dorp Rozendal (Zuid-Afrika) en een wijk in Willemstad (Curaçao).

Geschiedenis Ontstaan en bloei Roosendaal kent een geschiedenis die teruggaat tot de dertiende eeuw. Het was toen echter slechts een verzameling buurtschappen. In 1266 verzochten de bewoners van de buurtschappen Langdonk, Hulsdonk en Kalsdonk aan de abt van de Abdij van Tongerlo om een eigen kapel te mogen oprichten, aangezien de verbinding met de – toen reeds bestaande – kerk te Nispen moeizaam was. In 1268 was de kapel gereed en schonk Arnoud van Leuven, de toenmalige Heer van Breda, zijn goedkeuring aan een schenking van grond aan deze kapel in loco dicto Rosendale. Het betreffende document is het eerste waarin de naam Roosendaal te vinden is. Overigens stond in die tijd het dorp ook bekend als Haviksdonk. Pas in 1510 werd Roosendaal verheven tot een zelfstandige parochie, gewijd aan Sint-Jan. In 1363 stond in Roosendaal het Sint Anna Gasthuis aan de Raadhuisstraat.

thumb|left|195px|Roosendaal in 1677 In 1451 werd de Roosendaalse Vliet bevaarbaar gemaakt. Aldus kreeg Roosendaal een haven en konden schepen naar de Dintel of de Steenbergse Vliet, en via deze wateren verder naar de zeearmen varen. De turfwinning in de wijde omgeving van Roosendaal noodzaakte tot het graven van een netwerk van turfvaarten, waarvan de Roosendaalse Vaart naar Roosendaal liep. De turf werd via de Roosendaalse haven uitgevoerd naar Holland, Zeeland, Vlaanderen en Antwerpen. De Roosendaalse schippers ondernamen ook regelmatig tochten overzee naar Engeland en Frankrijk. Vaak brachten de schepen stadsmest als retourlading mee terug. Het hoogtepunt van de turfwinning lag in de 16e en 17e eeuw.

Van oudsher maakte Roosendaal deel uit van de Land van Breda, waarin het met Nispen een van de vijftien schepenbanken vormde. Het vormde, na de afsplitsing van Land van Bergen op Zoom in 1290, een Bredase enclave binnen het Bergse gebied. De plaats Roosendaal kon gezien worden als een vrijheid.

Terugslag De Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) maakte een einde aan de vooruitgang. Roosendaal had zwaar te lijden van de rondtrekkende troepen. De vrijheid was immers niet beschermd door stadsmuren of vestingwerken. In 1572 werd de kerk op de Markt, alsmede het raadhuis, een honderdtal huizen en een aantal schepen, door krijgsgeweld verwoest. Ook in 1576 en 1583 vonden plunderingen plaats, en in 1590 en 1600 brandde de kerk af. Pas tijdens het Twaalfjarig Bestand kon met de wederopbouw worden begonnen nadat Roosendaal in 1605 definitief in Staatse handen was gekomen. Wel vonden er nog epidemieën van de pest plaats in 1622 en 1626. Bovendien kwijnde na 1648 ook de turfnering geleidelijk weg. In 1687 woedde er een stadsbrand en los daarvan had de plaats te lijden van invasies van troepen, zoals de Franse in 1672.

Op kerkelijk gebied waren de ontwikkelingen als volgt: In 1611 ontstond in Roosendaal voor het eerst een kleine protestantse gemeenschap, die in 1648 gebruik kon maken van de Sint-Janskerk. De katholieken kerkten toen in een grenskerk te Steenpaal, een buurtschap vlak over de grens, nabij Essen. Na 1672 kregen ze toestemming om een schuurkerk te gebruiken. In 1762 werd hiernaast, aan de Molenstraat, een pastorie gebouwd. In 1807 kregen de katholieken hun kerk weer terug. Deze was echter in slechte staat en moest – op de toren na – worden gesloopt. In 1839 werd de huidige Sint-Janskerk ingewijd. Deze was tegen de oude toren aan gebouwd. De oude schuurkerk werd gasthuis. De Hervormden kregen in 1810 hun eigen kerkgebouw, een Napoleonskerk.

Onder Lodewijk Napoleon werd Roosendaal in 1809 tot stad verheven, met als motivering de uitgestrektheid en de volkrijkheid. De stadsrechten werden echter weer ingetrokken in 1815, nadat het Koninkrijk der Nederlanden tot stand was gekomen.

Nieuwe tijd Er heerste in de eerste decennia van de 19e eeuw een grote armoede. In 1816 had Roosendaal een bierazijnbrouwerij, twee bierbrouwerijen, een hoedenfabriek, zeven leerlooierijen, twee messenmakerijen, een olieslagerij, twee windkorenmolens en een waterkorenmolen. Van een industrie van enige betekenis was nog geen sprake.

thumb|left|180px|Roosendaal in 1868 thumb|Polygoonjournaal 1962: met de geboorte van Marinus van Ginderen komt het inwonertal van Roosendaal op 40.000 Met de invoering van de gemeentewet van 1851 kwam de politieke modernisering op gang. In het begin veranderde er desondanks nog weinig. Een kleine groep notabelen bepaalde de conservatief-katholieke koers. Binnen deze groep speelde de familie Van Gilse een belangrijke rol. Het algemeen kiesrecht van 1919 bracht een kleine doorbraak teweeg. Maar het zou nog tot 1970 duren voordat de traditionele patronen echt werden doorbroken en de ontzuiling vat kreeg op Roosendaal. Landelijke partijen deden meer hun intrede.

Toen in 1854 de spoorwegverbinding met Breda, Antwerpen en Lage Zwaluwe tot stand kwam, en ook Station Roosendaal werd geopend, kreeg Roosendaal een internationale transportfunctie. Later kwamen er ook rechtstreekse spoorwegverbindingen met Rotterdam en Vlissingen tot stand. Aldus kwam er ook industrie.

In 1859 werd de gasverlichting en in 1887 de waterleiding ingevoerd. Vanaf 1865 vond de industrialisatie plaats. Veel van de eertijds opgerichte fabrieken zijn weer uit het stadsbeeld verdwenen, doch ook tegenwoordig heeft Roosendaal uitgebreide bedrijventerreinen. De industrialisatie deed de bevolking verdubbelen van 6.501 in 1851 tot 13.720 in 1899. In 1935 woonden er reeds 24.422 mensen in de gemeente Roosendaal en Nispen.

In 1939 werd de Engelbrecht van Nassaukazerne gebouwd, doch op 11 mei 1940 werd het centrum van Roosendaal gebombardeerd, wat grote schade teweegbracht. Op 14 mei 1940 werd Roosendaal bezet. Er kwam een NSB-burgemeester. Op 31 mei 1944 vond opnieuw een bombardement plaats, nu op de omgeving van het station. Op 30 oktober 1944 werd Roosendaal bevrijd.

Kerkelijke ontwikkeling Kerkelijke ontwikkelingen betroffen enerzijds de vestiging van kloosters en anderzijds de bouw van nieuwe kerken.

Kloosters Tot de kloosters behoren: Franciscanessen van Roosendaal, die meisjesonderwijs en gezondheidszorg verzorgden. Opgericht in 1832. In 1907 stichtten zij het ziekenhuis Charitas aan de Kalsdonkstraat, een voorloper van het Sint-Franciscusziekenhuis, dat in 1968 gereedkwam. Franciscanessen van Charitas gericht op zieken- en ouderenzorg. Hun moederhuis bevond zich van 1970 tot 2017 aan de Waterstraat; voordien stond hier een ouder zusterhuis van de congregatie. Broeders van Oudenbosch, verzorgden jongensonderwijs. Ze vestigden zich in 1865 in Roosendaal. Paters Redemptoristen, aan de Kade, beoefenden de zielzorg. Ze vestigden zich in 1868 in Roosendaal. Het klooster werd in 2003 opgeheven. Hun kloosterkerk doet nu dienst als parochiekerk. Paters van de Congregatie van Mill Hill, waren actief in de missie. Ze vestigden zich in 1890 in Roosendaal.

Protestantse kerkgebouwen Een deel van de protestanten, die reeds de Hervormde kerk uit 1810 bezaten, stichtten in 1903 een Gereformeerde kerk aan de Sophiastraat. In 2003 werd de hervormde kerk onttrokken aan de eredienst, en sindsdien maakten de protestanten gebruik van de voormalige katholieke Heilig-Kruiskerk aan het Sint-Lucasplein, die nu Kruiskerk ging heten.

Katholieke kerkgebouwen Tot 1903 bezat Roosendaal slechts één parochiekerk, namelijk de Sint-Janskerk. Daarna werden de volgende katholieke kerken gebouwd: De Antonius van Paduakerk aan de Brugstraat, in 1903 gebouwd, in 1970 van de eredienst onttrokken en in 1977 gesloopt. Bijbehorende kapel aan de Brugstraat bestaat nog. De Sint-Corneliuskerk aan de Wouwseweg, in 1916 gebouwd, in 1971 buiten gebruik genomen en in 1973 gesloopt. Er staat nu een appartementencomplex. De Sint-Josephkerk, aan de Sint-Josephstraat, in 1924 gebouwd. De Heilig-Hartkerk aan het Heilig Hartplein, in 1935 gebouwd. Inmiddels is deze kerk omgebouwd naar gezondheidscentrum en wordt de "aanbouw" omgebouwd tot appartementen. De Onze-Lieve-Vrouw-van-Fatimakerk aan de dr. Schaepmanlaan, in 1952 gebouwd, in 2004 buiten gebruik. De Christus Koningkerk aan de Ommegangstraat, in 1957 gebouwd, in 2003 buiten gebruik genomen en gesloopt. Sinds 2012 staat er een appartementencomplex. De Heilig-Kruiskerk aan het Sint-Lucasplein, in 1964 gebouwd, in 2003 buiten gebruik als katholieke kerk, en nu een protestantse kerk (PKN) met de naam Kruiskerk. De Moeder Godskerk aan de President Kennedylaan, uit 1967. De laatste dienst hier is gehouden op 13 oktober 2019. De Sint-Franciscuskerk aan de Azurietdijk, een verbouwde boerderij, in gebruik van 1975–2001 en nu een kapel. De Goede-Herderkerk aan de Lindenburg, in gebruik genomen in 1981, maar inmiddels niet meer gebruikt als kerk na een vuurwerkincident.

Economie Een overzicht van de belangrijkste bedrijven die in de loop der jaren in Roosendaal zijn opgericht of zich hebben gevestigd: Tussen 1865 en 1870 werden drie suikerfabrieken gesticht aan de Havendijk. Het betrof De Ram & Co. (1864), Ravenswaay, Fercke, Jäger & Co. (1867), en Janssens, Van Weel, Smits & Co. (1869). In 1870 volgde de Stijfselfabriek Roosendaal. Vanaf 1892 groeit de tabaksindustrie in Roosendaal. De bekendste fabriek was KaVeeWee, gesticht in 1897 door Karel van Wely. In 1900 werkten er 130 mensen in de tabaksindustrie; in 1924 waren er vijf tabaksverwerkende fabrieken. In 1930 had KaVeeWee 750 werknemers. Dit liep op tot 1000 in 1939, en tot 1947 was KaVeeWee Roosendaals grootste werkgever. Hierna liep het aantal arbeiders snel terug en in 1972 sloot de fabriek. De Gebr. Van Gilse Kandijfabriek werd in 1882 opgericht door Piet (Petrus Adrianus Gerardus) van Gilse. Deze bestaat nog steeds, onder de naam Koninklijke Van Gilse Kandijfabriek B.V.. Tricotagefabriek WEBA, aan de Nispenseweg, tricotagefabriek Bleijenberg aan de Nieuwstraat; confectiefabriek Gebr. van Gils, aan de Zwaanhoefstraat; breigoederenfabriek Lagero, aan de Bredaseweg (opgericht 1930); Hudson Textiel, aan de Boulevard; Tricotagefabriek De Groot, aan de Bredaseweg; Tricotagefabriek Engelvaarts, aan de Gezellelaan; Tricotagefabriek Tribouco in de Frederik Hendrikstraat. Schoolmeubelfabriek Bruijninckx; Meubelfabriek Gebr. Min.