Het Heilige Roomse Rijk van de Duitse natie (Latijn: Sacrum Imperium Romanum Nationis Germanicae) was vanaf de hoge middeleeuwen een rijk dat op zijn toppunt het overgrote deel van Centraal- en Noordwest-Europa omvatte, plus nog enkele aangrenzende gebieden tot en met Noord-Italië. Het was geen staat in de moderne betekenis van het woord, maar een bestuurlijk en politiek verband van grondgebieden in wereldlijke en kerkelijke handen die direct of indirect onderworpen waren aan de soevereiniteit van de Rooms-Duitse keizer of koning, lange tijd op basis van plaatselijk geldend leenrecht. (2009): Das Heilige Römische Reich Deutscher Nation. Vom Ende des Mittelalters bis 1806, blz. 7-8.

'Rooms' betekent in dit verband zowel 'Romeins' (het zou een feitelijk rechtstreekse voortzetting zijn van het West-Romeinse Rijk) als 'gelegitimeerd door het hoogste kerkelijke gezag in Rome' De keizer werd gezalfd en gekroond door het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk, de paus, volgens een ceremonie waarover beide partijen in de 13e eeuw overeenstemming hadden bereikt. : Das Reich in der Frühen Neuzeit. 2003, blz. 12, citaat: Es hatte Vorbilder in den bischöflichen Wahlkapitulationen der geistlichen Reichsfürstentümer, in denen sich seit dem 13. Jahrhundert die Domkapitel, später auch die weltlichen Landstände ihre Privilegien bestätigen ließen. De relatie van de keizer met zijn gebieden veranderde herhaaldelijk, evenals zijn machtsbereik. Een deel van het rijk stond onder persoonlijke controle van de keizer; het overige deel bestond uit een groot aantal grondgebieden die in leen waren gegeven als hertogdom, graafschap, prinsdom, bisdom of aartsbisdom en uit vrije steden en rijkssteden. De autonomie van deze gebieden nam in de loop van de middeleeuwen toe door maatschappelijke ontwikkelingen, onderlinge militaire veroveringen, huwelijken en erfopvolging. De centrale macht en bestuurlijke samenhang namen daardoor af. In de late 15e en vroege 16e eeuw werden voor het Duitse deel van het rijk een aantal overkoepelende instituties geschapen die achteraf als staatsrechtelijk of constitutioneel van aard kunnen worden gezien, zoals de Rijksdag als gemeenschappelijke bestuurlijke vergadering, het Rijkskamergerecht als hoogste rechterlijke instantie en de kreitsen als bestuurseenheden met zeggenschap door burgervertegenwoordiging.

Wanneer het Heilige Roomse Rijk ontstond, is niet precies aan te geven. De keizerstitel werd in het westen van Europa opnieuw ingevoerd met de keizerskroning van Karel de Grote in 800. In 962 liet Otto I de Grote, de koning van het Oost-Frankische of Duitse koninkrijk, zich door de paus tot keizer kronen. , Das Heilige Römische Reich: Schauplätze einer tausendjährigen Geschichte (843-1806), Keulen, 20052, p. 3. Dit was een door beide machten nieuw bedachte ceremonie die het keizerschap als berustend op de wil van de door de Rooms-Katholieke Kerk aanbeden God moest legitimeren en de keizer als diens regerende hand op aarde verbeeldde. De verbinding tussen het Duitse koningschap en de keizerstitel vormde sindsdien de basis van het Heilige Roomse Rijk. Ook het hertogdom Lotharingen, het koninkrijk Italië, het graafschap Bourgondië (dat laatste als 'Rijks'-Bourgondië te onderscheiden van het Franse hertogdom Bourgondië) en Rijks-Vlaanderen behoorden tot het rijk. Het noordwesten van het huidige Frankrijk (Artesië) met het tot dusver tot het koninkrijk Frankrijk behorende Kroon-Vlaanderen kwam in 1529 binnen het Duitse Rijk. Lotharingen, Artesië en delen van de Elzas, Vlaanderen en 'Rijks'-Bourgondië werden door Frankrijk veroverd in de 17e en 18e eeuw. De Duitse gebieden bleven steeds de kern van het Rijk vormen. Daarnaast werd de keizer in het middeleeuws christelijk denken als wereldlijke tegenhanger van de paus gezien, met een universeel gezag.

Het Duitse koningschap was aanvankelijk erfelijk. Dit evolueerde echter in de loop der jaren via een voorstel tot erfopvolging dat werd aangenomen door de keurvorsten, de feodale bovenlaag van het rijk, tot een koning die geheel werd gekozen. In de middeleeuwen kon de koning zich pas keizer noemen nadat hij door de kerk in Rome was erkend. Dat vereiste de pauselijke goedkeuring en kroning, die vaak pas na diplomatieke onderhandelingen gegeven werd waarbij over en weer toezeggingen werden gedaan. Sinds de 16e eeuw nam de koning de keizerstitel aan als erfelijke titel, direct en zonder tussenkomst van Rome. Het huis Habsburg had de keizerstitel erfelijk weten te verklaren. Daarvoor had Rome afstand gedaan van zijn legaliserende macht, omdat Habsburg in de 16e eeuw de sterkste macht van de rooms-katholieke vorsten en standen in het Rijk was geworden. Het koningschap werd sindsdien een rang van lagere orde, toebedeeld aan enkele machtige keurvorsten, of eigenmachtig aan zich getrokken, zoals door de hertog van Brandenburg die zichzelf in 1702 tot koning van Pruisen verklaarde.

Het rijk werd uiteindelijk op gezag van keizer Napoleon in 1806 opgeheven en vervangen door een nieuwe eigendoms-, machts- en bestuursstructuur (zie ook Duitse Bond).

Naam en voorgeschiedenis

Ontwikkeling van de naam De naam Heilige Roomse Rijk is geleidelijk ontstaan. Het rijk werd Rooms genoemd omdat het gezien werd als voortzetting van het (West-)Romeinse Rijk, een idee dat translatio imperii genoemd werd. Het adjectief Heilig werd daar in de 12e eeuw aan toegevoegd om aan te geven dat de keizerlijke waardigheid direct van God aan de keizer zou zijn overgedragen. Het hoofd van de kerk was in deze de bemiddelaar en kroonde en zalfde de koning 'als keizer'.

Het Roomse Rijk Onder de eerste Frankische keizers had het keizerrijk nog geen eigen naam. Het keizerschap was persoonlijk en niet verbonden met een bepaald gebied. De oorspronkelijke, Latijnse, keizerstitel die door Karel de Grote en Otto I de Grote gevoerd werd was Imperator Augustus. In 982 veranderde Otto II de titel in Romanorum Imperator (keizer van de Romeinen). Het duurde echter tot 1034 voordat het keizerrijk zelf Romanum Imperium (Roomse of Romeinse Rijk, Duits: Römisches Reich) genoemd werd.

thumb|left|300px|Het rijk van de Ottonen, later Heilige Roomse Rijk genoemd, in 972

Door het rijk "Römisch/Romeins/Rooms" te noemen, presenteerden de keizers het rijk nadrukkelijk als voortzetting van het Romeinse Rijk. De rechtvaardiging hiervoor was het concept Translatio imperii dat stelde dat het (West-)Romeinse Rijk niet ten onder was gegaan maar werd voortgezet door de latere keizers. In het middeleeuws christelijk denken was dat zeer belangrijk, omdat volgens mogelijke interpretatie van het Bijbelboek Daniël de eindtijd zou aanbreken na de ondergang van het IJzeren Rijk, wel aangeduid als het Romeinse Rijk. Als opvolgers van de Romeinse keizers maakten de Duitse/Oost-Frankische keizers ook aanspraak op de beschermheerschappij over de hele christelijke wereld en op een voorrangspositie ten opzichte van andere heersers. Zoals de paus een universeel geestelijk gezag had, had de keizer dat op wereldlijk gebied. De geslachten van de Ottonen en daarna de Stauffen hadden een zodanig sterke positie verworven dat zij erfelijk koning en vervolgens keizer werden. Na hun verval werden koningen en keizers in het Duitse Rijk weer naar Germaanse traditie gekozen door de zogenaamde 'rijksstanden', die uit de adel bestond met de titel van vorst, dat wil zeggen vaak hertogen, soms ook graven, en aartsbisschoppen die rechtstreeks uit handen van de koning hun leen had ontvangen. Onder toezegging van dergelijke privileges probeerden de aspirant-koningen stemmen voor hun keizerschap te winnen en dat kon leiden tot strijd en zelfs stakende stemmen, met als gevolg de keuze van een koning én een tegenkoning. Sinds het einde van de 12de eeuw werden alleen nog zogenaamde keurvorsten uit de hoogste adel, waaronder de koningen, gemachtigd deel te nemen aan de verkiezingen van de keizer en werd daarmee ook hun (keizerlijke) leen inzet van hun keuze.

Heilige Rijk In de 11e en 12e eeuw kwamen de keizers steeds vaker in conflict met de paus. Via de keizerskroning, die na de keuze door de Duitse vorsten door de paus werd uitgevoerd, konden de pausen aanspraken maken op de heerschappij over het rijk. Keizer Frederik I Barbarossa begon daarom vanaf 1157 de naam Sacrum Imperium (Heilige Rijk) te gebruiken. (2021): 'Sacrum imperium: Lombard Influence and the ‘Sacralization of the State’ in the Mid-twelfth Century Holy Roman Empire (1125–1167)', in: German History, jrg. 39, nr. 2 (juni 2021), pp. 147–172 (online samenvatting). Hiermee weersprak de keizer het recht van de paus boven het keizerschap en stelde hij dat het direct van God afkomstig was, en juist onafhankelijk van de paus. De keizerskroning door de paus zou dan alleen nog een ceremoniële functie hebben.

De namen Romanum Imperium (Duits: Römisches Reich) en Sacrum Imperium (Duits: Heiliges Reich) werden vanaf dit moment afwisselend gebruikt. In 1254 werden de twee benamingen voor het eerst gecombineerd tot Sacrum Romanum Imperium (Duits: Heiliges Römisches Reich). De gecombineerde naam werd echter pas vanaf het midden van de 14e eeuw regelmatig gebruikt. (2007) Deutsche Geschichte: Das Alte Reich, 962-1806, Marix Verlag, Wiesbaden, blz. 9.

De Duitse natie De laatste grote verandering van de naam was de toevoeging van Nationis Germaniae (van de Duitse Natie, Duits: Deutscher of Teutscher Nation) aan de rijkstitel in de late 15e eeuw. Hiermee werd het rijk gepresenteerd als een uitsluitend Duitse aangelegenheid. Of daarmee ook bedoeld werd dat het rijk voornamelijk nog uit de "Duitse" kerngebieden bestond en dat de Italiaanse gebieden niet meer tot het rijk behoorden, is omstreden. In ieder geval behoorden enkele slechts ten dele Duitstalige, namelijk Tsjechische, Bourgondische, Lotharingse en Sloveense, gebieden er nog wel toe.

De toevoeging "van de Duitse Natie" werd pas laat en nooit consequent gebruikt; 'Heilige Roomse Rijk' bleef de meest gebruikelijke naam. Vanaf het midden van de 16e eeuw verdween ook het woord "Heilig" geleidelijk uit de naam. (2009) The Holy Roman Empire, 1495-1806, Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 104-105. In de laatste verdragen die de keizer sloot, werd het Rijk kortweg Duitse Rijk (Duits: Deutsches Reich) genoemd.

Bloeitijd vanaf de 10e eeuw

Van de oostelijke Franken tot de Ottonen De breedst gedragen consensus is dat het Heilige Roomse Rijk in 962 werd gesticht door keizer Otto I. Een andere gangbare visie is echter dat het Heilige Roomse Rijk al werd geboren in 800, toen Karel de Grote werd gekroond tot eerste (westerse) keizer sinds het afdanken van Romulus Augustulus in 476. Karel noemde zichzelf echter meestal de koning van de Franken. Dit Frankische Rijk omvatte zowel het hedendaagse Frankrijk als Duitsland en Noord-Italië. Karel werd opgevolgd door zijn enig overgebleven zoon, die ook de keizerstitel overnam, Lodewijk de Vrome, zodat het rijk nog verenigd bleef. Toen deze stierf, had hij echter drie zonen die allen naar Frankisch erfrecht aanspraak maakten op een gedeelte van het rijk.

Veel geschiedkundigen zien de stichting van het rijk dan ook als het einde van een proces dat begon bij deze definitieve splitsing van het Frankische rijk bij het Verdrag van Verdun in 843. In eerste instantie werd het rijk in drie stukken verdeeld: een Westelijk, een Midden- en een Oostelijk Rijk. De Karolingische dynastie werd eveneens gesplitst. Het Middenrijk ging naar de oudste zoon Lotharius, die tevens de keizerstitel kreeg. Het Middenrijk werd na Lotharius' dood in 855 verder opgedeeld onder diens drie zonen, maar al snel werden deze versnipperde gebieden verdeeld tussen het sterkere Oost-Frankische en West-Frankische Rijk. Het oostelijke deel werd bezit van Karel III de Dikke, die tevens de keizerstitel overnam. Karloman werd opgevolgd door enkele Karolingers, tot aan de dood van Lodewijk het Kind, die de laatste oostelijke Karolinger was.