De ringslang of gevlekte ringslang (Natrix helvetica) is een waterminnende slang uit de familie toornslangachtigen (Colubridae) en de onderfamilie waterslangen (Natricinae).

De ringslang heeft een groot verspreidingsgebied in het westelijke deel van Europa en is hier een van de meest algemene soorten slangen. De ringslang komt ook voor in België en Nederland, net als de gladde slang en de adder. De ringslang is hier in veel streken het enige reptiel, de slang is ongevaarlijk en niet giftig voor de mens. Het is een schuwe en rustige soort die zelfs bij directe bedreiging maar zelden bijt.

De ringslang kan een lengte bereiken van meer dan een meter en is betrekkelijk eenvoudig te onderscheiden aan de kenmerkende gele ringvlek bij de kop.

De soort is sterk aan water gebonden vanwege de aquatische levenswijze; de slang wordt zelden ver uit de buurt van een waterbron aangetroffen. Op het menu staan voornamelijk kikkers die langs de oevers van verschillende wateren buitgemaakt worden. Belangrijke vijanden zijn roofvogels en rovende zoogdieren.

Naam en indeling De ringslang is een van de bekendste vertegenwoordigers van de familie waterslangen (Natricidae). Deze familie werd vroeger beschouwd als een onderfamilie van de toornslangachtigen (Colubridae), maar wordt tegenwoordig als een aparte familie beschouwd.

De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Lacépède in 1789. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Coluber helveticus gebruikt.

De soort werd lange tijd als een ondersoort van de oostelijke ringslang (Natrix natrix) gezien. In veel literatuur wordt daardoor nog de verouderde wetenschappelijke naam gebruikt (Natrix natrix helvetica).

In een onderzoek uit 2013 werden zestien verschillende genetische varianten van de oostelijke ringslang geïdentificeerd. In 2017 publiceerden een groep van biologen een onderzoek met de naam Hybridization patterns in two contact zones of grass snakes reveal a new Central European snake species. Hierin werd beschreven dat op basis van genetische kenmerken de ondersoort Natrix natrix helvetica als een aparte soort zou moeten worden beschouwd. De nieuwe soort werd aangeduid als Natrix helvetica (lineage E), wat te vertalen is als 'verwantschapsgroep E'. In de loop der jaren werden deze nieuwe inzichten steeds breder gedragen en inmiddels wordt de nieuwe indeling als standaard beschouwd.

Ondersoorten Bij de afsplitsing van Natrix natrix verhuisden de ondersoorten cetti, corsa, lanzai en sicula mee, en werden ondersoorten van Natrix helvetica. In 2020 werd Natrix helvetica lanzai gesynonimiseerd (gelijk gesteld aan) met de ondersoort Natrix helvetica sicula. Hiermee omvat de ringslang tegenwoordig vier ondersoorten die onderstaand zijn weergegeven, met de auteur en het verspreidingsgebied. Naam Auteur Verspreidingsgebied Natrix helvetica cetti Gené, 1839 Italië (Sardinië) Natrix helvetica corsa Hecht, 1930 Frankrijk (Corsica) Natrix helvetica helvetica Lacépède, 1789 Verenigd Koninkrijk (Engeland), Nederland, Luxemburg, België, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Liechtenstein Natrix helvetica sicula Cuvier, 1829 Italië (inclusief Sicilië), Oostenrijk, westelijk Duitsland

Uiterlijke kenmerken thumb|right|Belangrijkste kenmerken van de ringslang De ringslang kan een totale lichaamslengte bereiken van ongeveer 1 tot 2 meter, afhankelijk van het geslacht, de ondersoort en zelfs de geografische locatie. Mannetjes blijven een derde kleiner dan vrouwtjes. Het mannetje wordt 80 tot 100 centimeter lang, het vrouwtje 90 tot 140 centimeter. Incidenteel worden ook wel grotere exemplaren waargenomen die tot meer dan twee meter lang kunnen worden. In Nederland worden vrouwtjes in de regel 100 tot 120 cm lang en de mannetjes worden tot 90 cm lang. Het langste exemplaar ooit gemeten in Nederland was een vrouwtje uit de Bijlmermeer dat 131 cm lang was en een omtrek had van zestien cm. Het lichaamsgewicht van pasgeboren juvenielen is slechts enkele grammen tot ongeveer twintig tot honderd gram bij volwassen mannetjes. Vrouwtjes worden tussen de zeventig en 350 gram zwaar en zwangere exemplaren kunnen tot 450 gram wegen.

De ringslang heeft een slanke lichaamsbouw en bezit een relatief lange staart, dit is aan de bovenzijde niet te zien maar aan de onderzijde is de overgang van een enkele rij buikschubben naar meerdere schubbenrijen van de staart, onderbroken door de cloaca, duidelijk zichtbaar. De vervellingshuiden kunnen worden herkend door de aanwezigheid van kieltjes op de buikschubben, de relatieve lengte van de staart en het patroon van de kopschubben. Vervellingshuiden van de ringslang zijn altijd ongeveer 8 tot 10 procent langer dan de slang omdat ze als een sok worden afgestroopt en ze hierbij wat uitrekken.

De ringslang dankt zijn naam aan de gele vlekken aan weerszijden van de hals, net achter de kop, die aan de bovenzijde soms samenvloeien en doen denken aan een ring. Meestal is deze echter zowel aan de bovenzijde van de hals als aan de buikzijde onderbroken en de gele kleur kan ook neigen naar oranje of wit. Daarachter (naar de staart toe) is een variabele zwarte vlek aanwezig, die varieert van een band tot een driehoek. Op de zijkanten van de kop zijn aan de onderzijde vaak gele vlekken tot strepen aanwezig. De ogen zijn relatief groot en hebben een ronde pupil, wat samenhangt met de dagactieve levenswijze. (2007)

De basiskleur van de ringslang is licht- tot donkerbruin tot lichtgroen of grijs, op de flanken zijn vaak enkele donkere tot zwarte stipjes gelegen. Deze stipjes kunnen aan de flanken samensmelten tot een strepentekening. De slang is daarnaast herkenbaar is aan de staande zwarte rechthoekjes langs de flanken.

Mannetjes zijn van vrouwtjes te onderscheiden door een meestal contrastrijkere tekening en kunnen ook herkend worden aan de dikkere staartwortel wat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de hemipenis. Bij juveniele dieren is dit echter niet te zien. Ook hebben mannetjes een relatief langere staart dan vrouwtjes. Dit is zien aan het aantal subcaudale schubben, dat bij mannetjes gemiddeld hoger is. Er is echter enige overlap en bovendien missen veel exemplaren als gevolg van natuurlijk verval een deel van hun staart zodat het aantal subcaudale schubben niet meer vastgesteld kan worden.

Afwijkende variaties of vormen zijn ook bekend in de literatuur. Soms komen geheel zwarte exemplaren voor, deze worden melanisch genoemd. Dit is een aanpassing op het leven in berggebieden, door de lagere temperaturen is een zwarte kleur voordelig omdat zo meer warmtestraling wordt opgenomen. Ook zijn zeer licht gekleurde exemplaren bekend, evenals albino's die geen enkele vorm van pigment bezitten. Daarnaast zijn er meerdere malen tweekoppige exemplaren beschreven

Onderscheid met andere soorten thumb|right|220px|Jonge esculaapslangen hebben eveneens gele markeringen achter de kop. De ringslang is in Nederland en België met maar drie soorten te verwarren; de adder (Vipera berus), de gladde slang (Coronella austriaca) en de hazelworm (Anguis fragilis). De ringslang is gemakkelijk van de gladde slang te onderscheiden doordat deze laatste soort gladde dorsale schubben heeft, in tegenstelling tot de ringslang. De schubben van de rug zijn gekield; ze hebben een opstaande kiel in het midden. Van de adder is de ringslang het makkelijkst te onderscheiden aan het zigzagpatroon dat vaak voorkomt bij de adder maar niet bij de ringslang. Ook de ogen van de adder wijken duidelijk af; ze zijn oranjerood tot rood van kleur en hebben een verticale pupil. De ringslang heeft een meer gele oogkleur en een duidelijk ronde pupil. Ook de hazelworm heeft een slangachtig uiterlijk, maar is in werkelijkheid een pootloze hagedis. De hazelworm is altijd bruin tot bruingrijs van kleur en heeft een typisch hagedisachtige kop zonder insnoering tussen kop en lichaam.

Er worden ook veel mengvormen met de oostelijke ringslang (Natrix natrix) aangetroffen. Deze soort komt voor in noordelijk Europa en leeft in onder andere Denemarken, Duitsland, Noorwegen en Zweden. Het lichaam van de oostelijke ringslang heeft een onregelmatiger vlekkenpatroon langs de flanken.Op de buik is een onregelmatig patroon van zwarte en witte gedeeltes te zien, dat gebruikt kan worden voor de individuele herkenning. De zwarte vlekken vormen een soort dambordpatroon, onder de achterzijde van de buikzijde is vaak meer zwart te zien in vergelijking met de voorzijde. De ringslang is meestal eenvoudig van de andere Natrix- soorten te onderscheiden aan de vlekken in de nek. De adderringslang (Natrix maura) en de dobbelsteenslang (Natrix tessellata) blijven gemiddeld kleiner en hebben meestal een bruine grondkleur met grote vlekken aan de bovenzijde die vaak een duidelijke dambordtekening vormen.

Van andere Europese gladde slangen is de ringslang in de regel goed te onderscheiden aan de vlekken in de hals. Alleen van jonge esculaapslangen (Elaphe longissima) is bekend dat ze ook gele markeringen in de hals kunnen hebben. Deze verdwijnen bij oudere exemplaren, zie ook onder het kopje afbeeldingen onderaan. De meeste adders (Viperidae) blijven veel kleiner en hebben een relatief plompe lichaamsbouw.

Verspreiding en habitat thumb|left|Verspreidingsgebied in het rood Het verspreidingsgebied van de ringslang beslaat delen van westelijk Europa. Dit omvat de landen als Nederland, Luxemburg, België, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Liechtenstein. De soort wordt ook aangetroffen in Groot-Brittannië, wat door de geografische isolatie voor reptielen moeilijk te bereiken is. In Ierland ontbreekt de soort. Hier komt geen enkele slang voor; volgens de legende zouden alle slangen uit Ierland zijn verdreven door de heilige Sint Patrick. De werkelijkheid ligt iets anders; de zee tussen Groot-Brittannië en het vasteland van Europa stond ongeveer 6500 jaar geleden droog zodat verschillende reptielen de oversteek konden maken. De zee tussen Ierland en Groot-Brittannië was in die tijd echter niet drooggevallen en vormde een onoverbrugbare barrière.

De slang kan zowel worden aangetroffen in laaglanden als uitgesproken berggebieden tot een hoogte van 3000 meter boven zeeniveau. – The Reptile Database

In Nederland en België De ringslang is zowel in Nederland als in België een van de drie inheemse soorten slangen, naast de giftige gewone adder (Vipera berus) en de niet-giftige gladde slang (Coronella austriaca). Van deze drie is de ringslang de meest voorkomende soort en is bovendien veruit de langste slang in Nederland.

thumb|Een ringslang die net uit de winterslaap komt, exemplaar van de Veluwe. In de Nederlandse provincies Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland zijn adders zeldzaam en kan men ervan uitgaan dat ontmoetingen met slangen tot de ongevaarlijke ringslang beperkt blijven, of in Noord-Brabant de eveneens ongevaarlijke gladde slang. In 2006 zijn wel uitgezette aspisadders aangetroffen in Poortugaal (Zuid-Holland). Het is in het belang van het welzijn van de dieren wettelijk verboden slangen te vangen of te verstoren. De ringslang laat zich alleen zien om te zonnen en als het dier daarbij te veel verstoord wordt, verlaat het het gebied.

Habitat thumb|Een ringslang in moerasheide. Ringslangen zijn sterk waterminnende reptielen, over het algemeen zijn verhoogde terreinen bij water, bijvoorbeeld dijken en spoorbanen met struwelen, een geschikte habitat. Voor hun voedsel zijn ringslangen afhankelijk van amfibieën, vooral kikkers, waardoor ze vaak rond vijvers en vennen, rivieren en veenmoerassen worden aangetroffen, zowel langs stilstaand als langzaam stromende wateren. Exemplaren die in het zuiden van het verspreidingsgebied voorkomen of in berggebieden leven, waar waterbronnen schaars zijn, blijven vaak dicht bij het oppervlaktewater.