De Joodsche Raad voor Amsterdam was een op initiatief van de Duitse bezetter in februari 1941 in het leven geroepen Joodse organisatie die de Joodse gemeenschap in Amsterdam moest besturen. Deze raad kreeg na een half jaar de bevoegdheid over geheel Nederland. Via de Joodse Raad gaf de bezetter bevelen aan de Joodse gemeenschap en haar leiders, zodat de instantie tot een doorgeefluik van de anti-Joodse maatregelen werd. In september 1943 werd de leiding van de Joodse Raad naar het doorgangskamp Westerbork afgevoerd en hield de raad dus de facto op te bestaan.

Joodse Coördinatie Commissie De Joodse Coördinatie CommissieNiet te verwarren met de naoorlogse Joodse Coördinatie Commissies. kan als voorloper van de Joodse Raad worden beschouwd, met dit verschil dat de Commissie uit vrije wil en zonder enige bemoeienis van de Duitse bezetter is opgericht, terwijl de Joodse Raad juist werd opgericht in opdracht van de Duitsers. Bovendien bepleitte de Commissie de belangen van de Joden bij de Nederlandse autoriteiten en niet bij de Duitse bezetter. Een van de beide voorzitters van de Joodse Raad, David Cohen, maakte ook deel uit van het bestuur van de Commissie.

Voorzitter was Lodewijk Ernst Visser, voormalig president van de Hoge Raad der Nederlanden (door de Duitse bezetter op 21 november 1940 van de waarneming van zijn functie ontheven en later ontslagen, zoals alle Joodse ambtenaren). De bedoeling was dat dit orgaan de overkoepeling van het Joodse leven in Nederland zou worden, toen dit leven onder de Duitse bezetting een ongewisse toekomst tegemoet ging. De leiding der Commissie vermeed consequent elk contact met de Duitse bezetter en stelde zich op het standpunt dat de Nederlandse Joden aangewezen waren op de bescherming van de Nederlandse overheid.

De Commissie heeft maar kort gefunctioneerd. Ruim een maand na de totstandkoming van de Commissie werd de Joodse Raad opgericht in opdracht van de bezetter. De twee instanties hebben negen maanden naast elkaar bestaan, waarbij de Commissie landelijk opereerde en de Raad eerst alleen in Amsterdam. Op 27 oktober 1941Het Koninkrijk, dr L. de Jong, Staatsuitgeverij, 1971 dl. 5-2, p. 549 bepaalde de bezetter echter dat de Commissie haar werkzaamheden moest staken. De Joodse Raad werd een landelijke instantie. Hierbij was er een duidelijke tegenstelling tussen Visser, die vond dat de Joodse Raad veel te gedwee was ten opzichte van de bezetter, en Cohen, die het niet nodig vond dat naast de Joodse Raad ook nog de Commissie bleef bestaan.

Ontstaan Razzia in de Jodenbuurt

Vanaf de winter van 1940/'41 vielen leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling van de NSB, kortweg de WA, Joden lastig in de Amsterdamse Jodenbuurt. De bewoners van deze overwegend arme buurt verzetten zich en vormden knokploegen. Ze werden in hun verzet gesteund door andere - niet-Joodse - Amsterdammers, vooral bewoners van de Jordaan en de Eilanden. Op 9 februari 1941 drongen WA-mannen, bijgestaan door Duitse militairen, op het Thorbeckeplein het café-cabaret ‘Alcazar’ binnen omdat daar nog Joodse artiesten optraden. Dit leidde tot een vechtpartij waarbij 23 mensen gewond raakten. In de vroege dinsdagavond 11 februari vond er op het Waterlooplein weer een botsing plaats tussen veertig WA-mannen en een groep, voornamelijk jonge Joden. Men ging elkaar met koppelriemen, stukken ketting, stenen en ijzeren staven te lijf. Ook werden flessen bleekwater naar de WA geworpen. Onder de gewonden was de WA-man Hendrik Koot, die drie dagen later overleed aan zijn verwondingen.

Eis tot oprichting Naar aanleiding van de gebeurtenissen op 9 en 11 februari 1941 liet Hans Böhmcker, Beauftragte van Amsterdam, op 12 februari om zes uur in de ochtend de Jodenbuurt volledig afsluiten door de Ordnungspolizei. In de middag van dezelfde dag ontbood Böhmcker een aantal joodse geestelijken en eiste de oprichting van een Joodse Raad die alle Amsterdamse Joden moest vertegenwoordigen.De oprichting van de Joodsche Raad en de Februaristaking, pagina 81 Böhmcker ontbood de toenmalige voorzitter van de Kerkeraad der Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge (NIHS) Abraham Asscher, de opperrabbijn van de NIHS Lodewijk Hartog Sarlouis en de Portugees-Israëlitische rabbijn David Francès. De bijeenkomst werd ook bijgewoond door de waarnemend gemeentesecretaris J.F. Franken en van Duitse zijde de Kriminalkommissar SS-Hauptsturmführer Karl Ditges.

Na kort overleg met Sarlouis en Francès zei Asscher toe dat hij samen met prof. David Cohen de Raad zou samenstellen. Böhmcker deelde Asscher mee dat de Joodse Raad verantwoordelijk zou zijn voor rust en orde in de Jodenbuurt en de Joden in Amsterdam tot inlevering van hun wapens moest oproepen. Deed de Raad dit niet, dan zou Böhmcker een politionele huiszoeking in de Jodenbuurt bevelen met bestraffing van onbevoegde wapenbezitters. De vervolging van Joden werd voor de nazi's vergemakkelijkt indien de Joden via de Joodse Raad hun wapens zouden inleveren. Het vermoeden bestaat dat Asscher de plannen van de Duitsers in aanvang niet heeft doorzien. Asscher verklaarde later dat hij Böhmcker een correcte man vond.

De oprichting van de Joodse Raad was op 13 februari een voldongen feit. Naast Asscher trad David Cohen als medevoorzitter aan. Ook Sarlouis zou deel gaan uitmaken van de Raad. Rabbijn Francès had geen interesse in deelname. Asscher en Cohen verklaarden later niet geaarzeld te hebben om het voorzitterschap te aanvaarden en ze waren niet de enigen die niet aarzelden: de door Asscher en Cohen benaderde Joden dachten via de Joodse Raad invloed uit te kunnen oefenen en vermoedden toen nog niet dat de Joodse Raad slechts een instrument van de nazi's zou zijn. De enige die principieel weigerde was prof. Herman Frijda, die dacht dat de Joodse Raad nooit meer zou zijn dan een werktuig van de bezetter. De leden van de Joodse Raad waren allemaal Joodse notabelen. Asscher wilde dat ook de Joodse arbeiders vertegenwoordigd werden en vroeg Ies Voet, voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, om deel te nemen aan de Raad. Na aarzeling deed Voet mee, maar al snel trad hij weer af wegens 'gezondheidsredenen'. Hiermee waren de arbeiders al snel uit de Joodse Raad verdwenen. Ook de vertegenwoordiger van de Jodenbuurt, de slager A. Quiros, trad spoedig af. De Jodenbuurt richtte een eigen vertegenwoordiging op waarmee de Joodse Raad geregeld contact zou onderhouden.

Samenstelling thumb|150px|right|Abraham Asscher thumb|150px|right|David Cohen Op donderdag 13 februari 1941 vond ten huize van Abraham Asscher de constituerende vergadering plaats. Onmiddellijk daarna zonden beide voorzitters Beauftragter Hans Böhmcker de lijst met namen van personen die het bestuur vormden van de Joodse Raad (voornamelijk notabelen): Abraham Asscher (1880-1950), voorzitter David Cohen (1882-1967), voorzitter Jacob Arons (1882-1943 (Auschwitz)), arts Nochem de Beneditty (1883-1944 (Auschwitz)), rechter, op last van de Duitse bezetter ontslagen uit zijn functie Arnold van den Bergh (1886-1950), notaris Albert Barend Gomperts (1883-1963), advocaat Isidore de Haan (1884-1943 (Sobibór)), fabrikant Abraham de Hoop (1895-1943 (Auschwitz)), directeur bioscoopbond Marinus Kan (1891-1945 (Bergen-Belsen)), advocaat en voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond. Mr. Kan vormde met mr. Kisch de twee leden van de Joodse Raad die later om principiële redenen het lidmaatschap neerlegden. Izaak Kisch (1905-1980), rechtsgeleerde, op last van de Duitse bezetter ontslagen uit zijn functie van universitair docent Abraham Krouwer, (1883-1965) accountant Siegfried van Lier (1877-1976), op last van de Duitse bezetter ontslagen uit zijn functie van gemeentesecretaris Amsterdam Abraham Jacob Mendes da Costa (1870-1943 (Amsterdam)) Juda Lion Palache (1886-1944 (Auschwitz)), op last van de Duitse bezetter ontslagen uit zijn hoogleraarsfunctie en voorzitter van het Portugees-Israëlitische Kerkgenootschap Max Prins (1884-1944 (Bergen-Belsen)), jurist, op last van de Duitse bezetter ontslagen als hoofd arbeidszaken gemeente Amsterdam Lodewijk Hartog Sarlouis (1886-1944 (Auschwitz)), opperrabbijn van de Nederlandsch-Israëlitische Hoofdsynagoge David Sluijs (1871-1943 (Sobibór)), secretaris der Joodse gemeente Abraham Soep (1892-1953) Herman Isodore (Ies) Voet (1878-1943 (Sobibor)), op last van de Duitse bezetter uit zijn functie van voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond gezet. Voet trad na één week af. Isidoor Henry Joseph Vos (1887-1943 (na een beroerte)), Tweede Kamerlid en voormalig wethouder van Amsterdam namens de Liberale Staatspartij In de loop der tijd zou de samenstelling van de raad af en toe gewijzigd worden, maar in grote lijnen bleef de samenstelling ongewijzigd.

Er bestaat een verslag van de eerste vergadering van de Joodse Raad op 13 februari 1941 gehouden in de fabriek van Asscher. Uit dit verslag blijkt dat naam noch taak van de Joodse Raad duidelijk was. De aanwezigen wilden zich 'Commissie van Vertegenwoordiging voor de Amsterdamse joden' noemen en dachten dat ze vooral een uitvoerende en overbrengende taak zouden hebben. Ze wilden geen verantwoordelijkheid dragen voor de opdrachten die ze over moesten brengen en meenden dat ze oneervolle opdrachten gericht aan Joden konden weigeren.

Het eerste bevel: wapens inleveren In de Beurs voor de Diamanthandel op het Weesperplein kwamen 's middags 13 februari 1941 ongeveer 5.000 bewoners van de Jodenbuurt samen in twee vergaderingen om te luisteren naar een redevoering van Asscher. De meeste leden van de nieuwe Joodse Raad waren aanwezig, vergezeld door leden van de Sicherheitspolizei. Asscher vertelde tijdens zijn rede dat de Joden alle vuur-, slag- of steekwapenen of enig ander wapen direct moesten inleveren op het politiebureau aan het Jonas Daniël Meijerplein. Er werden nauwelijks wapens ingeleverd. Of er vrijwel geen wapens aanwezig waren of dat de bewoners besloten geen gehoor te geven aan de oproep, is niet bekend. De Joodse inwoners verklaarden later wel dat Asscher met zijn oproep de verzetswil van de Joden brak en de solidariteit tussen Joden en niet-Joden afbreuk deed. Bij dat laatste moet ook bedacht worden dat er nog steeds een legitieme Nederlandse regering in ballingschap bestond, geleid door Wilhelmina, die opriep vooral niet te doen wat Asscher deed: samenwerken met de bezetter. Toch was Böhmcker niet tevreden met de respons op het gegeven bevel en berichtte Asscher op 17 februari 'Das bisherige Ergebnis der Ablieferung entspricht nicht den tatsächlichen Verhältnissen’. Asscher antwoordde op 19 februari dat de Joodse Raad nog eens in de Jodenhoek het Duitse bevel had doorgegeven, het ultimatum werd verlengd tot 21 februari, maar ook dit leverde niets op.

Het Joodsche Weekblad