thumb|Een bladzijde uit het manuscript van het Oera Linda-Boek

Oera Linda, ook wel Oera Linda-boek of Ura Linda Chronik genoemd, is een manuscript in pseudorunenschrift dat in 1867 door Cornelis over de Linden naar buiten is gebracht. Het document werd lange tijd beschouwd als een vervalsing; tegenwoordig gaat men eerder uit van een mystificatie, zonder een kwade intentie van bedrog.Het Oera Linda-boek, bezorgd door Goffe Jensma (2006), p.20,21) De literaire vorm is die van geschiedsvervalsing, hier echter als onderdeel van een parodie, waardoor het lijkt alsof de vervalsers slecht werk hebben geleverd.

In pseudowetenschappelijke kringen wordt het boek soms voor echt gehouden. Dat gebeurde al bij de uitgave uit 1872. De suggestie van ongeloofwaardigheid was zo sterk dat het bijna onmogelijk was om aan een bewuste vervalsing te denken. Dat bracht de bekende schrijver Multatuli tot de verzuchting:

... bovendien, er komen ook passages in voor die te kinderachtig zyn om van te spreken. Maar juist hierin ligt 'n nieuwe waarschuwingh tegen snel oordelen en hoovaardig verwerpen. Want meent men dat de toch altyd zeer bekwame vervalscher niet op de hoogte was om intezien dat die zwakke zotte passages hem diskrediteeren zouden? Geen schooljongen zelfs zou van Neef Theunis hebben durven spreken. Ik zeg dat het Oera Linda Bok 'n ernstige behandeling verdient.Het Oera Linda boek, Jensma, p.26

De uitgave van Goffe Jensma uit 2006, die rekening houdt met de context waarbinnen het manuscript is ontstaan, geldt als maatgevend. Oudere uitgaven hielden de mogelijkheid open dat de tekst een historische kern zou bevatten. Het boek is opgenomen in de Canon van Friesland.

Samenvatting In het Oera Linda-boek worden tal van Europese namen tot hun Friese origine teruggevoerd en pochen de schrijvers dat de Friese cultuur eigenlijk de bron is van de West-Europese beschaving. Het Fryas (Fries) is 'godstaal' (ooit was er 'één taal op aller tongen en op aller lippen').Het Oera Linda-boek, Jensma, p.387-395, Ben je zo begerig dat je de Aarde alleen wilt erven, dan hoor je nimmer meer een andere taal over je lippen te laten komen dan goddelijk goede taal en dan hoor je te zorgen dat je eigen taal vrij van uitheemse klanken blijft., p.393 Ioniërs, Germanen, Kelten en Britten zouden allemaal van de Friezen afstammen, de kinderen van Freya, de oermoeder van de blanke mensen. Op de Aziaten, het 'gele volk van oermoeder Finda', zijn de schrijvers weinig gesteld. Het is een volk vol bijgeloof en afgoden. De 'magi', opperpriester en koning van de 'Magyaren' en zijn valse priesters, worden voortdurend genoemd als tegenstanders van de vrije Friezen. De Slaven danken hun naam aan slavernij. Het valse christendom kwam ook uit het oosten, terwijl Jezus, voor het gemak gelijkgesteld aan Boeddha zijn ware 'zeden en gewoonten' van een 'Friese Stuur' had.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.345 Het 'zwarte volk van oermoeder Lyda' (Afrika is 'Lydië') blijft vrijwel onbesproken.

Verhaal Het boek is een 'raamvertelling' en bestaat uit een proloog en negen boeken: van I. de helpers van Adela, II. Adelborst over de Linden, III. Apollonia over de Linden, IV. Frederik over de Linden, V. Wiljo over de Linden, VI. Koenraad over de Linden, VII. Beden over de Linden, IX. Anonymus i, X. Anonymus ii. Adela (ca. 559 v. Chr.) had met Apol vier kinderen: Adelborst, Apollonia, Apol en Adelhart. Frederik leefde ca. 300 v. Chr. en maakte de 'Erge Tijd' (waarschijnlijk den 'neolitischen zondvloed'Het Oera Linda-boek, Jensma, p.303) mee. Wiljo was haar man en Koenraad en Hagana hun zonen. Beden, de zoon van Hagana en Cornelia (de dochter van Friso), was Koenraads neef.

Het boek vertelt over een vierduizend jaar oude Friese beschaving en een verzonken continent Atlan (Atlantis). Aldlan (oud land) zou in 2193 v. Chr. zijn verzonken. Deze datering lijkt te zijn ontleend aan de Friesche Volksalmanak voor het jaar 1851, waar wordt gesteld dat dit het 4044e jaar 'sedert den Zondvloed' betrof. Er waren overigens volgens dezelfde bron pas 5800 jaar verstreken sinds de 'Wereldschepping, naar onze Tijdrekening'.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.18

Het eerste deel betreft een scheppings dat begint met 'Wralda' (wereld, Alvader), de Tijd en Aarde. Na het twaalfde 'jolfeest' (het jol is hier het 'wiel van de tijd') baarde Aarde drie 'manbegeerten: drie 'oer-moeders' van wie alle mensen afstammen. Zwarte Lyda, gele Finda en witte Frya baarden elk twaalf zonen en twaalf dochters. Het betreft de Afrikanen, Aziaten en Europeanen. De zwarte, 'hartstochtelijke, scherpe, geweldige, wondervolle, arme' Lyda wil van wetten niets weten en handelt naar instinct, voor gele, 'verleidelijke, onredelijke, valse, zelfzuchtige, dubbelhartige, ongelukkige' Finda geldt de uiterlijke wet als het hoogst en alleen 'schone, bevallige, geweldige, reine, verlichte, milde, gelukkigste, wijze, uitverkoren' Frya heeft haar geweten als 'wet' en richtsnoer.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.31,83-91 Ze zouden de 'godsdienstige ontwikkeling van de mensheid' onderscheidden in 'drie fases: instinct, uiterlijke wet en innerlijke stem van het geweten.' Van Finda stammen de 'Magyaren' (Hongaren) en 'Finnen', maar ook de 'Golen' (Galliërs) en Phoeniciërs spelen een rol, die tegenover de 'Fryas' worden gesteld, het vrije volk der Friezen, kinderen van Frya. Het komt zelfs tot een conflict tussen de hoogste priester-koning 'Magi' en 'Wodin' (Wodan). Verder worden Wodins neven 'Inka' (vandaar de Inca's) en 'Neef Theunis' (Neptunus) ten tonele gevoerd, als wel 'Nyhellenia' (Nehalennia, Minerva), dochter van Wralda, 'Minno' (Minos), de 'Zeekampriërs' (Sugambren), 'Kelta' (vandaar de Kelten), 'Jon' (vandaar de Ioniërs), 'Zeekrops' (Cecrops, van een Friese moeder), 'Ulyssus' (Odysseus kwam naar 'Walhallagara', Walcheren) en 'Gertje' (vandaar de Germanen).

De voorgeschiedenis van Friso de 'Conditor Frisae' wordt in het Oera Linda-boek beschreven. Friso was een nakomeling van Gertje, de dochter van 'Grote Pier'.Interpretatie van 'GERT.PIRE.HIS TOGHATER' in Het Oera Linda-boek, Jensma, p.215 Zij trok in 1551 v. Chr. met haar 'Gertmannen' van 'Athenja' (Athene) naar de Punjab (India) en stichtte er een Friese kolonie. Toen Alexander de Grote tijdens zijn veroveringstocht in India kwam (327 v. Chr.) ontmoette hij er de nazaten onder leiding van Friso. Friso keerde ten slotte in 303 v. Chr. naar Stavoren terug, werd graaf en gaf zijn naam aan Friesland. Met zijn eerste vrouw (volgens de fantastische geschiedschrijving was haar naam Hil(la)Het Oera Linda-boek, Jensma, p.363: 'Volgens de fantastische geschiedschrijving was Friso getrouwd met Hil of Hilla, dochter van Agathocles, de koning van Thracië.') had hij twee kinderen. Ze werden verkracht door Demetrius.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.325, waarop de moeder waanzinnig werd en de twee kinderen zelfmoord pleegden. Friso's tweede vrouw was Swethirte (Sweetheart). Adel en Witto (Vitho) waren hun zonen, Weemoed (Vimoda) en Cornelia (Kornhelja) hun dochters. Weemoed trouwde met Kavch (Kâp), zoon van Wichhirte, de koning van de Gertmannen. Kavch werd de stamvader van de Cauchen.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.363 Na graaf Friso kwamen er drie koningen met de naam Adel. De vierde was Zwarte Adel of Askar (Azinga Ascon).Het Oera Linda-boek, Jensma, p.407

Achtergrond Rassenleer Arthur de Gobineau (1816-1882) had in 1853-1855 zijn Essai sur l'inégalité des races humaines (verhandeling over de ongelijkheid van de menselijke rassen) geschreven, wat invloed had op de 'ariosofie', de leer over superieure en inferieure rassen, die het nationaalsocialisme zou omarmen. Gobineau beschreef hetzelfde onderscheid tussen blanke, zwarte en gele rassen.

Oorsprongsmythen Overal in Europa en ook in de Friese landen, circuleerden in de middeleeuwen oorsprongsmythen, die bijbelse, klassieke en inheemse geschiedenis met elkaar verbonden. Het Oera Linda-boek staat in die traditie van de 'apocriefe of fantastische geschiedschrijving' om er vervolgens de draak mee te steken. De auteur 'maakt er bewust karikaturale fictie van.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.23,25 De opdracht 'Okke mijn zoon' lijkt te verwijzen naar Ocko Scharlensis, de vermeende auteur van de fantasierijke Croniicke ende warachtige beschrijvinghe van Vrieslant uit 1597. Volgens dit boek was Friso, die vanuit India in Staveren aankwam, in het jaar 313 de mythische stichter en naamgever van Friesland. De vertelstructuur met opgevoerde fictieve vertellers vertoont, aldus Jensma, opvallende overeenkomsten met het Oera-Linda-boek.

Het Oera Linda-boek beschrijft de voorgeschiedenis van Friso, die ook in 1741 door Willem van Haren in zijn invloedrijke epos Friso, koning der Gangariden en Prasiaten als 'luitenant van Alexander de Grote' wordt vermeld. Al in 1617 had Martinus Hamconius het portret van Friso opgenomen in zijn Verthoninge der Coninghen, Bisschoppen, Princen, Potestaten, Heeren ende Graven van Vrieslant.

In 1806 schreef Karel Jozef de Graeve République des Champs Élysées, volgens Jensma 'een voorloper van het Oera Linda-boek', waarin Homerus werd voorgesteld als een Belgisch schrijver uit Saint-Omer. Volgens De Grave had de geschiedenis van de Ilias en Odyssee zich in Nederland en België afgespeeld. Ulysses gaf zijn naam aan Vlissingen, tovenares Circe haar naam aan Zierikzee.Het Oera Linda-boek, Jensma, p.221,223

Verzonken land De Duitsgezinde publicist Knut Jungbohn Clement uit Amrum schetste in zijn Lebens- und Leidensgeschichte der Frisen uit 1845 voor het eerst een beeld van een verzonken Atlantis midden in de Noordzee, dat het oorspronkelijke thuisland van de Friezen zou zijn. De Friese kuststreken zouden de restanten vormen van een oorspronkelijke Frisenmarsch ten zuiden van de Doggersbank, waarvan het grootste deel tijdens de legendarische Cimbrische Watervloed in de tweede eeuw voor Christus door de zee verzwolgen zou zijn. De Friese taal was een kostbaar overblijfsel uit de oertijd, de politieke vrijheidszin der Friezen kon alle Duitsers tot voorbeeld dienen. Clement bezocht datzelfde jaar Holland, Friesland en Groningen, zijn boek raakte hier – samen met zijn Duitse vertaling van Eeltje Halbertsma's Lapekoer – al snel bekend. Juli 1850 werd hij vanwege zijn publicaties benoemd tot erelid van het Selskip foar Fryske Tael en Skriftekennisse.Groninger Courant, 27 augustus 1850. Clement greep terug op een oude sage uit Sleeswijk-Holstein waarin beweerd werd, dat grote delen van de Noord-Friese kuststrook bij een stormvloed waren verdronken. Bij die gelegenheid zou ook het Kanaal zijn ontstaan. Montanus de Haan Hettema publiceerde hierover in de Friesche Volks-Almanak van 1849.

De Cimbrische Vloed speelde tevens een rol in het werk van de Leidse hoogleraar Johannes Matthias Schrant (1783-1866). Deze publiceerde in 1850 het boek De Kimbren en hunne lotgevallen, waarin hij een indringend beeld schetst van deze vloed, waarbij zijns inziens grote delen van de Noord- en Oostzeekust verdronken. HaverSchmidt volgde enkele jaren later colleges bij hem.David J. Bos, Servants of the Kingdom: Professionalization Among Ministers of the Nineteenth-Century Netherlands Reformed Church, Leiden/Boston 2010, p. 217. De mythe van de Cimbrische Vloed kende hij toen al: een komisch stukje dat hij in 1850 schreef – hij was toen vijftien jaar oud – begint met "de groote Cimbrische vloed waarbij Engeland van het vaste land werd gescheiden".François HaverSchmidt, Winteravondvertellingen, Amsterdam 1994, p. 11. Hij liet zich hierbij naar eigen zeggen inspireren door het werk van Van Haren. De tekst kan volgens Jensma als het prototype voor het Oera Linda-boek gelden.

Modernisme