Nederlanders (Nederlander, het Nederlandse volk) zijn de inwoners van Nederland. Zij zijn een Europees volk gaan vormen tussen 1579 en 1795, toen de Nederlandse staat ontstond. Het begrip Nederlanders kent meerdere definities. Sommige hiervan staan los van elkaar, andere zijn verwant of deels overlappend. Hieronder worden deze verschillende begrippen gedefinieerd.
Nederlandse nationaliteit De Rijkswet op het Nederlanderschap regelt wie Nederlander is. Gelijkwaardige termen zijn Nederlands staatsburger, Nederlands onderdaan (maar zie ook onder), en iemand met de Nederlandse nationaliteit.
In de meeste andere landen (bijvoorbeeld België of Spanje) wordt het woord nationaliteit, of een vertaling van dat woord, meer gebruikt voor een begrip dat dichter bij etniciteit ligt. In Nederland wordt het staatsburgerschap in de regel verkregen door geboorte. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is een beperkte toepassing van jus sanguinis: iemand is Nederlander, als op het moment van geboorte een van de ouders Nederlander is. Daarnaast kan het staatsburgerschap ook door naturalisatie worden verkregen. Men kan het Nederlands staatsburgerschap verliezen wanneer men vrijwillig het staatsburgerschap van een ander land aanneemt. Dienst nemen in een vreemde krijgsmacht kan eveneens tot verlies van de Nederlandse nationaliteit leiden, indien daarbij tevens krijgshandelingen tegen het Nederlandse belang zijn gericht. Dat men bij een veroordeling tot een gevangenisstraf het staatsburgerschap zou kunnen verliezen was een misverstand, dat berustte op verwarring met de straf van ontzetting uit het kiesrecht, waartoe men wél veroordeeld kan worden. Door veranderde wetgeving kan in het geval van zware misdrijven (of zelfs bij verdenking daarvan) het staatsburgerschap wel worden ontnomen; dit geldt in de praktijk voor Nederlanders die bij de strijd in Irak/Syrië aan de kant van Islamitische Staat meevechten.
Onderdaanschap Nederlanders zijn tevens Nederlands onderdaan. Het omgekeerde geldt tegenwoordig ook, maar in het verleden waren er Nederlandse onderdanen die geen Nederlander waren.
In voormalig Nederlands-Indië gold dit voor inlanders. Dit was geregeld in de Wet op het Nederlands onderdaanschap (Wet van 10 februari 1910, Stb. nr. 55). In 1927 werd deze ook van toepassing op Suriname en Curaçao en Onderhorigheden. Vanaf 1949 was deze niet meer van toepassing op het zelfstandig geworden Indonesië, maar nog wel op Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de invoering van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954 waren er alleen nog onderdanen-niet-Nederlanders in Nederlands-Nieuw-Guinea. Na de overdracht aan Indonesië in 1962/'63 was er geen apart begrip "onderdaan" meer.
Na de politionele acties en de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 kreeg Nederland te maken met een grote groep Molukkers die staatloos waren. Doordat zij in het KNIL gediend hadden aan de zijde van de Nederlanders, konden zij niet in Indonesië blijven. In Nederland echter wilden zij de Nederlandse nationaliteit niet aannemen, omdat zij wilden vasthouden aan een terugkeer naar de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken. In 1976 werd door middel van een speciale wet (Wet betreffende de positie van Molukkers) geregeld dat de Molukkers recht hadden op een Nederlands paspoort, maar zij hun staatloosheid niet hoefden op te geven.
Het begrip onderdaan wordt nog wel gebruikt in internationaal verband, bijvoorbeeld in de term gemeenschapsonderdaan.
Nederlandse volk Met volk kan, afhankelijk van context, zowel naar de Nederlandse natie (dat wil zeggen de gehele bevolking van Nederland) of mensen met de Nederlandse etniciteit verwijzen. Hoewel het woord in de omgangstaal vrij vaak voorkomt wordt de term in het wetenschappelijk veld doorgaans gemeden vanwege de onduidelijke en vaak vage betekenis.
Nederlandse natie Het begrip natie is abstract, en werd geïntroduceerd tijdens het tijdperk van het Romantisch nationalisme aan het eind van de 18e eeuw. Een natie kan bestaan uit vrijwel één enkele etniciteit, Japan en IJsland zijn moderne voorbeelden, of meerdere, waarbij gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de Volksrepubliek China of de Verenigde Staten. Vaak is het zo dat één ethnos cultureel (vaak inclusief taal) dominant is.Aanvulling: In het geval van China zijn dit respectievelijk de Han. Ook in Nederland bestaat de natie uit meerdere etniciteiten, waarbij de Nederlandse het meest dominant is. Voor een persoon behorende tot de dominante etniciteit binnen een natie zijn de scheidslijnen tussen zijn of haar natie en etniciteit vaak moeilijk te onderscheiden, wat voor begripsverwarring kan zorgen. In tegenstelling tot etniciteit, legt het begrip natie meer de nadruk bij een land of staat. Een Fries bijvoorbeeld, voelt zich doorgaans een volwaardig lid van het Nederlandse volk (natie), maar kan zich tegelijkertijd ook tot het Friese volk (etniciteit) rekenen.
Autochtone Nederlanders Soms wordt met de term Nederlander gedoeld op een autochtone inwoner van Nederland, dus een persoon die in Nederland geboren is. Dit gebruik van het woord komt zowel onder allochtone als autochtone Nederlanders voor. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze betekenis eigenlijk meer verwantschap heeft met het begrip (Nederlandse) etniciteit en deze term wordt dan ook in de omgangstaal ook wel gebruikt in zin van mensen behorende tot de Nederlandse etniciteit, hoewel dit niet geheel correct is. De termen autochtoon en allochtoon zijn politiek van aard; en een autochtoon is niet per se een etnisch Nederlander, en omgekeerd.
Nederlandse etniciteit De Nederlandse etniciteit is in de loop der eeuwen voortgekomen uit het opbouwen van een gezamenlijke cultuur op ruwweg het huidige grondgebied van de Nederlandse staat. Doorgaans worden mensen met de Nederlandse etniciteit simpelweg Nederlanders genoemd. Dat kan verwarring scheppen met de term in de zin van 'Nederlands staatsburgers'.
Nederlanders (in etnische zin) zijn onderling verbonden door een vermeende gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, taal en afstamming, al moet worden opgemerkt dat gemeenschappelijk hierin geen synoniem is van identiek. Etniciteit is niet aan de Nederlandse landgrenzen gebonden. Problematisch is in dit verband de vraag of de Nederlandse etniciteit zich ook uitstrekt tot de Nederlandstalige inwoners van het huidige België dat sinds 1831 een apart land vormt maar waar wel het Nederlands een van de standaardtalen is.
Geschiedenis Vorming Nederlandse etniciteit Prehistorie
thumb|De drie grootste patronen (PCA) van de genetische variatie (SNP) in Nederland (grijs: Randstad) bij een onderzoek onder ca. 4000 inwoners.A. Abdellaoui e.a. (2013). Population structure, migration, and diversifying selection in the Netherlands. European Journal of Human Genetics. Al in de Oude Steentijd is Nederland door mensen bevolkt geraakt. De oudste mensen waarvan op Nederlands grondgebied vondsten zijn gedaan, waren de Neanderthalers. Het is omstreden in hoeverre de huidige bevolking hiervan nog afstamt. Nog in dit Paleolithicum kwam 35.000 jaar geleden de moderne mens West-Europa binnen, vermoedelijk als kleine groepen jager-verzamelaars. Zo'n zevenduizend jaar geleden, in de Nieuwe Steentijd, drong de landbouw in onze streken door, wellicht vanuit Klein-Azië. Het is een wetenschappelijk twistpunt of dit slechts gebeurde door cultuuroverdracht, of dat in het Neolithicum de Klein-Aziatische boeren zelf meekwamen. Meestal wordt aangenomen dat beide verschijnselen zich voordeden. Vooral aan de kusten van Noordzee en Oostzee zouden de jager-verzamelaars zich hebben weten te handhaven. Dat blijkt namelijk door genetisch onderzoek naar haplogroepen. In oktober 2008 is bijvoorbeeld een onderzoek onder diverse groepen scholieren naar de genetische oorsprong van de huidige Nederlanders gedaan: "Het Genoom van Nederland". Daaruit bleek dat ongeveer driekwart een noordelijke groep vertegenwoordigde en een kwart een zuidelijke groep.Het Genoom van Nederland.pdf Dat geeft een mogelijke indicatie voor het aandeel van de jager-verzamelaars en de immigrerende boeren in het voorouderschap van de huidige populatie Nederlanders. Nog steeds bestaan er genetische verschillen tussen de populaties ten noorden en ten zuiden van de grote rivieren, maar die kunnen ook veroorzaakt zijn door een relatief recente isolatie door godsdienstige tegenstellingen tussen katholieken en protestanten.
Oudheid en vroege middeleeuwen De vorming van de Nederlandse etniciteit, zoals bij alle etniciteiten, was er een van geleidelijke ontwikkeling. Vaak laat men dit proces aan het einde van de Grote Volksverhuizing beginnen, als het West-Romeinse Rijk is opgehouden te bestaan. De Lage Landen worden dan bewoond door drie Germaanse volken, de Friezen in het westen en noorden, Franken in het zuiden en de Saksen in het oosten. De Franken ontwikkelen zich tot het dominantste volk. In het zuiden dat tot het Romeinse Rijk behoorde vermengen zij zich met de eerdere bewoners: de geromaniseerde Kelten en Romeinen. Meestal waren die laatsten veteranen uit het Romeinse leger, afkomstig uit het hele Romeinse Rijk, die na hun diensttijd hier bleven wonen. In de loop van de 8e eeuw werden de Friezen en Saksen in een reeks oorlogen door de Franken onderworpen en behoorde heel het grondgebied van de Lage Landen tot het Frankische Rijk. left|thumb|De Frankische kolonisatie Ten tijde van de volksverhuizing en de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk vormen de Friezen, Franken en Saksen, die zelf ook bestonden uit een verzameling van vele stammen, geen duidelijk onderscheidbare cultuur ten opzichte van elkaar. De eerste ontwikkeling die nu nog kan worden nagegaan was die van de taal. Tijdens de volksverhuizingen trok een veelvoud van stammen door Europa, waarbij verschillende (sub)stammen zich constant bij andere aansloten of hiervan afsplitsten. Voor de Germaanse oertaal hield dit in dat de hoge mate van wederzijdse verstaanbaarheid tussen de verschillende dialecten in stand bleef. Dit begon te veranderen toen de Germaanse stammen in de Lage Landen hun seminomadische bestaan opgaven en zich permanent gingen vestigen. De interactie, en daarmee de vermenging van cultuur en taal, tussen de Germaanse stammen werd minder. Onder hun dialecten kunnen we de voorlopers aanwijzen van de veel latere standaardtalen. Die oude dialectgroepen duidt men daarom aan als Oudfries, Oudengels, Oudsaksisch, Oudhoogduits — hoewel in de vroege middeleeuwen zelf op het continent nog geen Germaanse standaardtalen bestonden. Onder de Salische Franken ontstaat de dialectgroep van het Oudnederfrankisch, en de westelijke dialecten daarvan noemt men wel het Oudnederlands omdat ze een belangrijke bijdrage zouden leveren aan de ontwikkeling van de Nederlandse standaardtaal. thumb|De Nederfrankische dialecten (licht roze) vorm(d)en de meest westelijke zone van de West-Germaanse dialecten