Mr. Cornelis Theodorus Elout (Haarlem, 22 maart 1767 – 's-Gravenhage, 3 mei 1841) was een Nederlands politicus.
Elout was een vooraanstaande staatsman uit een Haarlemse regentenfamilie en minister in de Bataafs-Franse tijd en onder Willem I. Hij werd onder Lodewijk Napoleon belast met de opstelling van het Wetboek van Strafrecht. Hij maakte in 1814 en 1815 deel uit van de Grondwetscommissie. Daarna was hij Commissaris-Generaal in Nederlands-Indië en vervolgens minister van Financiën en van Marine en Koloniën. Elout nam ontslag nadat het cultuurstelsel werd ingevoerd. Hij was de vader van Cornelis Pieter Jacob en Pieter Jacob Elout van Soeterwoude.
Andries van den Berg schilderde ca. 1883 een portret van Cornelis Theodorus Elout voor de portrettengalerij van de gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië in paleis Rijswijk in Jakarta. Het werd in 1950 opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam.
Loopbaan Jurist Elout studeerde in 1788 in Leiden af in de rechten en werd daarna advocaat in Amsterdam. In 1791 werd hij voorgedragen als secretaris van de eerste advocaat van de VOC Sebastiaan Nederburgh en de marineofficier Simon Frijkenius, die als commissarissen-generaal in Batavia de administratie moesten gaan hervormen van die in grote financiële problemen verkerende handelsonderneming. Tot zijn spijt ging dat echter niet door. In augustus 1794 trouwde hij in Haarlem met de één jaar jongere Henriëtta Josina van Eybergen, geboren in die stad. Hij ging daarna naar Texel en werd daar in maart 1795 baljuw, dijkgraaf en opperstrandvoogd. Een jaar later werd hij ook raadslid in het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland. In mei 1799 werd hij lid van het departementaal gerechtshof in Texel, en in maart 1802 procureur-generaal bij het nationaal gerechtshof. Hij had zich tot dan toe afzijdig gehouden van de politiek in deze roerige tijd. De federatieve Republiek der Verenigde Nederlanden was door de patriotten met steun uit het revolutionaire Frankrijk opgeheven en de Bataafse Republiek was uitgeroepen, een eenheidsstaat op basis van de soevereiniteit van het ‘Bataafse volk’. De VOC ging in 1795 failliet en werd inclusief de schulden overgenomen door de staat.
In 1804 werd Elout samen met Christiaan Antonij Ver HuellChristiaan Antonij Ver Huell (1760-1832) was een oudere broer van Carel Hendrik Ver Huell. Hij vocht in de Slag bij de Doggersbank en werd op zijn 23e kapitein-ter-zee. Hij nam deel aan de Militaire Commissie naar Oost-Indië om de verdediging van de VOC-handelsposten te inspecteren werd daarna adjudant van luitenant-admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen. Na de Bataafse Revolutie had hij een bestuurlijke loopbaan. en Jan Willem Janssens door de Aziatische Raad (opvolger van de Heren XVII) voorgesteld als beoogd gouverneur-generaal van Nederlands-Indië als opvolger van Johannes Siberg, maar ook dat ging niet door. Met Boudewijn Donker Curtius schreef hij voor het Staatsbewind eene Inleiding over het recht in het algemeen, het lijfstraffelijk wetboek en wetten omtrent het bewijs, om naast de staatseenheid ook een begin te maken met een rechtseenheid. Het stuk ging naar het Hoog Nationaal Gerechtshof voor advies.
Een onderbroken reis naar Indië miniatuur|Raadpensionaris der Bataafsche Republiek Rutger Jan Schimmelpenninck. Eind 1804 verving Napoleon het bewind van de Bataafse Republiek door een raadspensionaris: Rutger Jan Schimmelpenninck. Deze kende Elout uit zijn tijd als advocaat in Amsterdam en vroeg hem als minister van Binnenlandse Zaken, maar Elout sloeg dat af. Een andere benoeming accepteerde hij wel: Schimmelpenninck had het door de commissie van Nederburgh en Frijkenius opgestelde Charter voor Indië vervangen door een nieuw reglement voor het bestuur en de rechtspraak in de Aziatische bezittingen, en benoemde op 11 november 1805 twee commissarissen-generaal om het nieuwe bestuur vorm te geven. De ene was Elout en de andere was de diplomaat Charles van Grasveld,Charles Henri van Grasveld (1761-1830) was oorspronkelijk arts maar vervulde in de Bataafse Republiek bestuurs- en diplomatieke functies. In 1823 werd hij voorzitter van het Amortisatiesyndicaat tot aan de opheffing daarvan in 1840. een neef van Schimmelpenninck. Van Grasveld zou gouverneur-generaal worden als vervanger van Albert Wiese. Schimmelpenninck wilde afstappen van het oude VOC-handelssysteem, waarbij landbouwproducten voor de internationale markt werden verkregen via de feodale herendiensten die Javaanse boeren verschuldigd waren aan de inheemse aristocratie. Van Grasveld en Elout kregen daarom de instructie mee om te onderzoeken of het mogelijk was de herendiensten af te schaffen en de vrije landbouw (vaak vrije arbeid genoemd) en vrije handel in te voeren.
Op 23 mei 1806 vertrokken ze naar Batavia. Oorspronkelijk zouden ze met het fregat van de marine Euridice gaan, maar uit vrees voor de Britse oorlogsvloot reisden ze in plaats daarvan als passagier op verschillende Amerikaanse koopvaarders via New York. Ook de nieuwe opperequipagemeester Hendrik de Kock, de latere gouverneur-generaal, reisde mee. Ze waren tot New York gevorderd toen ze in november werden teruggeroepen. Napoleon had de Bataafse Republiek vervangen door het Koninkrijk Holland en Schimmelpenninck door koning Lodewijk Napoleon. Deze stelde in plaats van Van Grasveld Herman Willem Daendels aan als gouverneur-generaal. Hij achtte deze geschikter om orde op zaken te stellen in Indië. Elout en Van Grasveld kregen als schadeloosstelling voor hun terugroeping een 'pensioen' van 6000 gulden per jaar als 'oud-benoemde' functionarissen.Elout deed in 1817 afstand van dit pensioen. De Kock reisde alleen verder naar Batavia.
In de Grondwetscommisie miniatuur|Koning Willem I met de Grondwet van 1815. In oktober 1807 in Nederland teruggekomen werkte Elout in een door koning Lodewijk ingestelde commissie met ook de president van het Hoog Nationaal Gerechtshof Jan Everhard Reuvens en de Utrechtse rechter Petrus van Musschenbroek op basis van zijn eerder met Donker Curtius geschreven Inleiding aan een ‘crimineel wetboek’, in feite het eerste Nederlandse wetboek van strafrecht, dat met ingang van 31 januari 1809 van kracht werd. Het zou in 1810 vervangen worden door de Napoleontische Code pénal, maar kwam in 1814 weer grotendeels in gebruik. Ook werd hij lid van de Staatsraad, die koning Lodewijk adviseerde over wetsvoorstellen en andere bestuurlijke zaken. Na het besluit van Napoleon om het Koninkrijk Holland in te lijven bij Frankrijk werd Elout lid van de Parijse ‘Conseil pour les affaires de la Hollande’, om aan Napoleon en zijn ministers inlichtingen te verschaffen ten aanzien van de annexatie. Hij trok zich daarna terug uit de politiek en werd weer advocaat, nu in Den Haag.miniatuur|Het Koningrijk der Nederlanden in 1816. In Den Haag raakte hij bekend met de Oranjegezinde Gijsbert Karel van Hogendorp, een lid van het zogeheten Driemanschap van 1813. Na de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Leipzig en het vertrek van de Franse troepen uit Nederland nam dit driemanschap in het ontstane vacuüm de macht in handen in afwachting van de komst van prins Willem Frederik uit Engeland, die eind november in Scheveningen aankwam. Van Hogendorp vroeg Elout toen om deel te nemen aan de grondwetscommissies die onder zijn leiding de grondwet van 1814 en 1815 opstelden. Op 6 april 1814 werd Elout ook lid van de Raad van State.
De grondwet van 1814 werd in een paar maanden geschreven op basis van een al klaarliggende schets van Van Hogendorp: Schets van eene Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden. De wet veranderde de republiek in een constitutionele monarchie met een gecentraliseerd gezag dat vooral in handen lag van een soevereine vorst. De volksvertegenwoordiging van één Kamer kreeg de oude Republikeinse naam van Staten-Generaal, maar de vorst had die bij zijn besluiten in de meeste gevallen niet nodig. Deze grondwet werd in 1815 nog aangepast na de vereniging met de Belgen in het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In de grondwetscommissies was Elout een van de vooruitstrevendste en liberale leden, met veel aandacht voor de vrijheid van meningsuiting, openbaarheid van bestuur, een kleine overheid, alle ruimte voor particulier initiatief en afschaffing van monopolies in Oost-Indië. Van Hogendorp schreef over hem: ‘Onder de noordelijke heeren munt de heer Elout naar gewoonte uit door zijne werkzaamheid; hij redigeert de geheele grondwet’.
Commissaris-Generaal voor Nederlands-Indië miniatuur|300x300px|Batavia en Java. Kaart uit 1815. Op advies van Van Hogendorp benoemde Willem Frederik Elout op 22 september 1814 als een van de drie commissarissen-generaal die het door de Britten bezette Indië van hen moesten overnemen, zoals in het Verdrag van Londen was bepaald. De internationale coalitie van de Zesde Coalitieoorlog wilde een sterke bufferstaat ten noorden van Frankrijk, waartoe de noordelijke en zuidelijke Nederlanden verenigd werden en ook de meeste door de Britten bezette koloniën werden teruggegeven. De twee andere zogeheten C.C.G.G. waren de marineofficier Arnold Adriaan Buyskes en Godert van der Capellen, die, als het nieuwe koloniale bestuur was ingeregeld, gouverneur-generaal zou worden. Elout werd beschouwd als de primus inter pares. Alle drie waren van liberale signatuur.
Vanwege de terugkeer van Napoleon uit Elba in het voorjaar van 1815 werd hun vertrek uitgesteld. De ten behoeve van Indië verzamelde troepenmacht, de Indische Brigade, werd eerst ingezet bij de Slag bij Waterloo. In deze veldslag werden de Fransen definitief verslagen. Op 29 oktober vertrokken de commissarissen-generaal alsnog met een eskader van 7 schepen onder bevel van schout-bij-nacht Buyskes. De schepen vervoerden een legermacht van 2700 militairen, waaronder de Indische Brigade onder Carl Antingh, die terzijde werd gestaan door Hendrik de Kock, inmiddels generaal-majoor. Van hem werd verwacht in Indië het contact met de commissarissen-generaal te onderhouden, gezien het moeilijke karakter van Antingh. Het eskader leek meer dan het was, want de scheepsbouw had in Nederland in de jaren van oorlog en Franse bezetting zoals vrijwel het gehele economische leven grotendeels stilgelegen. Het land was zijn koopvaardij- en vissersvloot, en zijn concurrentiepositie in de wereldhandel kwijtgeraakt. De marine voer met oude en versleten oorlogsschepen. Het eskader kwam dus met veel moeite en verspreid in Batavia aan. Elout en Buyskes op de Evertsen in mei 1816 en Van der Capellen op de Amsterdam een maand later. In september volgde nog het schip Nassau met 81 Indische ambtenaren, vergezeld door 32 vrouwen en 100 kinderen. Met Elout mee kwam ook zijn oudste zoon Cornelis Pieter Jacob Elout. Hij had enkele jaren rechten gestudeerd in Leiden maar was toen militair geworden en had inmiddels de rang van kapitein bereikt. Hij zou zich in Indië naast zijn militaire activiteiten in Cheribon en Sumatra (waar hij in de Padri-oorlog de Militaire Willems-Orde verwierf) ook bekwamen in het Maleis en het Javaans en in 1820 het toen opgerichte Departement voor Inlandse Zaken gaan leiden. Ook aan boord van de Evertsen was de botanicus Caspar Reinwardt, die directeur Landbouw, Kunsten en Wetenschappen zou worden en ‘s Lands Plantentuin in Buitenzorg zou aanleggen, ‘geschikt ter aankweking van gewassen en tot het doen van landbouwkundige proeven’.
Een nieuw koloniaal bestuur miniatuur|300x300px|Javaans landschap bij Batoe Toelis in Buitenzorg.