Degenkrabben (Limulidae) zijn een familie van geleedpotige dieren uit de orde van de zwaardstaarten (Xiphosura). Ze vormen een groep van primitieve ongewervelden die ondanks hun naam nauwer verwant zijn aan de spinnen dan aan de kreeftachtigen.

Degenkrabben hebben een kenmerkende lichaamsbouw; het lichaam is rond en plat en draagt een opvallende lange stekel aan de achterzijde. Aan deze beweeglijke stekel heeft het dier zijn Nederlandstalige naam te danken. Het lichaam bestaat uit een kopborststuk dat beschermd wordt door een chitineuze plaat en een verhard achterlijf. Het voor- en achterlijf zijn met elkaar verbonden door een scharnier, zodat het lichaam enigszins ingeklapt kan worden.De bruine tot bruingrijze bovenzijde is bol en glad en heeft geen opvallende uitsteeksels. Aan de onderzijde echter zijn vooraan zes paar gelede, schaardragende poten aanwezig evenals zes paar tot kieuwen omgevormde rudimentaire poten aan de achterzijde. De maximale lichaamslengte bedraagt ongeveer zestig centimeter, inclusief staartstekel. De mannetjes blijven aanzienlijk kleiner dan de vrouwtjes.

Degenkrabben zijn uitgesproken zeebewoners, en hoewel ze zich op het land zeer onhandig voortbewegen, wordt hun manier van zwemmen als zeer elegant omschreven. Tijdens het lopen op het strand worden de drie paar looppoten gebruikt om het lichaam van de bodem te tillen. Het laatste potenpaar draagt vergrote lamellen en wordt gebruikt als een soort skistokken om het lichaam vooruit te duwen.

De dieren worden gezien als levende fossielen; ze lijken sterk op hun voorouders die in het laat-Paleozoïcum leefden. Soorten uit het geslacht Palaeolimulus zijn bekend uit het Carboon tot het Perm, en leefden meer dan 250 miljoen jaar geleden. Deze lang uitgestorven vormen lijken echter al sterk op de moderne vertegenwoordigers.

Degenkrabben hebben vijf massa-extincties overleefd, maar veel van de moderne soorten staan ernstig onder druk door verschillende menselijke activiteiten. Over het overgrote deel van de uitgestorven degenkrabben is weinig tot vrijwel niets bekend. Dit artikel gaat daarom uitsluitend over de moderne soorten, tenzij anders vermeld.

Naamgeving en indeling thumb|Verschillende gifkaakdragers, van linksboven met de klok mee: zeespin, zeeschorpioen, spin, degenkrab. De wetenschappelijke naam van de groep, Limulidae, werd voor het eerst voorgesteld door William Elford Leach in 1819. De naam is afgeleid van de geslachtsnaam Limulus, die afkomstig is uit het Latijn en vrij vertaald 'een beetje scheef' betekent.

De wetenschappelijke naam van de klasse Merostomata betekent vrij vertaald 'dijbeenmondigen' en is afgeleid van de Griekse woorden μηρός (meros, dij(been)) en στόμα (stoma, mond). Deze naam slaat op de manier waarop het voedsel wordt verkleind, namelijk door het met de dijen te vermorzelen. De naam van de orde Xiphosura is afgeleid van het Griekse woord xiphos en betekent 'zwaard'.

In de literatuur worden verschillende Nederlandstalige namen gebruikt voor de familie Limulidae, zoals zwaardstaartigen, zwaardstaarten of pijlstaartkreeften. Ook de diverse soorten degenkrabben staan bekend onder soms verwarrende namen die verwijzen naar kreeftachtigen. De Indonesische soort Tachypleus gigas bijvoorbeeld wordt wel molukkenkreeft genoemd. De Atlantische degenkrab wordt soms aangeduid met pijlstaartkreeft of koningskrab. Met deze laatste naam wordt veelal de soort Paralithodes camtschaticus aangeduid, die wél tot de krabben behoort.

Ook in andere talen worden vaak namen gebruikt die aan kreeftachtigen refereren, zoals de Engelse benamingen 'horseshoe crab' en 'kingcrab'. In de Duitse taal worden de namen 'Pfeilschwanzkrebse', 'Hufeisenkrebse' en 'Königskrabben' gebruikt. Degenkrabben vertonen wel enige uiterlijke gelijkenissen met kreeftachtigen, zoals de vele poten die meestal scharen dragen. Ook het sterk vergrote en verharde pantser doet eerder denken aan een kreeftachtige dan aan een spinachtige.

Indeling Degenkrabben behoren tot de stam van de geleedpotige dieren (Arthropoda). Verder behoren zij tot de onderstam van de gifkaakdragers (Chelicerata), waartoe ook alle spinachtigen worden gerekend. De gifkaakdragers onderscheiden zich van de andere geleedpotigen doordat het voorste potenpaar niet is omgevormd tot antennes. Ze zijn veranderd in kleine tangachtige structuren die dienen om prooien vast te houden terwijl ze worden opgenomen door de monddelen. Deze pootachtige monddelen worden de chelicera genoemd en hieraan is de wetenschappelijke naam Chelicerata te danken. De moderne soorten maar ook het overgrote deel van de uitgestorven leden van de familie Limulidae lijken allemaal sterk op de vroegste vertegenwoordigers van de spinachtigen.

Degenkrabben behoren tot de klasse Merostomata, dit is een kleine groep van in het water levende spinachtigen. De meeste andere spinachtigen zijn tegenwoordig op het land te vinden. Degenkrabben zijn naast de zeespinnen de enige moderne gifkaakdragers die de zee nooit hebben verlaten. Er zijn weliswaar enkele spinnen die onder water kunnen leven evenals in het water levende watermijten, maar deze zijn ontstaan uit landbewoners die zijn teruggekeerd naar het (zoete) water.

Sommige wetenschappers vermoeden dat de degenkrabben geheel buiten de groep van spinachtigen moeten worden geplaatst. Volgens nieuwere inzichten moeten de degenkrabben in een recentelijk omschreven groep worden gezet; de Planaterga. Merostomata wordt in deze indeling gezien als een synoniem van Xiphosura. De zwaarddragers worden in deze indeling niet als een monophyletische groep gezien.Er zijn echter ook biologen die de dieren sterk verwant achten aan de ricinuleïden (Ricinulei) die juist wel als spinachtigen worden gezien.

Evolutie thumb|Mesolimulus walchi met bodemafdrukken, van deze soort uit de Jura zijn veel fossielen bekend. De vroegste vertegenwoordigers van de degenkrabben leken enigszins op zeeschorpioenen (orde Eurypterida), die al sinds het Cambrium bekend zijn. Deze dieren leken enigszins op degenkrabben, zoals de uitgestorven Eurypterus die meer dan twee meter lang kon worden. Zeeschorpioenen hadden eveneens een lange 'staart' (telson) maar waren te onderscheiden door de aangepaste zwempoten.

De oudst bekende leden van de Xiphosurida, in feite de voorouders van de degenkrabben, ontstonden in het Paleozoïcum, ongeveer 540 tot 250 miljoen jaar geleden. Ze kwamen samen met de trilobieten voor, die aan het einde van het Perm uitstierven. Naast de trilobieten verdween 95 procent van alle zeedieren. Gedurende het Mesozoïcum ontstonden de voorlopers van de huidige vormen van de degenkrabben, waarschijnlijk in de Europese zeeën. Aan het einde van het Mesozoïcum vond een massa-extinctie plaats waarbij niet alleen de dinosauriërs uitstierven, maar ook grofweg de helft van alle ongewervelden die in zee leefden. Degenkrabben hebben waarschijnlijk kunnen overleven door op plaatsen te verblijven waar in al die tijd niet veel is veranderd, zogenaamde refugia.

De eerste degenkrabben die de karakteristieke afgeplatte kieuwpoten bezaten werden tot de onderorde Synziphosurina gerekend. Ze ontstonden vanaf het boven-Siluur tot het Devoon. Deze soorten hadden nog geen samengestelde ogen en ze waren met een lichaamslengte tot vijf centimeter veel kleiner dan de moderne soorten. Bekende geslachten uit deze periode behoorden tot de geslachten Bunodes en Pseudoniscus. Bij de meer recente soorten werd het aantal lichaamssegmenten geleidelijk aan kleiner en de segmenten werden minder beweeglijk. Met name het aantal achterlijfssegmenten werd kleiner en de verschillende delen vergroeiden uiteindelijk met elkaar. Voorbeelden van dergelijke vertegenwoordigers zijn Euproops uit het Carboon en Palaeolimulus die bekend is uit het Carboon tot het Perm.

In het onder-Devoon ontstond de onderorde Limulina, waartoe de moderne vertegenwoordigers behoren. De enige andere onderorde van de zwaardstaarten, Bellinurina, is al lange tijd uitgestorven. De recentelijk (2008) ontdekte soort Lunataspis aurora, die uitstierf in het Ordovicium, is nog niet bij een van deze twee groepen geplaatst. De leden van de uitgestorven orde Aglaspidida werden eveneens lange tijd tot de gifkaakragers gerekend, maar bleken later meer verwant aan de trilobieten.

De moderne soorten Er zijn nog vier soorten: drie in Zuidoost-Azië en een in Noord-Amerika. De soorten zijn in de onderstaande tabel weergegeven, met hun naam, lichaamsbreedte, verspreidingsgebied en beschermingsstatus. AfbeeldingNaamCarapaxbreedte vrouwtjeVerspreidingBeschermingsstatus Geslacht Carcinoscorpius 150pxCarcinoscorpius rotundicauda(Latreille, 1802)13,4 centimeterIndia, Indonesië, Maleisië, Filipijnen, Singapore, Thailand150px Geslacht Limulus 150pxAtlantische degenkrabLimulus polyphemus(Linnaeus, 1758)21,4 centimeterMexico, Verenigde Staten150px Geslacht Tachypleus 150pxMolukkenkreeft(Tachypleus gigas)(Müller, 1785)21,0 centimeterIndia, Indonesië, Maleisië, Filipijnen, Singapore, Thailand150px 150pxTachypleus tridentatus(Leach, 1819)27,8 centimeterBrunei, China, Hongkong, Indonesië, Japan, Maleisië, Filipijnen, Taiwan, China, Vietnam150px

Uiterlijke kenmerken thumb|300px|Dorsale lichaamsdelen van een degenkrab. Klik voor vergroting. Degenkrabben zijn door hun grootte en kenmerkende lichaamsbouw in één oogopslag van alle andere geleedpotigen te onderscheiden. De verschillende soorten zijn alleen al te herkennen aan hun lichaamsgrootte. Wat betreft lichaamsbouw lijken ze enigszins op de kopschildkreeftjes uit de orde Notostraca. Deze laatsten blijven met een lichaamslengte tot ongeveer tien centimeter echter aanzienlijk kleiner. De Atlantische degenkrab is een van de langste soorten en kan een totale lichaamslengte bereiken van ongeveer zestig centimeter.

Het lichaam bestaat uit twee delen die de tagmata worden genoemd. Het voorste deel is het grootst en staat bekend als het kopborststuk maar ook benamingen als cephalothorax of prosoma worden wel gebruikt. Het kleinere achterste deel wordt het achterlijf genoemd, maar staat ook wel bekend als opisthosoma of abdomen.

Zowel het kopborststuk als het achterlijf worden aan de bovenzijde beschermd door brede, stevige schilden die bestaan uit chitine en niet verkalkt zijn. De schilden vormen samen een bijna cirkelvormig geheel en door de lange, 'steel'-achtige staartstekel lijkt de lichaamsvorm enigszins op een koekenpan. Tussen het kopborststuk en het achterlijf is een scharnier aanwezig, en ook de staartstekel is beweeglijk ten opzichte van het achterlijf. Door de platte, afgeronde lichaamsvorm biedt het lichaam minder weerstand tegen de golven in de zee. Ook kan het dier zich door het schoffelachtige lijf makkelijker ingraven in het zand.

Kopborststuk De lichaamsgrootte wordt bij degenkrabben uitgedrukt in de breedte van het prosoma op het breedte deel. Vrouwtjes van Tachypleus tridentatus worden het grootst en bereiken een prosomabreedte van gemiddeld 27,8 centimeter. Bij de Atlantische degenkrab is dit 21,4 cm en bij de molukkenkreeft 21 cm. Carcinoscorpius rotundicauda blijft met gemiddeld 13,4 cm het kleinst van de moderne soorten.Er is echter een grote overlap binnen de verschillende soorten en bovendien blijven de mannetjes ongeveer een vijfde kleiner. Een vrouwtje van de Atlantische degenkrab bijvoorbeeld kan een prosomabreedte bereiken van 24,3 tot 35,1 centimeter terwijl dit bij een mannetje varieert tussen 13,7 en 21,3 cm.

Het kopborststuk wordt aan de bovenzijde beschermd door een stevig, plat en enigszins hoefijzervormig pantser; het carapax. Het carapax of rugschild is convex en heeft een bruine tot grijze of olijfgroene kleur. De bovenzijde van het pantser heeft een bolle vorm en de buikzijde is juist hol. Met name bij de mannetjes heeft de buikzijde een meer holle vorm om de paring met een vrouwtje te vergemakkelijken.

Poten thumb|300px|Duwpoot (A) en looppoot (B) met vaste delen (zwart) en specialisaties (rood).