Een godsdienstoorlog is een oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen of gelegitimeerd door godsdienstige argumenten. In enge zin slaat de term godsdienstoorlogen op een aantal conflicten die in Europa plaatsvonden tussen katholieken en protestanten van 1522 tot 1648. In ruimere zin refereren ze aan elk religieus conflict.Encarta-encyclopedie Winkler Prins s.v. "godsdienstoorlogen".

Over de definitie van "godsdienstoorlog" is veel debat. Vaak zijn er ook andere factoren, vooral politieke, in het spel, of loopt de historisch gegroeide grens tussen verschillende etnische groepen nu eenmaal gelijk met de grens tussen verschillende religies.

De termen "heilige oorlog" of "jihad" worden ook wel gehanteerd om een oorlog om religieuze redenen te beginnen.

Definities De Duitse historicus Konrad Repgen (1987) wees erop dat de strijdende partijen in een conflict meerdere intenties kunnen hebben om een oorlog te voeren en ook achterliggende motieven kunnen hebben gehad die historici inmiddels niet meer kunnen achterhalen. Derhalve dient men ervoor te waken dat een conflict een 'godsdienstoorlog' (of 'successieoorlog') noemt louter op grond van het motief dat een strijdende partij wellicht heeft gehad, omdat het daarmee niet per se een godsdienstoorlog wordt. Hoewel sommige achterliggende motieven misschien wel nooit kenbaar zullen zijn, leveren oorlogsverklaringen wel bewijsmateriaal voor hoe de strijdende partij de oorlog in het openbaar legitimeerde. Repgen concludeerde daarom:

De Amerikaanse historicus Philip Benedict (2006) beargumenteerde dat Repgens definitie van 'godsdienstoorlog' te nauw was, want soms kunnen zowel legitimering als motivering worden vastgesteld. Nederlands historicus David Onnekink (2013) voegde toe dat een 'godsdienstoorlog' niet per se hetzelfde is als een 'heilige oorlog' (bellum sacrum): 'Per slot van rekening is het volkomen acceptabel om te suggereren dat een wereldlijke vorst, zeg, een lutherse vorst in het Duitsland van de Reformatie, religieuze oorlogsvoering bedrijft met behulp van huurlingenlegers.' Hoewel een heilige oorlog moet worden afgekondigd door een religieuze leider en worden uitgevochten door vrome soldaten, is dat niet het geval met een godsdienstoorlog, redeneerde hij. Zo formuleerde hij zijn definitie van 'godsdienstoorlog' (war of religion) als volgt:

Aard van godsdienstoorlogen Over de aard van godsdienstoorlogen is veel debat geweest. Aan de ene kant kan men stellen dat de term godsdienstoorlogen de lading niet dekt: de meeste militaire conflicten worden namelijk uitgevochten met economische of machtspolitieke motivatie. Anderzijds is er de laatste jaren een zekere kentering te bestuderen. Met name cultuurhistorici wijzen op het belang van de religieuze context waarin een aantal conflicten zijn uitgevochten. Voor de Franse godsdienstoorlogen werd het debat hierover aangezwengeld door een artikel van Natalie Zemon Davis, die sprak van 'rites of violence'.Natalie Davis, ‘The Rites of Violence: Religious Riot in Sixteenth-century France’, Past and Present, no. 59 (1973), 51-91 Volgens de New Cultural Historians is religie niet zozeer een stelsel dogma's, maar een bindende sociale factor die culturele identiteit verschaft. Geen 'body of beliefs' maar een 'body of believers'. Mack Holt constateert een historiografische tendens om 'de godsdienst weer in de godsdienstoorlogen terug te brengen'.Mack P. Holt, ‘Putting Religion Back into the Wars of Religion’, French Historical Studies, 18/2 (1993), 524-551 Volgens Konrad Repgen is de vraag naar motivatie niet te beantwoorden: het is namelijk niet te achterhalen in hoeverre strijders werkelijk godsdienstig gemotiveerd zijn. In zijn visie is een godsdienstoorlog een conflict dat religieus wordt gelegitimeerd.Konrad Repgen, ‘What is a religious war?’, in E.I. Kouri en Tom Scott, red., Politics and Society in Reformation Europe (Basingstoke, 1987), 311-326

Men kan zich ook afvragen in hoeverre een interne strijd wel te kwalificeren is als een godsdienstoorlog. Een strijd tussen gelijkgerichte godsdiensten, zoals in Ierland, en in de 16e eeuw in Frankrijk (katholieken tegen de hugenoten), doet zich ook binnen de islam voor (soennieten tegen sjiieten). Voor wat betreft de christelijke godsdienstoorlogen wordt ook wel gesproken over confessieoorlogen.

Ook over de islamitische godsdienstoorlogen is veel debat. De minimalistische visie stelt dat conflicten in feite materialistische doeleinden hadden. Het uitroepen van de jihad, bijvoorbeeld, aan het begin van jaarlijkse veldtochten van de Ottomanen had dan vooral een ritueel karakter. Volgens de maximalistische visie kan de gehele expansie van de islam sinds 622 gezien worden als jihad. Een recente erudiete analyse van Richard Bonney lijkt een genuanceerde middenpositie in te nemen. Bonney historiseert het verschijnsel jihad en concludeert dat de aard van jihad vooral contextbepaald was.Richard Bonney, From Qur’ān to bin Lāden (Basingstoke, 2004), 111-132.

In zijn comparatieve studie over 'heilige oorlog' komt James Turner Johnson (2003) tot ongeveer een dozijn kenmerken.

William T. Cavanaugh uitte in 2009 kritiek op de naar zijn mening gangbare ideologisch gekleurde religiekritiek in zijn boek The Myth of Religious Violence. De Amerikaanse theoloog - zelf rooms-katholiek - vond dat in de vroegere geschiedschrijving over de 17e en 18e eeuw te weinig aandacht was voor politieke, sociale en economische oorzaken van geweld. Hij vond ook dat de godsdienst niet zomaar als verklaringsfactor van geweld mag worden ingevoerd. Cavanaugh ging uit van de kennistheoretische analyse dat een breed containerbegrip als "religie" sowieso ongeschikt is om geweld en specifieke historische gebeurtenissen als oorlogen mee te verklaren. Religie zou bij nader onderzoek geen transcultureel en transhistorisch begrip of verschijnsel blijken te zijn dat zich altijd en overal laat verbinden met zoiets als geweld en oorlog. Hij bekritiseerde het daarom als onkritisch en gekleurd essentialisme om te spreken van 'religieus geweld' of 'godsdienstoorlogen'.

Cavanaugh bestreed de idee, als zou in de zogenaamde godsdienstoorlogen van de 17e en 18e eeuw de moderne seculiere natiestaat een einde hebben gemaakt aan primitief 'religieus geweld' van katholieken en protestanten. Cavanaugh behandelde in die periode in Europa 45 verschillende voorbeelden van gewapende conflicten en oorlogen tussen katholieke vorsten onderling, tussen protestantse vorsten onderling en van katholiek-protestantse bondgenootschappen tegen een protestantse of katholieke derde partij, waarbij religie niet het motief vormde. Het vele geweld kwam volgens Cavanaugh toen niet zozeer voort uit de religie, maar uit het opkomende absolutisme dat een groeiende behoefte had aan nationale, territoriale begrenzing. Dit absolutisme legde de basis voor het ontstaan van het seculiere nationalisme, dat zijns inzien een veel gewelddadiger karakter en structuur zou aannemen, dan dat godsdiensten en gelovigen an sich onderling ooit hebben laten zien, ook wanneer ze zich onder dwang verbonden met de moderne natiestaat.

Staten wilden godsdiensten onderwerpen, maar als ongewenste, onafhankelijke transterritoriale factor, en dus niet om het geweld ervan in te dammen. Dat laatste vormde volgens Cavanaugh echter wel een hardnekkige seculiere mythe. Die mythe zou er onder meer toe dienen om tot in de vroege 21e eeuw toe (vooral na 9/11) een ideologische tegenstelling te creëren tussen het seculiere westen met zijn zelfbeeld van toepasser van modern, beschaafd, redelijk, humanitair geïnspireerd geweld, met daar tegenover een beeld van de ander, 'de rest', die gevaarlijk, primitief, religieus geweld zou uitoefenen. Hij ontkende niet, dat vandaag bepaalde vormen van terrorisme zich op religie beroepen, maar dat was voor hem geen voldoende aanwijzing om bijvoorbeeld een exclusieve relatie te mogen veronderstellen tussen bijvoorbeeld de islam en terreur.William T. Cavanaugh, The Myth of Religious Violence, Oxford 2009, , pagina's 142-151.

Oudheid (t/m 5e eeuw) Godsdienstoorlogen komen door de gehele geschiedenis voor, ook in de Oudheid.Roland H. Bainton, Christian Attitudes Toward War and Peace. A historical survey and critical re-evaluation (Nashville, 1978).

Oude Griekenland In de Griekse oudheid is een viertal oorlogen gevoerd om en rond het heiligdom van Delphi tegen personen of staten die zich aan heiligschennende daden ten overstaan van de god Apollon schuldig zouden hebben gemaakt.Encarta-encyclopedie Winkler Prins s.v. "Delphi". Onderscheiden worden: De Eerste Heilige Oorlog (595–585 v.Chr.) De Tweede Heilige Oorlog (449–448 v.Chr.) De Derde Heilige Oorlog (356–346 v.Chr.) De Vierde Heilige Oorlog (339–338 v.Chr.)

Antiek jodendom thumb|Boog van Titus: Romeinen voeren joodse oorlogsbuit weg na de val van Jeruzalem (70 n.Chr.) Bekende voorbeelden van antieke godsdienstoorlogen zijn te vinden in het Oude Testament, waarin het volk Israël soms strijd voerde die goddelijk gelegitimeerd leek. Toch wordt in het Oude Testament niet een concept van godsdienstoorlog als zodanig geformuleerd: de conflicten zijn heel specifiek voor een bepaalde context gelegitimeerd. Bovendien zijn ze exclusief voor de situatie van Israël, dat primair een defensieve oorlog voert (ter bescherming van het Beloofde Land). De externe verdediging van het Heilige Land ging meestal gepaard met een interne zuivering.

De Oorlog tegen de Midjanieten (volgens Numeri 31), een waarschijnlijk fictieve heilige oorlog die werd gevoerd op bevel van de Israëlitische god Jahweh en de profeet Mozes tegen de Midjanieten voor een onduidelijke misdaad die zij tegen Jahweh dan wel de Israëlieten zouden hebben gepleegd. De Benjaminitische Oorlog (volgens Rechters 19–21), een waarschijnlijk fictieve heilige oorlog die werd gevoerd op bevel van de Israëlitische god Jahweh tegen de Benjaminieten voor de groepsverkrachting van een Levitische bijvrouw.

De Makkabese Opstand (167–160 v.Chr.) werd veroorzaakt doordat bepaalde joodse rituelen werden verboden door de Seleuciden.

De naam Joods-Romeinse oorlogen is gegeven aan een reeks Joodse opstanden tegen het Romeinse Rijk, dat in 63 v.Chr. de Hasmonese staat in Palestina onderwierp. Zij omvatten: De Joodse Oorlog (66–73) — ook Eerste Joodse Opstand of Grote Joodse Opstand genoemd, eindigde met de val van Massada (73) De Kitosoorlog (115–117) De Bar Kochba-opstand (132–135)

Vroege christendom Omdat het Nieuwe Testament neigt naar pacifisme en omdat de positie van christenen aanvankelijk zwak was, laat de vroege christelijke geschiedenis geen godsdienstoorlog zien. Niettemin zijn na verloop van tijd teksten uit het Oude Testament wel degelijk vertaald naar een concept van godsdienstoorlog door ze te mengen met het concept van rechtvaardige oorlog. De eerste veldslag met een duidelijk christelijk element was de Slag bij de Milvische Brug (312), waarbij de Romeinse keizer Constantijn de Grote christelijke tekens zou hebben aangebracht op de schilden van zijn soldaten om daarmee de overwinning te behalen; bronnen spreken elkaar tegen of voor het labarum of het IHS gekozen is. Soms wordt de Slag aan de Frigidus (394) gezien als een strijd tussen de christelijke Oost-Romeinen en heidense West-Romeinen, maar het religieuze element van dit conflict wordt betwist.

Vroege middeleeuwen (6e–10e eeuw) Vroege islam