Salamanders (Caudata) zijn een groep van gewervelde dieren die behoren tot de klasse amfibieën. De andere amfibieën behoren tot de kikkers (Anura) en de wormsalamanders (Gymnophiona). Alle families van tegenwoordig levende salamanders worden ingedeeld in de groep Urodela. De wetenschappelijke naam Caudata betekent staartdragend, verwijzend naar de relatief lange staart. Ook de naam Urodela heeft een dergelijke betekenis. De oorsprong van de naam salamander is onzeker, maar is mogelijk afgeleid uit het Perzische sām - andarūn wat vrij vertaald vuur van binnen betekent.
Salamanders zijn wat betreft levenswijze in te delen in drie groepen: de landsalamanders die het water in principe niet betreden, de watersalamanders die gedurende een deel van het jaar in het water te vinden zijn en ten slotte de strikt aquatische soorten, zoals de familie olmachtigen. Deze indeling komt echter niet terug in de taxonomische indeling van de salamanders in verschillende families. Een voorbeeld zijn de Europese watersalamanders uit de geslachten Triturus, Lissotriton en Mesotriton. Deze soorten behoren tot de echte salamanders (Salamandridae), waartoe ook de typisch landbewonende vuursalamander (Salamandra salamandra) behoort. Een ander voorbeeld zijn sommige soorten uit de Eurycea-groep die tot de (meestal landbewonende) longloze salamanders behoren maar strikt aquatisch en grotbewonend zijn.
Veel soorten komen in oppervlaktewater uit het ei als larve en metamorfoseren ook in het water, andere soorten zijn eierlevendbarend. Alle salamanders leven op vochtige plekken en ze zijn ook het meest actief bij vochtig weer. In tegenstelling tot hagedissen, waar salamanders morfologisch op lijken en soms mee verward worden, hebben ze geen schubbenhuid en zijn vaak zeer gevoelig voor uitdroging. Dit heeft ook met de ademhaling te maken, het grootste deel van de salamanders ademt via de huid die hierdoor altijd vochtig moet blijven.
Evolutie thumb|270px|Karaurus sharovi uit het Jura, Kazachstan Salamanders zijn bekend vanaf het Jura, zo'n 187 tot 144 miljoen jaar geleden. De Karauridae zijn een uitgestorven familie van salamanderachtige dieren waarvan niet bekend is of het nu de voorouders zijn van de moderne salamanders of dat het gaat om een volledig uitgestorven zijtak van de amfibieën. Het is nog niet duidelijk waar de grens ligt tussen de visachtige voorouders van de salamanders en de voorouders van andere amfibieën zoals de kikkers, die uit salamanderachtige dieren zijn ontstaan.
De huidige vormen zijn nauwelijks veranderd sinds de verschijning van de eerste salamanders, de meeste moderne families zijn niet recentelijk ontstaan maar zijn ook bekend als fossiel. Een voorbeeld is de familie olmachtigen, waarvan fossielen zijn aangetroffen uit het Beneden-Krijt.
Een moeilijkheid van de studie naar de evolutie van de salamanders is dat de skeletten relatief fragiel zijn en moeilijk fossiliseren. Ze zijn zeer zeldzaam en als er al resten worden gevonden zijn deze vaak grotendeels vergaan.
Een anekdote in het verhaal van de evolutie van de salamanders is de vondst van een reuzensalamander in Duitsland uit het Boven-Tertiair. Door de Zwitserse onderzoeker en arts Johann Jakob Scheuchzer werd het skelet aangezien voor een mens die het slachtoffer was geworden van de zondvloed. Hij noemde het fossiel Homo diluvii testis: getuige van de zondvloed. Het fossiel werd in 1802 aangekocht door het Teylers museum in Haarlem waar het nu nog bezichtigd kan worden. In 1812 werd het fossiel onderzocht door Georges Cuvier die herkende dat het om een soort reuzensalamander ging. De naam van dit nieuwe genus was Andrias en betekent mensbeeld, het werd daarna ook gebruikt voor de Japanse en de Chinese reuzensalamander. Tegenwoordig komen de salamanders uit het geslacht Andrias alleen nog voor in China en Japan maar er zijn naast Azië en Europa ook fossielen bekend uit Noord-Amerika. Hier leeft nog wel de sterk verwante modderduivel (Cryptobranchus alleganiensis).
Verspreiding thumb|left|400px|Verspreidingskaart van de salamanders. Salamanders komen voornamelijk voor in Noord- en Zuid-Amerika, Europa en Azië. In Afrika komen de salamanders alleen in het uiterste noorden voor in Algerije, Marokko en Tunesië en worden maar door twee soorten vertegenwoordigd; Pleurodeles nebulosus en Salamandra algira. Op het Arabisch Schiereiland komen de salamanders alleen in het uiterste noorden voor, tot het noorden van Iran.
In Europa komen salamanders overal voor behalve het noorden, grofweg boven de 65e breedtegraad. Het verspreidingsgebied strekt zich via Rusland uit tot Azië in een brede strook van ongeveer de 65e tot de 50e breedtegraad, het noorden van Kazachstan evenals het uiterste noorden van Mongolië. In westelijk Azië komen slechts enkele soorten voor in twee geïsoleerde gebieden rond Oezbekistan en Kirgizië en in het grensgebied tussen China en Kazachstan. In oostelijk Azië komen salamanders alleen voor in oostelijk China (inclusief het eiland Hainan), in Taiwan, Vietnam, Japan, Noord- en Zuid-Korea, noordelijk Myanmar, uiterst oostelijk India (Assam) en oostelijk Bhutan.
In Noord-Amerika komen salamanders voor in zuidelijk Canada, op delen van de westelijke provincies Alberta en Brits-Columbia na, en in een groot deel van de Verenigde Staten. Langs de Pacifische kust loopt het verspreidingsgebied door naar zuidelijk Neder-Californië. In het oosten van de Verenigde Staten loopt het verspreidingsgebied door tot in zuidoostelijk Mexico.
In Zuid-Amerika komen de salamanders vooral voor in Brazilië, oostelijk en noordelijk Peru, noordelijk Ecuador, zuidelijk en noordwestelijk Venezuela, uiterst zuidelijk Frans-Guyana en een groot deel van Colombia. Het verspreidingsgebied trekt net ten zuiden voorbij aan de landen Guyana en Suriname. De salamanders komen in het noorden voor in alle landen die tot Midden-Amerika worden gerekend (niet op de Caraïbische eilanden) tot een groot deel van zuidelijk Mexico.
In Australië komen geen salamanders voor. Het is niet bekend of er ooit salamanders hebben geleefd maar weer verdwenen zijn, of nooit het continent hebben bereikt.
De verspreiding van sommige salamanders is nog niet verklaard; bijvoorbeeld de longloze salamanders die in Noord- en Zuid-Amerika leven, op één geslacht na; Hydromantes. Deze soorten komen voor aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in Europa in het Middellandse Zeegebied.
Salamanders in het Nederlandse taalgebied Op Aruba, de Antillen en in Suriname komen geen salamanders voor. In Nederland en België komen 5 soorten salamanders voor die allemaal wettelijk beschermd zijn. Enkele soorten staan op de Rode lijst. Het meest algemeen is de kleine watersalamander die in heel België en Nederland voorkomt, zelfs op enkele Waddeneilanden. De soorten uit de geslachten Lissotriton en Mesotriton werden lange tijd ingedeeld in het geslacht Triturus.
Kenmerken 270px|thumb|Algemene bouw van een landsalamander, hier een vuursalamander. 270px|thumb|Een watersalamander in waterfase, hier de kamsalamander. Salamanders zijn er in verschillende kleuren, vormen en maten maar hebben over het algemeen een sterk uniforme lichaamsbouw. Vrijwel alle salamanders hebben vier poten, sommige hebben alleen achterpootjes en enkele soorten hebben helemaal geen poten meer en lijken op een grote worm.
Uitwendige anatomie Salamanders hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken en lijken enigszins op wormsalamanders maar verschillen enorm van de grootste groep van amfibieën, de kikkers. In tegenstelling tot kikkers hebben alle salamanders een langwerpig lichaam, relatief kleine pootjes en een staart die minstens een derde van de lichaamslengte beslaat.
Salamanders in de landfase hebben vaak een rond lichaam met duidelijk zichtbare parotoïden of gifklieren (1). De voorpoten (2) en achterpoten (4) zijn goed ontwikkeld en de costale groeven (3) zijn vaak goed zichtbaar. De staart (5) is net als het lichaam meer rond en eventuele kammen zijn verdwenen.
De huid van salamanders is meestal vochtig en voelt nat en koud aan. Vrijwel alle soorten hebben een zeer gladde huid, slechts een handvol salamanders heeft een ruwe huid. Dit in tegenstelling tot de kikkers waarbij juist een groot deel van de soorten een zeer ruwe huid heeft. Voorbeelden van salamanders met een afwijkende huidstructuur zijn de Pyreneeënbeeksalamander (Calotriton asper), waarvan de huid voorzien is van een groot aantal duidelijk zichtbare klieren en de ruwe krokodilsalamander (Tylototriton shanjing) uit China, die een kenmerkend patroon van oranjerode bulten op de rug heeft.Alle salamanders zijn in belangrijke mate afhankelijk van de huid als ademhalingsorgaan, zie ook onder het kopje ademhaling. De huid is hierdoor zeer dun en sterk doorbloed. In de huid zijn ook de gifklieren gelegen die vooral achter de ogen soms goed zichtbaar zijn. Deze klieren worden de parotoïden genoemd en zijn de belangrijkste gifklieren. Ook rijen klierwratjes op de flanken of op het midden van de rug komen voor. Salamanders hebben maar zelden dorsolaterale lijsten, de huidplooi-achtige klierlijsten die veel voorkomen bij kikkers. Zie voor de giftigheid het kopje verdediging.
De meeste salamanders zijn goed gecamoufleerd en ze vallen hierdoor meestal niet op en hebben maar zelden felle kleuren zoals een aantal kikkers. De meeste soorten hebben een bruine tot groene kleur aan de bovenzijde en een lichtere tot witte kleur aan de buik.
Salamanders die een tijdje in het water leven krijgen in de zogenaamde waterfase een aantal kenmerken. De mannetjes van een aantal soorten hebben een kam (1) die enkel tijdens de waterfase in de paartijd te zien is. De rugkam gaat boven de staartwortel (2) over in de staartkam (3). Bij veel soorten is de kam boven de staartwortel onderbroken en soms is hier een stekelachtige structuur aanwezig. Aan de onderzijde van de staart verschijnt een staartzoom (4). De staart van salamanders in de waterfase is hierdoor sterk zijdelings afgeplat, wat ze in tegenstelling tot landsalamanders een visachtig uiterlijk geeft. Opvallend in de waterfase is ook de sterk vergrote cloaca (5), vooral bij de mannetjes. Sommige soorten ontwikkelen ook zwemvliezen aan de tenen van de achterpoten (6), het bekendste voorbeeld is de vinpootsalamander.
De meeste soorten worden niet zo groot en worden ongeveer 10 tot 15 centimeter lang inclusief staart. Enkele soorten kunnen een lengte van zo'n 30 centimeter bereiken (reuzensalamanders) en de grootste 2 soorten behoren tot het geslacht Andrias. Een voorbeeld is de Japanse reuzensalamander (Andrias japonicus) die een lengte kan bereiken van meer dan een meter.
270px|thumb|Buikzijde van een salamander, hier een alpenwatersalamander. De lengte van een salamander wordt vaak in drie maten aangeduid omdat de verhouding wat kan zeggen over welke soort het gaat. De koplengte is met (A) aangegeven, de kopromplengte of kop-cloacalengte (B) is de afstand in millimeters tussen de snuitpunt en het achterste punt van de cloaca. Meestal wordt echter de totale lengte van snuitpunt tot staartpunt (C) als lengtemaat gebruikt. Aan de onderzijde zijn van voor naar achter de keel (1) zichtbaar, die bij de keelplooi (2) gescheiden wordt van de buik (4). Niet alle salamanders hebben een ontwikkelde keelplooi. De voorpoten (3) van salamanders zijn meestal voorzien van vier vingers, de achterpoten (5) dragen in de regel 5 tenen. Helemaal achteraan het lichaam is de cloaca (6) gepositioneerd, die de grens aangeeft tussen het lichaam en de staart (7).
Inwendige organen