Sao Tomé en Principe (Portugees: São Tomé e Príncipe; IPA: [sɐ̃w̃ tuˈmɛ i ˈpɾĩsɨpɨ]), letterlijk in het Nederlands: Sint Thomas en Prins, officieel de Democratische Republiek Sao Tomé en Principe, is een land voor de westkust van Afrika, in de Golf van Guinee.
Sao Tomé en Principe bestaat uit meerdere eilanden, waarvan Sao Tomé verreweg het grootst is. Daarna komt het veel kleinere Principe en nog enkele niet of nauwelijks bewoonde eilanden. Van de 187.356 inwoners (2012) woont ruim een derde in de gelijknamige hoofdstad Sao Tomé. De eilanden zijn bergachtig en vulkanisch met een weelderige tropische plantengroei. De belangrijkste economische hulpbron is de landbouw, die de inwoners kokosnoten, koffie, cacao en palmolie verschaft. De bevolking bestaat voor het grootste deel uit mulatten, personen met zowel Afrikaanse als Portugese voorouders.
De inwoners van Sao Tomé en Principe worden in het Nederlands als Santomees, Santomese en Santomezen aangeduid, behalve in formele teksten, waar men een omschrijving gebruikt in plaats van het bijvoeglijk naamwoord.
Geschiedenis Koloniale tijd De eilanden van Sao Tomé en Principe waren onbewoond tot de komst van de Portugezen tussen 1469 en 1471. De Portugezen verkenden de eilanden en besloten dat dit een goede handelspost zou zijn. Ze noemden het grootste eiland naar de apostel Tomas. De eerste nederzetting op Sao Tomé werd in 1493 door de Portugees Álvaro Caminha gesticht. Rond het jaar 1500 werd ook op het eiland Principe een nederzetting gesticht. Het aantrekken van mensen die de eilanden wilden bevolken bleek moeilijk. In het begin kwamen vooral groepen die niet 'gewenst' waren in Portugal, zoals joden, naar het eiland. Zo werden eind vijftiende eeuw tweeduizend joodse kinderen gedwongen gedoopt en verscheept naar het eiland, waar ze verdeeld werden onder de kolonisten. Enkele jaren later waren nog slechts zestig van deze kinderen in leven. De rest was bezweken aan tropische ziektes.
De kolonisten bemerkten dat de vulkanische grond op de eilanden uitermate geschikt was voor landbouw, waardoor vooral het verbouwen van suikerriet in zwang raakte. Het verbouwen van suiker was zeer arbeidsintensief, en de Portugezen importeerden dan ook slaven van het Afrikaanse vasteland. In het midden van de 16e eeuw waren de eilanden de grootste suikerexporteur van Afrika. Later kregen de eilanden te maken met toenemende concurrentie van suikerplantages in Latijns-Amerika. Tegen het midden van de zeventiende eeuw waren de eilanden een belangrijke doorvoerhaven van schepen die Afrikaanse slaven vervoerden naar Latijns-Amerika. In 1641 veroverde WIC-admiraal Cornelis Jol het eiland Sao Tomé op de Portugezen. Kort na de verovering, op 31 oktober 1641, overleed hij aan malaria.
Zelfbestuur en herkolonisatie Vanaf 1650 trokken de Portugezen hun handen langzaam af van de archipel en meer dan twee eeuwen lang hadden de eilanden praktisch zelfbestuur. In het begin van de 19e eeuw werden twee nieuwe gewassen geïntroduceerd, namelijk koffie en cacao. De vulkanische gronden waren zeer geschikt voor deze gewassen, en in de periode 1880-1885 zorgde dit voor een herkolonisatie door de Portugezen. Al gauw waren de goede landbouwgronden in handen van grote Portugese plantages. Vanaf 1908 werd Sao Tomé en Principe de grootste exporteur van cacao ter wereld. Nog steeds is dit het belangrijkste gewas in het land.
Hoewel Portugal de slavernij in 1876 had afgeschaft, dwongen de plantagehouders Afrikanen tot het verrichten van arbeid, nu als contractarbeiders, tegen een zeer bescheiden loon. Dit leidde op de eilanden tot spanningen en een opstand die uitbrak in 1953. Honderden Afrikanen werden hierbij gedood. Deze gebeurtenis staat bekend als het Bloedbad van Batepá en wordt nog steeds jaarlijks op 3 februari herdacht.
Onafhankelijkheid Eind jaren 50 van de twintigste eeuw werd de roep om onafhankelijkheid steeds groter en de socialistische Beweging voor de Bevrijding van Sao Tomé en Principe (MLSTP) werd opgericht. Na de Anjerrevolutie van 1974 raakte deze ontwikkeling in een stroomversnelling en op 12 juli 1975 werd Sao Tomé en Principe onafhankelijk van Portugal. De eerste president werd Manuel Pinto da Costa, de secretaris-generaal van de MLSTP. Een maand later werd het land unaniem toegelaten tot de Verenigde Naties. In eerste instantie haalde Da Costa vooral de banden aan met de Sovjet-Unie, Oost-Duitsland, Cuba en Angola, maar sloot zich tegelijk aan bij de Beweging van Niet-Gebonden Landen. Toen er in de jaren 80 een economische crisis uitbrak, werd het aantal buitenlandse communistische adviseurs scherp teruggebracht.
Democratisering en onrust In 1987 zorgde een grondwetswijziging ervoor dat de president voortaan direct werd gekozen, in 1988 werd een coup tegen president Da Costa afgewend. In 1990 was Sao Tomé en Principe een van de eerste Afrikaanse landen die ook in de praktijk democratiseerden. Op 22 augustus 1990 werd een referendum gehouden voor een nieuwe grondwet die ook oppositiepartijen toestond. Van de geldige stemmen was 95,3% voor de wijziging en de grondwet werd aangepast. Een jaar later, in 1991, werden de eerste democratische parlements- en presidentsverkiezingen gehouden waarbij Miguel Trovoada tot president werd gekozen.
Op dinsdag 15 augustus 1995 pleegde een groep militaire officieren onder leiding van luitenant Manuel Quintas de Almeida een staatsgreep, ze zetten president Trovoada gevangen en plaatsten premier Carlos Graça onder huisarrest. Officieel ging het om de door Trovoada afgedwongen inkrimping van het leger, maar ook de feiten dat de soldaten al een half jaar niet meer betaald waren en de algehele deplorabele staat van het leger leken een rol te spelen, evenals de slechte economische situatie van het land. Zes dagen later werd de staatsgreep vreedzaam beëindigd en werden de president en premier in hun functie hersteld. Hieraan gingen enkele dagen van onderhandelingen onder leiding van premier Graça en de Angolese minister van Buitenlandse Zaken Venâncio de Moura aan vooraf. De onderhandelingen gingen deels over de vraag of de militairen amnestie moesten krijgen.
Een tweede staatsgreep vond plaats op woensdag 16 juli 2003, toen president Fradique de Menezes voor een congres in Nigeria was. De coup werd beraamd door de leiders van het Frente Democrata Cristã (Christendemocratisch Front, FDC), een oppositiebeweging wier leden jarenlang in ballingschap in Zuid-Afrika hadden geleefd en daar onder het apartheidsregime bij het 32e bataljon hadden gediend. FDC-kopstukken Alércio Costa en Sabino dos Santos vonden een welwillende partner in majoor Fernando Pereira, een legerofficier die zich reeds meerdere malen had uitgesproken over de problemen van het leger en de samenleving. Premier Maria das Neves werd samen met enkele andere ministers gearresteerd, waarna ze een licht hartinfarct kreeg en naar het ziekenhuis moest worden overgebracht. Alle vastgezette politici werden goed behandeld, ze mochten hun familieleden spreken en eten laten brengen. Het FDC en het leger betichtten de regering van corruptie, zelfverrijking, en een oneerlijke verdeling van mogelijke toekomstige olie-inkomsten, Majoor Pereira kondigde aan dat hij niet van plan was de macht te behouden, maar aanstuurde op vervroegde verkiezingen omdat hij de armoede onder de bevolking in het land wilde aanpakken. Vanuit de internationale wereld volgde een golf van protest tegen deze machtsgreep en er klonk een breed gedragen roep richting de rebellen op om de regering te herinstalleren. De coup werd afgekeurd door de staatshoofden van landen in de regio, maar ook de Verenigde Staten, VN-secretaris-generaal Kofi Annan, Joaquim Chissano, president van Mozambique en voorzitter van de Afrikaanse Unie, en de afgezette president De Menezes lieten van zich horen. De Nigeriaanse president Olusegun Obasanjo bemoeide zich persoonlijk met het conflict, belde de leider van de putschisten en kondigde aan een konvooi naar Sao Tomé te sturen; een militaire interventie werd op dat moment niet uitgesloten. De coupplegers leken de internationale steun voor hun actie te hebben overschat en na ongeveer een week onderhandelen onder leiding van de Angolese minister Osvaldo Serra Van Dunem kon De Menezes terugkeren als president. Het gevolg van de onderhandelingen was het organiseren van een nationaal forum om grieven uit te werken en amnestie voor de militairen. Critici vermoeden dat het leger ook een groot deel van de potentiële oliegelden is aangeboden.
In 2009 werd een nieuwe staatsgreep van het FDC verijdeld en Alércio Costa en dertig anderen werden gearresteerd. Dit keer stonden de veiligheidstroepen aan de kant van de regering. Bij de presidentsverkiezingen van 2011 werd Manuel Pinto da Costa, eerder president van het eenpartijregime, democratisch gekozen als nieuwe president van de republiek. Dit leidde tot zorgen over een mogelijke terugkeer naar een meer autoritair bewind. In 2016 verloor Da Costa echter zijn herverkiezing van Evaristo Carvalho.
Geografie Met een oppervlakte van 964 km² (VN, CIA) of 1001 km² (BBC, eigen opgave STP em Numeros Instituto Nacional de Estatística) is Sao Tomé en Principe het kleinste land in Centraal-Afrika en na de Seychellen het kleinste land van Afrika.
Alle eilanden van Sao Tomé en Principe liggen in de Golf van Guinee (meer precies Golf van Bonny) en maken deel uit van een archipel die geologisch gezien behoort tot de Kameroenlijn (net als twee eilanden van Equatoriaal-Guinea, Mount Cameroon en het Hoogland van Adamaoua). Naast de hoofdeilanden Sao Tomé en Principe bestaat de archipel onder andere uit Ilhéu Bom Bom, Ilhéu Caroço, Ilhéu das Cabras, Tinhosa Grande, Tinhosa Pequena en Ilhéu das Rolas. De evenaar loopt midden over laatstgenoemd eilandje.
De eilanden zijn bergachtig, vulkanisch en ongeveer kegelvormig. De bekendste en hoogste bergtop in Sao Tomé en Principe is de uitgedoofde schildvulkaan Pico de Sao Tomé, met een hoogte van 2024 meter. De hoogste berg van Principe is de Pico de Príncipe, met een hoogte van 948 meter.
Klimaat De eilandengroep kent een zeer warm en vochtig klimaat. Gemeten over de jaren 2001 t/m 2006 was de gemiddelde jaartemperatuur in de hoofdstad Sao Tomé 26,3 °C met een gemiddeld maximum van 30,7 °C en een gemiddeld minimum van 22,0 °C. Er viel gemiddeld 899 millimeter regen verdeeld over 89 regendagen bij een gemiddelde luchtvochtigheid van 83%. In het bergachtige midden van het eiland ligt de gemiddelde jaartemperatuur beduidend lager, rond de 20 °C. Op de zuidwest-hellingen van de bergen kan de jaarlijkse regenval oplopen tot 5000 millimeter. Het regenseizoen duurt van oktober tot mei.
Flora thumb|Sao Tomé kent een dikke tropische begroeiing
Zo'n 74% van de eilanden is bedekt met tropisch regenwoud. Slechts een deel hiervan is oerbos, voor een groot deel bestaat het uit voormalige plantages die weer overgroeid zijn. Er komen zo'n 895 soorten vaatplanten voor waarvan 95 endemisch op Sao Tomé en 37 op Principe. Varens zijn ruim vertegenwoordigd. De enige naaktzadige is de conifeerachtige Afrocarpus mannii.
Zo'n 30% van het land (ruim een kwart van Sao Tomé en bijna de helft van Principe) maakt deel uit van het Parque Natural Ôbo. Naast tropisch regenwoud omvat het park ook stukken mangrove en savanne.
Fauna
De enige zoogdieren die van origine op Sao Tomé en Principe voorkwamen waren vleermuizen en spitsmuizen. In het kielzog van de mens hebben diverse andere zoogdieren de eilanden bereikt, zoals ratten, apen en huisdieren als varkens en honden. Meer dan 140 soorten vogels zijn op de eilanden gespot, waarvan meer dan twintig endemisch. Ook enkele amfibieën, enkele reptielen, vijf soorten vissen en vele ongewervelden komen nergens anders ter wereld voor.
De eilanden zijn een belangrijke nestplaats voor zeeschildpadden.
Overheid en politiek