Maakbaarheid is de mate waarin iets gerealiseerd kan worden, zowel fysiek als psychisch. Filosofisch kan maakbaarheid tegenover determinisme gesteld worden.
Politiek-sociologisch is de 'maakbaarheid van de samenleving' of de 'maakbare samenleving', de mate waarin de maatschappij door overheidsingrijpen fundamenteel dient te worden veranderd, naar de eigen ideologie. Dit maakbaarheids-idee leeft vooral binnen de ideologieën van het socialisme, liberalisme, sociaaldemocratie, communisme, stalinisme, maoïsme, fascisme en het nationaalsocialisme.
In Nederland verwijst de term naar de standpunten van PvdA-politici in de jaren 1970, in de vorm van de door Joop den Uyl gepropageerde spreiding van kennis, macht en inkomen. In de jaren 1980 en 1990 raakte, met de nieuwe zakelijkheid en de Derde Weg, het idee in zwang dat de samenleving slechts ten dele maakbaar is en dat de mogelijkheden van overheidsingrijpen beperkt zijn.
De mate van geachte wenselijkheid van overheidsingrijpen verschilt per economische school. De klassieke en de Oostenrijkse school zijn voorstanders van een nachtwakersstaat en laisser-faire. Zij schatten de kans op overheidsfalen groter in dan de kans op marktfalen. Het omgekeerde geldt voor de opvattingen van de marxistische en de keynesiaanse school. De ontwikkelingstraditie en de gedragseconomie zitten hier tussenin. De zeer diverse neoklassieke school ten slotte, kent zowel voor- als tegenstanders van overheidsingrijpen.
Zie ook Vooruitgangsgeloof
Literatuur John Passmore, The Perfectibility of Man, 1970, Johan Braeckman, Aeneas De Baets, Johan Declercq e.a. (eds.), Goed, beter, best? Over de maakbaarheid van de mens, 2011,
Categorie:Politieke terminologie