De neusaap (Nasalis larvatus) is de enige soort in het geslacht neusapen (Nasalis), uit de wouden van Borneo. Het meest opvallende kenmerk van de soort is de grote hangende neus van het mannetje, waaraan het dier zijn naam dankt. Het is de grootste slankaap.
De soort is genoemd naar de uitzonderlijk grote neus van de volwassen mannetjes, die 17 cm lang kan worden en voor de mond hangt. De mannetjes zijn veel groter zijn dan de vrouwtjes, wegen gemiddeld ruim 20 kg en zijn van kruin tot staartaanzet 66-76 cm lang. De vrouwtjes wegen zo’n 10 kg en zijn 53-61 cm lang en hebben een vooruitstekende neus. De dieren hebben een roodbruine vacht op de rug, schouders, bovenarmen en heupen, met een donkerdere kruin op de kop, een roomkleurige buik en grijze poten, handen en staart. De neusaap komt voor in het laagland van Borneo, in rivierbossen, veenmoerassen en mangroves. Het is een goede zwemmer, zelfs onder water. De dieren eten voornamelijk jonge bladeren, aangevuld met onrijp fruit, zaden, bloemen, insecten en krabben. Vanwege het lastig te verteren voedsel hebben de dieren een opvallende tonvormige buik. Troepen bestaan uit een enkel volwassen mannetje en diverse vrouwtjes met jongen, of uitsluitend adolescente en minder dominante mannetjes. Vrouwtjes wisselen vaak van groep. In gevangenschap kunnen neusapen ongeveer 25 jaar oud worden. De neusaap is een bedreigde soort, die is opgenomen in bijlage 1 van het Verdrag inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES).
Beschrijving De neusaap is een grote primaat en heeft het grootste relatieve verschil in gewicht tussen volwassen mannetjes en vrouwtjes van alle slankapen. Gemiddelde wegen vrouwtjes 10 kg en zijn 53-61 cm lang terwijl de mannetjes 21 kg wegen en 66-76 cm lang zijn, nog afgezien van de staart van 56-76 cm. De dieren hebben een roodbruine vacht op de rug, schouders, bovenarmen en heupen, met een donkerdere kruin op de kop, een roomkleurige buik en grijze poten, handen en staart. Het is de enige slankaap in Zuidoost-Azië met deze vachtkleuren. De onbehaarde delen van het gezicht zijn vleeskleurig tot terracotta, terwijl het ziteelt en de onbehaarde handpalmen en voetzolen bijna zwart zijn. Beide geslachten hebben uitzonderlijk grote neuzen. Bij de volwassen mannetjes hangend ze tot onder de mond en kunnen 17 cm lang worden. De onbehaarde penis is rood en de balzak zwart.
De neusaap heeft een kleinere maag en een grotere twaalfvingerige darm dan de andere slankapen, waardoor het vermogen het voedsel te vergisten kleiner is vergeleken met langoeren waar een groter deel van het dieet uit blad bestaat. Net als stompneusapen en doeks heeft de neusaap een duidelijke uitstulping, de presaccus, bij de voormaag, waardoor de maag uit vier compartimenten bestaat. Het gewicht en oppervlak van de dikke darm zijn groter dan bij andere slankapen.
Anatomie De hersenen van de mannetjes hebben een inhoud van gemiddeld 102 cm3, de vrouwtjes van 85 cm3. Neusapen hebben een robuuste onderkaak waarvan de helften zeer stevig met elkaar zijn vergroeid. De tandformule van de volwassen neusaap is , dat wil zeggen twee snijtanden, een hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de mens. De zware neus wordt ondersteund met buiten het bot uitstekend kraakbeen. De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 12 borstwervels, 7 lendenwervels, 3 heiligbeenwervels en 25 staartwervels, 54 in totaal. Bij mensapen zijn de aantallen borst- en lendenwervels veel variabeler. Het penisbot is slechts 8 mm lang. Het opperarmbeen van de neusaap heeft een grote bolvormige kop, en een lange schacht, wat kan wijzen op een andere wijze van voortbeweging in de bomen. De proporties van het schouderblad en de hoek van de kop van het schouderblad lijken op die van de gibbons. De neusaap is de enige soort van de familie Apen van de Oude Wereld waarbij de lengte van dijbeen en scheenbeen samen langer is dan de romp. De middenhands- en middenvoetsbeentjes zijn lang, zowel absoluut als relatief ten opzichte van de kootjes. De voeten hebben een kort vlies tussen alle tenen behalve de grote teen tot halverwege de middelste kootjes.
miniatuur|none|Schedel
Ontwikkeling De placenta bestaat uit een voorste en achterste schotelvormig lob en de enige navelstreng die is gemeten was 15 cm lang. Het geboortegewicht is ongeveer 450 gram. Ongeveer de helft van de zwangerschappen betreft twee embryo’s, maar er wordt meestal maar een enkele baby geboren. De zuigelingen beginnen met het nemen van vast voedsel na 6 weken en worden na ongeveer 7 of 8 maanden gespeend. Baby's worden geboren met dun, zwartig haar en een donkerblauwe gezichtshuid, en hebben de korte, naar boven wijzende puntneuzen die ook typerend zijn voor de varkensstaartlangoer en de stompneusapen. De volgorde waarin de tanden en kiezen doorkomen is zowel boven als onder: voorste kies, beide snijtanden, middelste kies, beide valse kiezen en hoektand, en tot slot verstandskies. Dit patroon lijkt op dat van de meerkatachtige apen en verschilt van dat van de overige slankapen waarbij de tweede kies eerder doorkomt dan de snijtanden.
Chromosomen De neusaap heeft 24 paar homologe chromosomen (2n=48). Dat aantal verschilt voor zover bekend van de andere slankapen die 22 paar homologe chromosomen hebben. Het aantal chromosomen bij de varkensstaartlangoer is niet bekend.
Taxonomie In zijn standaardwerk Systema naturae uit 1758 onderscheidde Carl Linnaeus vier geslachten in de orde Primates: Homo, Simia, Lemur en Vespertilio. De soorten die aanvankelijk in het geslacht Simia waren geplaatst, werden later verdeeld over veel nieuwe geslachten. Uiteindelijk bleef de naam Simia over omdat onduidelijk was welke soort als het type van de geslachtsnaam moest worden beschouwd. Daarom is Simia door de International Commission on Zoological Nomenclature onderdrukt in 1929. Linnaeus creërde in 1758 ook de naam Cercopithecus als onderdeel van Simia. Die naam heeft daarom prioriteit gekregen van de ICZN. Vanaf het jaar 1746 werd in delen het boek Histoire Naturelle, Générale et Particulière, avec la Description du Cabinet du Roi uitgegeven, van de hand van Georges-Louis Leclerc de Buffon en zijn leerling Louis Jean-Marie Daubenton. Volume 14 over primaten verscheen in 1766, waarbij Daubenton de inleiding schreef over Nomenclature des Singes [naamgeving der apen] en gedetailleerde anatomische beschrijvingen gaf van 18 verschillende soorten. Daaraan ontbrak echter de neusaap. Dat jaar ontstond er een ernstig conflict tussen Buffon en Daubenton. Vermoedelijk werd le nasique (de neusaap) voor het eerst beschreven door Daubenton tijdens een lezing aan de Académie des sciences die plaats zou hebben gevonden in de jaren kort na 1766. Dit zou volgens diverse 19de-eeuwse zoölogisch auteurs (zoals Cuvier) de bron zijn voor de huidige geslachtsnaam Nasalis. Mogelijk als gevolg van het conflict is deze beschrijving toen echter niet gepubliceerd. In 1775 beeldt Johann Christian von Schreber een gravure af van Simia Nasica (de neusaap) in zijn boek Die Säugethiere in Abbildungen nach der Natur mit Beschreibungen. Het is veel waarschijnlijk dat Von Schreber een beschrijving en afbeelding van de neusaap van Daubenton heeft gezien, dan dat hij zelf een levend of opgezet exemplaar onder ogen heeft gehad. In 1781 beschreef Friedrich von Wurmb de neusaap aan de hand van dieren die verzameld werden nabij Pontianak, westelijk Kalimantan, in toenmalig Nederlands-Indië, en gaf deze de wetenschappelijke naam Cercopithecus larvatus. In 1789 werd de tweede editie van de Histoire Naturelle uitgegeven, waarin Daubenton niet langer als medeauteur staat vermeld en grote delen van de beschrijvingen van diens hand zijn geschrapt. In deze tweede editie nam Buffon echter wel een korte beschrijving op van de guenon à long nez [langneusaap] (Cercopithecus larvatus) die hij aan Von Wurmb toeschrijft. Uiteindelijk werd een uitgebreide beschrijving van de neusaap van hand van Daubenton pas elf jaar na de dood van Buffon gepubliceerd in 1799. De naam le nasique voldoet echter hoe dan ook niet aan de eisen voor een wetenschappelijke naam, die immers uit een geslachtsnaam en een soortnaam moet bestaan. Robert Kerr gaf in 1792 de naam Cercopithecus capistratus. In 1800, gaf de Engelse bioloog George Shaw de naam Simia nasalis en in 1801 volgde de Franse priester en entomoloog Pierre André Latreille met Cercopithecus nasica. De huidige combinatie Nasalis larvatus wordt voor het eerst gebruikt in 1812 door Étienne Geoffroy Saint-Hilaire. Anselme Gaëtan Desmarest noemt de soort Cercopithecus nasicus in 1817, en besluit die in 1820 onder te brengen in een eigen ondergeslacht als Cercopithecus (Nasalis) nasicus. Louis-Antoine Desmoulins beschouwde de neusaap als een hoelman en maakt de nieuwe combinatie Semnopithecus nasicus in 1825. In 1828 onderscheiden Nicholas Aylward Vigors en Thomas Horsfield Nasalis recurvus, maar John Edward Gray toonde aan dat het ging om een jong exemplaar van de neusaap. Ook Johann Baptist Fischer was van mening dat de neusaap bij de hoelmans moest worden ingedeeld en maakte de nieuwe combinatie Semnopithecus larvata in 1829, William Charles Linnaeus Martin corrigeerde dat tot Semnopithecus larvatus in 1841. Anders Gustaf Dahlbom deelde de neusaap in bij de stompneusapen en maakt de combinatie Rhynchopithecus nasalis in 1856. In 1878 meende John Anderson eveneens dat de neusaap een eigen ondergeslacht nodig heeft, maar dan in het geslacht van de hoelmans: Semnopithecus (Nasalis) larvatus. In 1940 onderscheidde Frederick Nutter Chasen een ondersoort van oostelijk Kalimantan: Nasalis larvatus subsp. orientalis. In zijn monografie van de neusaap uit 2015 vindt Lee Harding de verschillen te klein om ondersoorten te onderscheiden.
Naamgeving Het dier wordt bekantan genoemd in het Indonesisch, rasong in het Maleisisch en proboscis monkey (slurfaap) in het Engels. Vroeger zou ook de naam orang belanda (Nederlander) zijn gebruikt, een verwijzing naar de grote neus en dikke buik van de Nederlandse kolonisator.
Verwantschap De neusaap wordt ingedeeld bij de orde der primaten, in de familie apen van de Oude Wereld, onderfamilie der slankapen, en is de enige soort in het geslacht neusapen. Onderzoek naar de verwantschap op basis van vergelijking van homoloog DNA heeft meer inzicht in de verwantschap van de neusaap gegeven. De neusaap is het meest verwant aan de varkensstaartlangoer, een zeldzame en weinig bekende soort die alleen voorkomt op de Mentawai-eilanden voor de zuidwestkust van Sumatra. De voorouder van de groep waarin de kortneusapen en de neusaap, splitste zich ongeveer 7-10 miljoen jaar geleden af van de voorouder van de langoeren. De laatste gemeenschappelijke voorouder van de varkensstaartlangoer en de neusaap leefde vermoedelijk in het vroege Pleistoceen, 2 miljoen jaar geleden.
Fossielen Er zijn geen fossielen bekend van de neusaap. Mogelijk is dit een gevolg van de omstandigheid dat in het typische leefgebied weinig opgravingen hebben plaatsgevonden. De neusaap was waarschijnlijk al aanwezig op Borneo als een endemische taxon in het late Plioceen. De laatste gemeenschappelijke voorouder van de neusaap en Simias concolor is vermoedelijk in het vroege Plioceen op de Soenda-eilanden aangekomen. Een recente vondst van Mesopithecus in Yunnan suggereert dat in dit gebied de gemeenschappelijke voorouder van de stompneusapen, de varkensstaartlangoer en de neusaap ooit leefde.
Gedrag