Marinus Jan Kooger (Texel, 3 oktober 1902 - Vlissingen, 27 april 1987) was een van de laatste Engelandvaarders. Tijdens de opstand van de Georgiërs op Texel in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog maakte hij de oversteek naar Engeland.

Levensloop Kooger deed op Texel zes jaar de lagere school en verliet deze op elfjarige leeftijd, waarna hij tot zijn zeventiende bij zijn vader als landbouwer werkte. Van 1919 tot medio 1923 studeerde hij aan de Zeevaartschool Texel om opgeleid te worden tot derde stuurman. Tijdens deze periode deed hij ruim een jaar ervaring op de vaart op. Tot 1929 zat hij op de vaart als stuurman, onderbroken door een korte opleiding tot een hogere rang en de dienstplicht in Naarden, waar hij afzwaaide als korporaal.

In 1929 trad Kooger als loods-kwekeling in dienst bij het Loodswezen in Vlissingen, werd in 1938 gepromoveerd tot loods. Hij bleef er tot oktober 1942 in dienst en werd daarna op wachtgeld gesteld. Hij woonde ondertussen in Wemeldinge en verrichtte tijdens zijn wachtgeldperiode geen werk. In september 1943 werd Kooger opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland en dook onder om de tewerkstelling te ontlopen. Na een kort verblijf in Naarden, trok hij met zijn gezin van vrouw en vier kinderen bij zijn vader in op Texel.

Opstand van de Georgiërs en Engelandvaart Op 6 april 1945 brak op Texel een opstand uit onder de 800 Sovjet-Georgische krijgsgevangenen in Duitse dienst, met zware gevechten tussen de Georgiërs en Duitse troepen. Het Texelse verzet besloot hulp uit Engeland te vragen. Omdat de directe communicatie met Engeland verbroken was, moest een boot gestuurd worden. Kooger werd door zijn broer gevraagd mee te gaan met deze missie. Met hulp van zes gewapende Georgiërs werd de reddingsboot Joan Hodshon die ze zouden gebruiken klaargemaakt en werd de rails uit het zand gegraven. Met negen andere eilanders en vier Georgiërs vertrok Kooger in de nacht van 8 op 9 april 1945 vanaf De Cocksdorp naar Engeland.

Onderweg navigeerden ze langs mijnenvelden en ontwapenden ze de Georgiërs, omdat de boot het Rode Kruis-teken droeg. Bij nadering van de Engelse kust gaven ze lichtsignalen af. Een RAF-vliegtuig zag hen en leidde hen naar Mundesley, ongeveer 30 kilometer ten noorden van de beoogde landingsplek Great Yarmouth. Op 10 april 1945, na een tocht van ruim een etmaal, zetten ze voet aan land en werden naar Londen gebracht voor quarantaine en verhoor. De regering hield daarna het verzoek om hulp naar Texel te sturen af, onder andere om de voedseldroppings niet te verstoren. Eind april ontmoette de groep koningin Wilhelmina en prinses Juliana.

Op 28 april 1945 keerde Kooger als eerste terug naar Nederland. Als loods was hij nodig in het bevrijdde Zeeland. De anderen keerden een maand later terug. In 1946 werden de Engelandvaarders door koningin Wilhelmina op 't Loo ontvangen en in 1949 kregen ze van prins Bernhard het Bronzen Kruis. Formeel werden alleen degenen die tussen de Nederlandse capitulatie op 14 mei 1940 en D-day op 6 juni 1944 naar Engeland ontsnapten als "Engelandvaarder" aangemerkt, maar de tien Texelaars werden niettemin wegens hun bijzondere prestatie door het Genootschap Engelandvaarders als Engelandvaarder erkend.

Zie ook Lijst van Engelandvaarders

Bronnen

Categorie:Engelandvaarder