De associatie van dwergbloem en hauwmos (Centunculo-Anthocerotetum) is een associatie uit het dwergbiezen-verbond (Nanocyperion). De associatie is kenmerkend voor (graan)akkers na de oogst, vooral bestaande uit eenjarige pionierssoorten.

Naamgeving en codering Synoniemen Syntaxoncode voor Nederland (rVvN): r29Aa03

De wetenschappelijke naam Centunculo-Anthocerotetum is afgeleid van de botanische namen van respectievelijk dwergbloem (Centunculus minimus) en zwart hauwmos (Anthoceros punctatus).

Fysiognomie De associatie van dwergbloem en hauwmos heeft een zeer open, laagblijvende vegetatiestructuur die is opgebouwd uit een kruid- en moslaag. De vegetatie bereikt zelden een hoogte > 10 cm.

In de kruidlaag zijn laagblijvende, eenjarige planten (therofyten) als de moerasdroogbloem bepalend, samen met tredplanten als gewoon varkensgras en straatgras.

De associatie is echter vooral gekenmerkt door een goed ontwikkelde, soortenrijke moslaag, met zowel bladmossen, levermossen en hauwmossen. Het zijn overwegend kortlevende mossen met een korte levenscyclus.

Ecologie De associatie van dwergbloem en hauwmos omvat segetale pioniervegetatie van akkers (vooral graanakkers) op vochtige, lemige bodem, met een gemiddelde pH en een trofiegraad.

Deze vegetatie heeft vooral nood aan een onbelemmerde lichtinval, waardoor ze zich pas ontwikkeld nadat de oogst is binnen gehaald. Men vindt ze dus het meest op stoppelvelden. Aangezien de planten elk jaar opnieuw uit zaad opgroeien, komt ze pas tot bloei in de late nazomer.

Biogeografie De associatie van dwergbloem en hauwmos heeft een beperkt verspreidingsgebied binnen Atlantische en sub-Atlantisch Europa. Ze is bekend van België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Polen, Litouwen, Letland, Denemarken en Zuid-Zweden.

In Nederland komt deze associatie vooral voor op de hogere zandgronden, en is een van de meest bedreigde plantengemeenschappen.

Diagnostische taxa De associatie heeft in Nederland en Vlaanderen vier mossen als kensoorten, waarbij het gewoon landvorkje, een levermos, de meest frequente soort is. Ze onderscheidt zich van de andere associaties binnen het verbond door de aanwezigheid van vogelmuur, rood guichelheil en stijve klaverzuring. In de onderstaande synoptische tabel staan de belangrijkste ken- en begeleidende soorten van de associatie voor Nederland en Vlaanderen.

Kruidlaag thumb|Liggend hertshooi thumb|Waterpostelein thumb|Moerasdroogbloem

Kentaxon Diff.soort Abundantie Triviale naam Botanische naam Opmerking kA Z klein bronkruid Montia fontana subsp. chondrosperma kA korenschijnspurrie Spergularia segetalis uitgestorven in Nederland en Vlaanderen kV F liggend hertshooi Hypericum humifusum kV Z waterpostelein Lythrum portula kV Z dwergbloem Centunculus minimus kO A moerasdroogbloem Gnaphalium uliginosum kK A greppelrus Juncus bufonius A liggende vetmuur Sagina procumbens A straatgras Poa annua dA F vogelmuur Stellaria media O gewoon varkensgras Polygonum aviculare O getande weegbree Plantago major subsp. intermedia O kruipende boterbloem Ranunculus repens O gewone hoornbloem Cerastium fontanum subsp. vulgare O gewone spurrie Spergula arvensis dA Z rood guichelheil Anagalis arvensis dA Z stijve klaverzuring Oxalis stricta dA Z donkere vetmuur Sagina apetala

Moslaag thumb|Gewoon landvorkje thumb|Gewoon hauwmos

Kentaxon Diff.soort Abundantie Triviale naam Botanische naam Opmerking kA F gewoon landvorkje Riccia glauca kA O klein landvorkje Riccia sorocarpa kA O gewoon hauwmos Anthoceros agrestis kA O geel hauwmos Phaeoceros carolinianus kV O gewoon broedpeermos Pohlia annotina kV Z flesjesmos Blasia pusilla kV Z korreltjespeermos Pohlia camptotrachela kV Z gestekeld goudkorrelmos Fossombronia wondraczekii O zilvermos Bryum argenteum O gewoon purpersteeltje Ceratodon purpureus dA Z bleek peermos Pohlia wahlenbergii Z zwart hauwmos Anthoceros punctatus

Zie ook Akkerflora Akker van basenarme gronden

Dwergbloem en hauwmos