thumb|Heilig-Hartkerk in Izegem. Orgel door Jos. en Pieter Loncke uit 1950 thumb|Heilig-Hartkerk in Roeselare. Orgel door Jos. Loncke en Zonen uit 1957 thumb|Sint-Walburgakerk in Veurne. Orgel in 1966-67 vernieuwd door Loncke thumb|Nieuw orgel in de Sint-Andreaskerk in Woumen, geplaatst in 1988 Loncke is een Belgisch orgelmakersbedrijf in de provincie West-Vlaanderen. Het bedrijf is ontstaan te Hoogstade, waar Pieter Albertus Loncke in 1842 zijn eerste orgel bouwde, en vestigde zich in 1972 in Zarren.

Geschiedenis Pieter Albertus Loncke (1821-1897) Pieter Albertus Loncke (Hoogstade, 3 mei 1821 - aldaar, 1 maart 1897) zou, volgens sommigen veronderstellen, in de leer geweest zijn bij orgelmaker Van Houtte uit Waregem, omdat Pieter gewerkt heeft in zuid West-Vlaanderen. Organoloog Eduard Gregoir schrijft echter in zijn boek Historique de la facture et des facteurs d'orgues: Hij zou dus autodidact zijn geweest. Het verslag van Grégoir lijkt betrouwbaar, daar hij voor zijn boek Pieter heeft geïnterviewd.

Zijn eerste orgel dat hij bouwde in 1842 werd aangekocht en geplaatst in de kerk van Bissezeele in Noord-Frankrijk. Op 26-jarige leeftijd huwde hij Sophie Couteele die samen met drie van zijn kinderen overleden ten gevolge van een epidemie. Het woonhuis van Pieter bestaat nog gedeeltelijk en was tot rond de jaren 1960 de herberg Het Handelshuis in Hoogstade. Zijn medewerkers waren zijn broer François, Jan Baptist Van de Voorde (in de volksmond Tisten Voorde), Engel Vos en de smid van het dorp voor het ijzerwerk.

Pieter Loncke vervaardigde zelf zijn orgelpijpen uit een legering van lood, tin en antimoon. Het metalen pijpwerk kenmerkt zich door dikwandigheid en het metaal is nogal grof geschaafd of geschraapt. Hij vervaardigde ook de klavieren met beenbeleg, de windladen, het mechaniek en de pijpen in hout. Hiervoor werd looizuurarm eikenhout verwerkt (wagenschot). Gewoonlijk werd decoratief in het center van de registertrekknoppen, een rond schijfje in been ingewerkt. De orgelkasten werden op het atelier (werkwinkel) van de orgelmaker vervaardigd, ofwel werd een bestaand orgelmeubel hergebruikt, zoals bijvoorbeeld te Oostvleteren het geval was. In de streek van Veurne werden veel orgels tijdens de beloken tijd door de Franse revolutionairen beroofd van hun metalen orgelpijpen om er kogels van te maken, maar bleven de orgelkast en de orgelonderdelen uit hout veelal bewaard.

Veel orgels van Pieter uit de frontstreek zijn verloren gegaan tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op enkele uitzonderingen na van zijn laatste werken, werden zijn orgels, zowel de orgelkas, als de dispositie, afgewerkt volgens de classicistische stijl. Pieter Loncke was ook lid van de kerkfabriek van Hoogstade.

Frans Xavier Fréderic Loncke (1862-1933), zoon van Pieter Albertus miniatuur|Frans Xavier Fréderic Loncke Frans Xavier Fréderic Loncke (Hoogstade, 5 juli 1862 - Adinkerke, 13 september 1933) is de zoon van Pieter uit zijn tweede huwelijk met Rosalie Muylle. Hij vatte aanvankelijk de studie aan van onderwijzer in de normaalschool te Torhout. Hij was algemeen bekend onder zijn voornaam Frederik Loncke. Tijdens zijn studententijd was hij redacteur van De Ware Vlaming, een tijdschrift met katholieke politieke strekking en met belangrijke bijdragen over heemkunde uit Veurne-Ambacht en Frans (Zuid) Vlaanderen.

Frederik leerde het orgelambacht van zijn vader. Tijdens zijn jonge jaren was er de toenmalige Belgische schoolstrijd (1879 – 1884) en was er in België geen werk meer voor de orgelmakers, daar alle beschikbare financiële middelen door de geestelijkheid geïnvesteerd werden in het bouwen van vrije scholen. Frederik vernam toen dat er in Ekelsbeke de plaats van kerkekoster vacant was en trok te voet, samen met zijn zuster Lazarie, naar Ekelsbeke, waar hij deze plaats kreeg toegewezen.

Nadat de schoolstrijd in België geluwd was en de tijden voor de orgelmakers financieel beter werden, keerde hij terug naar België. Hij was aanvankelijk gevestigd als orgelmaker te Alveringem, omdat daar de buurtspoorweg Veurne – Oostvleteren – Ieper werd aangelegd.

Hij huwde Marie-Zelie Top, geboren in Beveren-aan-de-IJzer, maar bij hun huwelijk woonachtig in Sint-Gillis bij Brussel. Zij hadden 9 kinderen: Maria (× Hilaire Vandooren), baatte een kruidenierszaak uit (de Coopee) te Gijvelde Joseph (× Leonie Waermoes), orgelmaker, woonachtig te Esen Gabrielle († te Hondschote begin Eerste Wereldoorlog) Margriet, religieuze bij de Zusters van Liefde van Heule te Varsenare Anna (× Jules Myny) Joachima (× Oscar Van Imschoot), beeldhouwer, laatste verblijf te Houtem bij Veurne Agnes (× Charles Myny) te Adinkerke Pieter (× Irma Myny), orgelmaker, woonachtig te Koksijde Antoon († 1 jaar oud). Marie Zelie Top overleed te Esen in 1901, bij de geboorte van de tweeling Pieter (jr) en Antoon. Frederik huwde een tweede maal: met Eugenie Selschotter, de zus van zijn vriend Emiel Selschotter die hoofdonderwijzer was te Alveringem, maar deze echtgenote ontviel hem kort na zijn huwelijk. Hij huwde een derde maal, nog voor de Eerste Wereldoorlog, met Marie Van Haesebrouck uit Sint-Katharina. Er zijn geen kinderen geboren uit de twee laatste huwelijken.

In 1901 verhuisde Frederik om logistieke redenen van Alveringem naar Esen en ging wonen in het voormalige huis van een biljartmaker. In Esen was er een spoorwegstation op de lijn Adinkerke – Gent en via Adinkerke was er ook een spoorverbinding met Frankrijk (lijn Adinkerke – Bray-Dunes - Duinkerke). Frederik vestigde een bijhuis in het Frans-Vlaamse Hondschote in de rue Coppens nr. 6. In Hondschote was er toen een smalspoorweg naar Sint-Winoksbergen, Bollezele, Hazebroek en Bray-Dunes. De verplaatsingen naar de plaatsen werden per fiets, met de trein of met de tram afgelegd, terwijl het vervoer van het orgel nog met paard en wagen gebeurde, en soms per spoor.

In Esen was Frederik dirigent van de katholieke fanfare en hoofdman van de rederijkerskamer Sint-Barbara. Hij schreef enkele kluchtige toneelstukjes, die veel bijval hadden in Frans-Vlaanderen: Kolonel Poerpot, Een zitting te Busbeke, Een uurtje in de Muizenval. Hij schreef en componeerde enkele boertige liederen: De bruiloft van Tisten oom en Ik ben een boer. Hij schilderde ook graag en was boekenliefhebber. Na de Eerste Wereldoorlog was hij medeoprichter van de plaatselijke boekerij in Esen en hij schonk enkele van zijn boeken aan deze bibliotheek.

Nadat hij een tweede woning had aangekocht in de Diksmuidestraat in Esen, van een zekere bankier Vandromme, werd het eerste aangekochte huis zijn atelier. Het tweede huis werd in de Eerste Wereldoorlog als eerste getroffen door een Duitse obus in oktober 1914. Het stond recht tegenover het kasteel Hof ter zee. Frederik vluchtte in oktober 1914 met zijn gezin naar zijn bijhuis te Hondschote en week nadien uit naar Thuit-Hébert bij Bourgtherhoulde in het Franse departement Eure, om te kunnen genieten van de vluchtelingenpremie. Zijn dochters Maria, Anna en Joachima hadden de intentie te solliciteren om monitrice te worden te Montreuil-sur-Mer, waar de Belgische overheid, om veiligheidsredenen en om onderwijs te verstrekken, de kinderen van achter het front naartoe deporteerde. Toen ze in Calais aankwamen met de trein uit Duinkerke, werden ze prompt door de rijkswacht samen met andere vluchtelingen in een zaal opgesloten. Ze werden tegen alle protest in met een vluchtelingentrein weggevoerd en kwamen uiteindelijk terecht te Thuit-Hébert. Het is onbekend of Frederik in die streek activiteiten aan orgels heeft uitgevoerd. Volgens Joachima bespeelde hij tijdens zijn verblijf het orgel te Bourgtherhoulde.

Medewerkers bij Frederik Loncke in Esen voor de Eerste Wereldoorlog waren volgens Joachima: Jules Lemahieu, schrijnwerker bij gelegenheid: Richard Theunynck, stoelenmaker van beroep en goede vriend van Frederik sporadisch: Theophiel Symoen, zeer vakkundige meubelmaker Hector Roelens Henri Waeles van Alveringem (die het orgel heeft verbouwd van de kerk van Izenberge. Hij haalde hiervoor de orgelpijpen en de windlade uit het Berger-orgel van de kapel, enkel de orgelkast met frontpijpen bleven achter) Cyriel Madelein van Esen sporadisch ook: Emiel Schapman, schrijnwerker die naast het atelier woonde Camiel Dumon uit Diksmuide Henri Waeles en Camiel Dumon vergezelden gewoonlijk Frederik ter gelegenheid van de stemronde, alsook zijn zonen Joseph en Pieter Loncke.

Na de heropbouw van Esen in de jaren 1920 werd opnieuw met de orgelbouwactiviteiten in Esen gestart, terwijl de activiteiten in Frankrijk plaats hadden in Gijvelde, Rue Nationale 133 (weg van Gijvelde naar Bray-Dunes) onder de firmanaam Vandooren – Loncke. Bij een incognito bezoek tijdens de werkzaamheden te Esen bezocht Koning Albert I eveneens het in aanbouw zijnde huis van Frederik terwijl ze er bezig waren met het dak. Het nieuws van het bezoek van de koning te Esen liep als een lopend vuur rond in het dorp en de Esenaren waren zeer verheugd over zijn komst en zijn meevoelen met de burgers. Protocol kwam er naar verluidt niet bij te pas.

Frederiks oudste dochter Maria was gehuwd met de Gijveldenaar schrijnwerker Hilaire Vandooren. Er was in Gijvelde ook een medewerker, Jules Ameloot uit de herberg Au Damier, en voor het smeedwerk werd beroep gedaan op smid Darras. Van Belgische zijde werkte daar Joseph Loncke, Pieter Loncke en Omer Caestecker.

Frederik bezat een latere herdruk van L'Art du facteur d'orgues met tekst en tekeningen van Dom Bedos en een platenboek over orgels van Topfer, Edition Hamel. In 1954 werd voor het atelier de tinschaafmachine gerealiseerd volgens de technische tekeningen voorkomend in het boek van Topfer.

Door de evolutie in de orgelbouw en orgelliteratuur, was er intussen een nieuwe kunstrichting ontstaan, die men de romantische periode noemt. Het orgel werd een muziekinstrument met orkestrale inslag. Ook technische ingrepen deden hun intrede in de orgelbouw: de kegellade verdrong geleidelijk de sleeplade, de organist bespeelde het orgel vanaf een vrijstaande speeltafel. De traditionele mechanische toets- en registertractie werd bij nieuwe en verbouwde orgels niet meer toegepast; de pneumatische tractie kwam daarvoor in de plaats. De neogotische stijl werd algemeen toegepast voor de orgelkast. Het vervaardigen van pijpwerk werd toevertrouwd aan gespecialiseerde orgelpijpenmakers zoals Jean Devos en Joseph Van Hemelrijck uit het Brusselse, Hubert Pecqueur uit Menen. Kleine orgelonderdelen werden besteld bij August Laukhuff uit Weikersheim (Duitsland) en orgelventilatoren bij de firma Meidinger uit het Zwitserse Bazel. Daarmee had de industriële revolutie haar intrede gedaan in de orgelbouw van Loncke. Volgens Pieter Loncke zijn er ooit na de Eerste Wereldoorlog contacten geweest, zonder gevolg, met de firma Verschueren uit Heythuysen (Nederlands Limburg) die toen als orgelpijpenmaker gespecialiseerd was.

Tijdens werkzaamheden aan het orgel te Merkegem, kreeg Frederik een beroerte en werden de activiteiten vanaf 1924 verder gezet in Esen door Joseph Loncke en Pieter Loncke. Bij zijn laatste levensjaren verhuisde Frederik met zijn vrouw naar Adinkerke, waar beiden op het kerkhof begraven zijn.

Jos. & Pieter Loncke, Esen & Ghyvelde, 1924-1956 (zonen van Frederic) Joseph (Jos., Jozef) Loncke werkte al voor de eerste Wereldoorlog mee in het orgelmakersatelier van zijn vader Frederik te Esen. Na de oorlog debuteerde ook zijn jongere broer Pieter. Rond 1925 namen de beide broers het bedrijf over met als firmanaam Jos. & Pieter Loncke, Esen, gedurende lange tijd ook als Esen & Ghyvelde omdat ze een filiaal in Noord-Frankrijk hielden.