thumb|De Lutine thumb|Graf van Lancelot Skynner en twee officieren op Vlieland De LutineLa Lutine betekent in het Frans zoveel als plaaggeest, kwelduivel of uitdager. - In goud gevat (1999) Mr. J.P. Eschauzier; Lutine Stichting was een fregat met 32 of 38 kanonnen, waaronder 26 stuks 12-ponders, gebouwd in 1779 te Toulon. Op 9 oktober 1799 verging het voor de doorgang tussen Vlieland en Terschelling met een grote lading goud, zilver, Spaanse matten en dubloenen, die slechts gedeeltelijk is teruggevonden. De lading was verzekerd bij o.a. Lloyd's of London, dat de schade uitbetaalde.De archieven van LLoyd's zijn in 1838 verbrand en daardoor is er geen uitsluitsel te geven over de lading en het verzekerde bedrag. De meningen daarover zijn verdeeld. Waardoor het schip ten onder ging is met veel vraagtekens omgeven.
Levensloop De Lutine werd op 11 september 1779 te water gelaten en behoorde tot een groep van twaalf fregatten in de Magicienneklasse die in opdracht van de Franse Marine werden gebouwd. Tijdens de Franse Revolutie vond het Beleg van Toulon plaats en nadat de koningsgezinden hier op 18 december 1793 verslagen waren vreesden zij dat hun zestien schepen in handen van de revolutionairen zouden vallen. Op 18 december 1793 droegen zij deze schepen, waaronder de Lutine, over aan de Britse viceadmiraal Lord Hood. Onder Engelse vlag werd de naam gewijzigd in H.M.S. Lutine. In Engelse dienst blokkeerde de Lutine jarenlang op de Noordzee de toegang tot Amsterdam.
Ondergang bij 't Vlie Eind 1799 dreigde een economische ramp in Hamburg. De beurs was ingestort en een aantal handelshuizen dreigden daar failliet te gaan en de economie van Europa in hun val mee te nemen. Veel van deze handelshuizen hadden belangen in zowel Londen, Hamburg en Amsterdam.
Amsterdam was intussen onbereikbaar, want onder Franse bezetting. De groep handelaren die het initiatief namen tot hulp aan Hamburg waren de bankiers Goldsmid, die als hun vertegenwoordiger (of bewaker van het door Goldsmid bijgedragen deel?) J. Schabracq meestuurden (zowel de broers Goldsmid, Schabrack en de erbij betrokken N.N. Salomons en E. Ph. Salomons waren in Amsterdam geboren, maar verhuisden naar London).
Door een groot aantal handelshuizen (veelal door familiebanden met elkaar verbonden: "The Coosinhood") werd geld naar Hamburg gestuurd om hun belangen veilig te stellen. Het bedrag was dusdanig groot dat men bij de Royal Navy aanklopte om het transport te verzorgen. De marine stelde de Lutine ter beschikking en als kapitein werd de ervaren Lancelot Skynner aangesteld, die voor een hoge gage de overtocht zou verzorgen.Noorderland zomer 2013 - Martin Hendriksma: Lutine - de spannendste Nederlandse goudjacht ooit
In het jaar 1799 vervoerde de Lutine de grote lading goud en zilver ter waarde van bijna een miljoen pond vanuit Engeland naar Hamburg. Op het laatste ogenblik besloot de admiraliteit dat de Lutine een extra som geld moest vervoeren ten behoeve van Engelse troepen die kort tevoren in Noord-Holland bij Callantsoog waren geland en die in een heftige strijd waren verwikkeld met de Fransen (de Engelsen verloren binnen een zeer korte tijd).
Als begeleiding van de lading reisde een of meer belanghebbenden mee. In de nacht van 9 op 10 oktober ging het mis toen de Lutine in een zware storm op weg naar Den Helder op de doorgang tussen Vlieland en Terschelling afkoerste, maar op een zandbank vast kwam te zitten. Men sloeg alarm door de kanonnen af te schieten. Er kwam een reddingsactie op gang vanaf de eilanden en door het nabij voor anker liggende Britse oorlogsschip Arrow. De redders moesten echter wachten tot de storm was gaan liggen. De Lutine zonk en slechts 1 van de 270 opvarenden overleefde de ramp, hij werd door een Vlielandse loodsboot uit het water gered.
Al snel was de jacht op de schatten in volle gang, want er werd van alles aan goud en munten gevonden. Zo was het voor de eilandbewoners duidelijk dat dit geen schip was met een doorsnee lading
Wie deze overlevende was, is niet duidelijk. De krant Bell's Weekly Messenger meldde op 20 oktober 1799 dat het de notaris J. Schabracq uit Londen was. Meer waarschijnlijker was deze overlevende een matroos. Mogelijk John Rogers, die op de monsterrol staat van de Lutine van augustus 1799. Maar de naam John Rogers komt ook voor op de monsterrol van het schip Isis van december 1799. En daar met de vermelding dat hij eerder dienst zou hebben gedaan op de Lutine.Terschelling Magazine, 10 jaargang -1992/2; p. 28 Er is nog zicht op het goud van de "Lutine" door Jan Heuff. Als de overlevende inderdaad Rogers was, dan is deze na verloop van tijd naar Ierland vertrokken (bron?).
De enig overlevende (en dat was in ieder geval niet Schabracq, van hem is een boedelafhandeling bekend in verband met zijn overlijden op zee in 1799) werd lange tijd met kunst- en vliegwerk buiten de publicteit gehouden. Het verhaal gaat dat de overlevende per kerende post ingescheept werd naar Zuid-Amerika.
Dat alles had een goede reden. Want de Lutine en haar lading waren bij o.a.Lloyd's of London verzekerd voor een reis naar Hamburg. Dan werd een stranding op de Westergronden bij Vlieland - op ongeveer gelijke hoogte als Great Yarmouth waarvandaan de Lutine was vertrokken - een moeizaam verhaal. Dus moest de Lutine er door de storm bij toeval terecht zijn [email protected]
Velen van de opvarenden werden begraven "in een kuil achter de Brandaris". Dit is mogelijk het huidige Doodemanskisten. De kapitein, Lancelot Skynner en twee officieren spoelden aan op Vlieland en werden op de begraafplaats naast de Nicolaaskerk van Oost-Vlieland begraven. Een van de kooplieden (Schabracq?) spoelde aan op Sylt en werd op het kerkhof van Westerland begraven.
Verzekering De Lutine had een kostbare lading. Destijds alles bijeen meer dan een miljoen pond (in het gulden tijdperk rond de paar honderd miljoen gulden). De kapitein die het schip naar zijn bestemming zou leiden was niet de eerste de beste. De avond voordat het schip uitvoer zou er uitbundig gefeest zijn, vervolgens zou het schip 's ochtends vroeg vertrokken zijn. Eerder dan de bedoeling was, in het donker. Een matroos miste daardoor de afvaart.
Toen men bij Lloyd's hoorde van de ramp met 1 overlevende, werd gevraagd of deze persoon zo snel mogelijk naar Londen gehaald kon worden om te getuigen. De marine maakte de naam van de overlevende niet bekend en maakte bepaald geen haast met het vervoer van deze persoon naar Londen. Enkele verzekeraars weigerden in eerste instantie te betalen. Zij vonden dat de kapitein roekeloos zou hebben gehandeld door zo dicht op de kust te varen. Als de kapitein verwijtbaar had gehandeld dan zou de marine inderdaad aansprakelijk zijn. Er werden door diverse bronnen beschuldigingen geuit dat de waarheid achtergehouden werd. Omdat men vreesde dat er koppen zouden rollen als die waarheid bekend zou worden.Onder andere Terschelling Magazine van 1999 #3
Pas na uitbetaling door o.a. Lloyd's kwam de enige overlevende naar Engeland terug. Het is niet duidelijk of deze persoon werd verhoord. Waarom de kapitein zo dicht op de kust voer is daardoor nooit in de openbaarheid gekomen.
Berging Direct na de ramp werden er pogingen ondernomen de kostbare lading te bergen. Eind november klaagde drost Robbé van Terschelling dat er "dagelijks vaartuigen boven het wrak liggen", waarbij hij in het bijzonder vissersboten uit Urk noemde. De Hollandse Commissie voor Domeinen verklaarde het schip daarom tot oorlogsbuit. Doordat Robbé nu het alleenrecht had, kon hij in rust proberen het schip te bergen. Daarbij maakte hij alsnog gebruik van Terschellinger en Urker vissers. In 1800 kwam de eerste serieuze berging op gang, waarbij touwwerk, een kanon en kogels werden geborgen. Later in hetzelfde jaar werden in totaal dertien staven goud, vijftien staven zilver, 29.248 Spaanse matten en een kistje met munten geborgen. Het jaar erop kwamen nog eens 45 gouden staven, 20 zilveren staven, 12.262 Spaanse matten en 179 gouden dubloenen boven water. De gezamenlijke waarde bedroeg 572.582 gulden. In de winter van 1803 raakte het wrak door zand bedolven en het duurde tot 1814 voordat men weer bij het wrak kon komen. Het lag op vijftien meter diepte, men wist zeventien munten te bergen. Wederom verdween de Lutine onder het zand. Van 1857 tot 1860 werden er door Egmondse duikers nog 41 gouden staven, 64 zilveren staven en 15.350 gouden en zilveren munten aan wal gebracht. De totale waarde hiervan wordt op 529.487 gulden geraamd. thumb|De scheepsbel van de Lutine De scheepsbel In 1858 werd de scheepsbel geborgen. Hij woog 53 kilo106 pond en had een doorsnede van 44 cm. De inscriptie op de bel is ST. JEAN - 1779. Aangezien de bel nu eigendom van Lloyd's was, werd hij opgehangen in de grote hal van de toenmalige vestiging en later in de drie opvolgende Lloyd's-gebouwen. De bel van de Lutine werd tot circa 1980 gebruikt om nieuws aan te kondigen. Hij werd eenmaal geluid bij slecht nieuws, en tweemaal bij goed nieuws. Thans is de bel gescheurd en wordt hij nog sporadisch ceremonieel gebruikt.
Het roer Samen met de scheepsbel werd ook het roer geborgen. Dit werd naar Lloyd's vervoerd en gebruikt om een bureau en een stoel van te maken. Deze worden nog steeds bij Lloyd's bewaard en bij speciale gelegenheden gebruikt. Op de tafel is een plaquette van zilver aangebracht met de tekst:H.B.M. Ship La Lutine. 32 Gun Frigate Commanded by Captain Lancelot Skynner, R.N. Sailed from Yarmouth Roads On the morning of the 9th October, 1799 with a large amount of specie on board, And was wrecked off the Island of Vlieland the same night,
When all on board were lost except one man.
De stoel heeft een vergelijkbare inscriptie.
Minder bekend is dat er naast tafel en stoel ook twee inktstellen zijn vervaardigd uit het hout van het roer. Deze zijn voorzien van het wapenschild van Lloyd's en een zilveren plaquette met de tekst: miniatuur|Inktstel gemaakt van roer van de Lutine met zilveren plaquette THIS INKSTAND is made of the RUDDER of LUTINE Frigate wrecked off the island of Vlieland Oct. 9. 1799. The Rudder was recovered in 1859 after being submerged 60 yearsIn 1898 werd nog een groot stuk hout bovengehaald. Dit werd aan de Liverpool Underwriters' Association geschonken, wier voorzitter er een stoel van liet maken. Waar deze stoel nu is, is onbekend.
Landmerk In 1876 werden landmerken in de vorm van stenen zerken op de eilanden geplaatst om de juiste positie van de Lutine vast te leggen. De steen op Terschelling kreeg de inscriptie Lutine Brandaris en die van Vlieland Lutine Veldkaap.
thumb|Bergings certificaat 4 mei 1933 Nieuwe bergingen Van 1886 tot 1892 werd met twee schelpenzuigers, de Friesland van de Friese Stoomschelpvisserij uit Makkum en De Tijd van Reder Dros van Texel, het zand rond de Lutine weggezogen en het wrak blootgelegd. In 1886 werden 3573 gouden en zilveren munten geborgen. De gezamenlijke waarde bedroeg 8232 gulden. Ook zilveren en gouden voorwerpen, kanonskogels en kanonnen werden geborgen. Twee kanonnen werden naar Engeland gebracht en twee naar Makkum. Deze twee werden in 1910 bij Kasteel Amerongen geplaatst. In 1887 en 1888 werd nog voor respectievelijk 2174 en 720 gulden aan munten en voorwerpen geborgen.
Van 1894 tot 1911 zochten de Engelsen naarstig naar meer goud. Bij een paar expedities werden er enkele kogels, nagels, menselijke beenderen en munten geborgen. In 1911 werden ook beide 3900 kg zware boegankers geborgen alsook vijftien kanonnen. De totale opbrengst hiervan bedroeg 1762,90 gulden. Er werden echter geen staven meer gevonden. Ook een expeditie met de Stortemelk van Rederij Doeksen in 1924–1925 leverde niets op. Van 1928 tot 1933 probeerde Rederij Doeksen samen met Reder Dros wederom naar het wrak te graven. Toen werden slechts enkele Spaanse matten en 1 gouden munt geborgen.