Dryosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende dinosauriërs, behorend tot de Euornithopoda, dat tijdens het Laat-Jura (Kimmeridgien-Tithonien, zo'n 150 miljoen jaar geleden) leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De eerste fossielen van Dryosaurus werden gevonden in 1876 in Wyoming. In 1878 werden die ondergebracht bij het geslacht Laosaurus, als een Laosaurus altus. Het geslacht Dryosaurus kreeg in 1894 van de beroemde professor Othniel Charles Marsh zijn eigen naam, die zoiets als 'boomsauriër' betekent, toen die typesoort hernoemd werd tot Dryosaurus altus. Later werden nog vier soorten benoemd: Dryosaurus grandis uit Maryland in 1911, Dryosaurus canaliculatus uit Engeland in 1975, Dryosaurus lettowvorbecki uit Tanzania in 1977 en Dryosaurus elderae uit Utah in 2018. D. grandis bleek echter een heel andere dinosauriër te zijn, D. canaliculatus werd het eigen geslacht Valdosaurus en D. lettowvorbecki staat tegenwoordig weer bekend onder de oorspronkelijke naam Dysalotosaurus. Van Dryosaurus altus is een half dozijn vrij complete skeletten opgegraven, in Wyoming. D. elderae is gebaseerd op goede vondsten in Utah of Colorado. De wetenschappers kregen zo een goed beeld van de bouw van beide soorten die erg op elkaar lijken.

Dryosaurus werd drie à vier meter lang en had een heuphoogte van tegen een meter. Het gewicht van volwassen dieren lag tussen de honderd en tweehonderdvijftig kilogram. Hij had een kleine bolle kop met heel grote ogen die op een slanke nek stond. Zijn romp was stevig en werd in evenwicht gehouden door een nogal zware horizontale staart die de helft van de lichaamslengte uitmaakte. Dryosaurus was een tweevoeter die met zijn lange achterpoten hard kon wegrennen voor roofdieren als Allosaurus. Zijn voeten hadden misschien maar drie tenen. De voorpoten waren te kort om mee te lopen maar wellicht steunde het dier op de vijf korte vingers bij het eten van bodemplanten. Waarschijnlijk had het dier een vrij hoge stofwisseling en was het bedekt met een vacht van primitieve veren om warm te blijven.

Dryosaurus had vooraan geen tanden in zijn kop maar een hoornsnavel waarmee hij voedzame planten afbeet. Die werden verder vermalen door een dozijn grote tanden dat boven en onder in iedere kaakhelft stond. Het voedsel werd verder verwerkt door maagstenen en verteerd in een lang darmkanaal waarvoor de naar achteren gebogen onderste bekkenbeenderen een grote ruimte schiepen. Voor de jonge dieren was weinig nestzorg en ze groeiden relatief langzaam. Misschien dat Dryosaurus in grotere kudden leefde. Verwante soorten in de Dryosauridae, die grote delen van de toenmalige landmassa's bevolkten, bewijzen dat deze levenswijze erg succesvol was.

Vondsten en soorten Dryosaurus altus thumb|S.W. Williston vond Dryosaurus In oktober 1878 werd door Othniel Charles Marsh op basis van holotype YPM 1876, een skelet in 1876 door zijn medewerker Samuel Wendell Williston in Albany County, Wyoming gevonden in de Morrisonformatie in Quarry 5, Como Bluff, een soort van het geslacht Laosaurus, Laosaurus altus beschreven. De soortaanduiding betekent 'de hoge', een verwijzing naar de grotere lichaamsomvang in vergelijking met Laosaurus celer. In 1894 kwam Marsh tot de conclusie dat de soort een eigen geslacht waard was: Dryosaurus, wat de combinatio nova Dryosaurus altus opleverde. De typesoort is het oorspronkelijke Laosaurus altus. De groeven in Wyoming werden ontgonnen onder leiding van William Harlow Reed die daarom ook wel als ontdekker genoemd wordt.

De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse δρῦς, drys, 'boom, eik' en verwijst naar de door Marsh aangenomen levenswijze als bosbewoner. Een zoogdiertje door de medewerkers van Marsh in dezelfde lagen opgegraven benoemde bij als Dryolestes. Later werd vaak aangenomen dat de geslachtsnaam gebaseerd was op een eikenbladvorm van de tanden maar Marsh heeft het daar nergens over en de tanden hebben een zulke vorm ook helemaal niet, in profiel noch doorsnede. left|thumb|upright|Een afbeelding van de achterpoot in Marsh (1879) samen met een tand die duidelijk laat uitkomen dat hij niet op een eikenblad lijkt thumb|Maar Marsh benoemde de vondsten altijd zelf Het holotype stamt uit de bovenste Brushy Basin-afzetting die dateert uit het Tithonien. Het bestaat uit een zeer volledige schedel inclusief een natuurlijk afgietsel van de hersenpan waaraan alleen in de snuit de bovenste takken van de praemaxillae ontbreken en die verder in de 'linkerwang' beschadigd is, samen met de onderkaken. Hoewel soms wordt gedacht dat dit het hele specimen vertegenwoordigt, behoren tot het holotype ook verschillende wervels van de nek en de rug, een schoudergordel, een bekken, delen van de bovenste ledematen en een sprongbeen. Die werden echter nooit door Marsh beschreven. Hij liet wel aquarellen maken van deze elementen maar ze zijn nooit omgezet in lithografieën zoals indertijd voor wetenschappelijke illustraties gebruikelijk was. De eerste moderne beschrijving was door Peter Malcolm Galton in 1981.

Ondanks het gebrek aan aandacht door Marsh zelf, werd Dryosaurus toch een tamelijk bekende dinosauriër. De populair-wetenschappelijke Amerikaanse boeken hadden een plaatselijke soort nodig die als tegenhanger kon dienen van de Engelse Hypsilophodon in de rol van kleine tweevoetige planteneter. Dryosaurus werd zo standaard toegevoegd aan illustraties van de jurassische fauna.

Naast het holotype zijn verschillende fossielen aan Dryosaurus altus toegewezen di echter later vaak weer bij andere taxa zijn ondergebracht. Dit betreft de specimina YPM 1884: een door Reed opgegraven heiligbeen, staartwervel en delen van de achterpoten; AMNH 834: een skelet zonder schedel, nek, heiligbeen, staart en onderarmen gevonden in de Bone Cabin Quarry; en CM 1949: achterste rug, bekken, staart en achterpoten in 1905 opgegraven door William H. Utterback en in 2018 door Galton beschouwd als een nog onbenoemd nieuw lid van de Dryomorpha. Later zijn ook vondsten uit Utah toegewezen van 1922 af gevonden door Earl Douglass bij het Dinosaur National Monument: CM 11340: een skelet met schedel maar zonder bekken en staart van een zeer jong dier (later toegewezen aan D. elderae); CM 3392: een skelet met schedel maar zonder staart (later het holotype gemaakt van D. elderae); CM 11337: een fragmentarisch skelet van een jong dier (later benoemd als Uteodon); en DNM 1016: een linkerdarmbeen gevonden door technicus Jim Adams. Eén exemplaar uit Lily Park, Moffat County, Colorado, in 1955 gevonden door James Leroy Kay en Albert C. Lloyd, is toegewezen: CM 21786, een skelet zonder schedel en nek. Uit Sheetz’ Quarry 1, bij Uravan, Montrose County Colorado is in 1973 door Galton en James Alvin Jensen het door Rodney Dwayne Scheetz gevonden specimen BYU ESM-171R gemeld, bestaande uit wat wervels, een linkeronderkaak, een linkervoorpoot en twee achterpoten. Gregory S. Paul stelde in 2010 dat het materiaal uit Utah een aparte nog onbenoemde soort vertegenwoordigde.

Andere soorten In 1903 hernoemde Giuseppe de Stefano Crocodilus phosphaticus Thomas 1893 in een Dryosaurus phosphaticus. Dat berustte echter op een spelfout: het had Dyrosaurus phosphaticus moeten wezen. Het zou tot 1981 duren voordat Éric Buffetaut dat emendeerde.

In 1911 benoemde Richard Swann Lull voetbeenderen uit de Arundelformatie van Maryland tot een Dryosaurus grandis, 'de grote'. Tegenwoordig wordt begrepen dat het niet gaat om een euornithopode maar een lid van de Coelurosauria dat nog geen aparte geslachtsnaam heeft gekregen. Verwarrend genoeg is dezelfde soort in 1920 door Charles Whitney Gilmore benoemd als Ornithomimus affinis.

In 1975 benoemde Galton in de negentiende eeuw in Engeland gevonden botten als een nieuwe soort van Dryosaurus: Dryosaurus canaliculatus. In 1977 besloot Galton hiervoor echter een apart geslacht te benoemen: Valdosaurus.

In de vroege twintigste eeuw vond een Duitse expeditie in de Tendaguruformatie van Duits-Oost-Afrika zeven skeletten die in 1919 door Hans Virchow werden beschreven als Dysalotosaurus lettowvorbecki maar in 1977 door Galton in Dryosaurus werden geplaatst als een Dryosaurus lettowvorbecki. Hij zag zo weinig verschil tussen de vormen dat hij ze naar zijn mening net zo goed als één soort had kunnen beschouwen. Sinds 2010 ziet men Dysalotosaurus echter weer als een geldig geslacht. Dat betekent dat de literatuur tussen 1977 en 2010 op dit punt nogal verwarrend kan zijn: aangezien de Afrikaanse vondsten vollediger waren, hebben verwijzingen daarin naar de anatomie van Dryosaurus vaak op Dysalotosaurus betrekking.

In 2018 werd het materiaal uit Utah door Galton en Kenneth Carpenter benoemd als de aparte soort Dryosaurus elderae, in eerste instantie als een nomen nudum. De soortaanduiding eert wijlen Ann Schaffer Elder, een paleontologe die vaak met Carpenter had samengewerkt bij het bestuderen van fossielen uit Utah. Het holotype van deze soort is CM 3392, een skelet met schedel in 1910 geborgen door Earl Douglas in de Carnegie Museum Dinosaur Quarry, Morrisonformatie. Als paratypen zijn aangewezen: CM 11340, een skelet met schedel van een jong dier; CM 87688 braincase, een hersenpan en deel van het oorspronkelijke type van Uteodon McDonald, 2011); DINO 4619, en linkerdarmbeen; en DINO 1031, een rechterschouderblad.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Dryosaurus was een vrij laag gebouwde tweevoeter Dryosaurus is ongeveer drie meter lang en weegt honderd kilogram. Vaak wordt het dier veel te groot geïllustreerd, alsof het een heuphoogte had van anderhalve meter. In feite is die nog geen meter. Dryosaurus is een lage, langgerekte vorm, een tamelijk klein dier dat toch een hoog gewicht heeft door een stevige hoge romp. Galton schatte in 1981 de lengte van het holotype op 3,2 meter; Marsh' oorspronkelijke schatting van tien voet ofwel drie meter week hier weinig van af. CM 1949 schatte Galton echter op 4,2 meter gezien een dijbeen van zevenenveertig centimeter lengte. Een dier van die grootte zou een kwart ton hebben gewogen. Jack Horner stelde in 2009 dat uit de botstructuur waarneembaar was dat dit exemplaar nog groeide en dus niet het maximumformaat vertegenwoordigde.

Dryosaurus heeft een kleine gedrongen kop met grote ogen, die op een slanke maar vrij korte nek staat. De voorpoten zijn kort maar slank, met vijf korte vingers. De achterpoten zijn krachtig en lang met slechts drie tenen. Een zware horizontale staart hield de romp in balans. Het is waarschijnlijk dat het dier een lichaamsbedekking had van primitieve veren gecombineerd met schubben.