Youngina is een geslacht van uitgestorven reptielen, dat leefde in het Laat-Perm van Zuid-Afrika, circa 259 tot 254 miljoen jaar geleden.
Naamgeving De enige beschreven soort is de typesoort Youngina capensis, benoemd door Robert Broom in 1914.Broom, R. 1914. "A new thecodont reptile". Proceedings of the Zoolpgical Society of London, 1914: 1072-1077 De naam Youngina eert Mr John Young van het Hunterian Museum van Glasgow (niet te verwarren met de gelijknamige professor aan hetzelfde instituut). De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit de Kaapprovincie. left|thumb|upright|John Young Van verschillende later benoemde soorten wordt tegenwoordig gedacht dat het jongere synoniemen zijn van Youngina capensis. Broom zelf vermeldde in 1915 een Youngina gracilis, 'de lichtgebouwde'. Dit is een objectief jonger synoniem. Broom had een catalogus geschreven en daar voor het holotype de naam Youngina gracilis gebruikt. Eind 1914 stelde hij de schedel tentoon in de Zoological Society of London en had bij die gelegenheid de beschrijving gepubliceerd waarin Youngina capensis benoemd werd, vergetend dat hij al een andere naam bedacht had. Pas in 1915 werd de catalogus gedrukt en dat gegeven maakt Y. gracilis een objectief (dus op hetzelfde type betrekking hebbend) jonger synoniem.Fossil Vertebrates in the American Museum of Natural History, Volume 8. American Museum of Natural History. Department of Vertebrate Palaeontology, 1922 Een schedel (specimen FMNH 1528), die gevonden was bij de plaas Towerwater, werd door Everett Claire Olson in 1936 toegewezen aan Y. capensis.Olson, E.C. 1936. "Notes on the skull of Youngina capensis Broom". Journal of Geology, 44(4): 523-533 In 1937 veranderden hij en Broom van mening en ze maakten er een apart geslacht en soort Youngoides romeri van.Olson, E.C. and Broom R. 1937. "A further contribution to our knowledge of the fossil reptiles of the Karroo", Proceedings of the Zoological Society of London 107(3): 299-318 De geslachtsnaam betekent 'gelijkend op Youngina; de soortaanduiding eert Alfred Sherwood Romer. Naar huidige inzichten lijkt deze vorm zoveel op Youngina omdat Olson in eerste instantie gelijk had gehad en het er simpelweg een exemplaar van is. Voor dat dit inzicht algemeen doordrong, hadden Broom en zijn assistent John Talbot Robinson in 1948 nog een Youngoides minor, 'de kleinere', benoemd op basis van specimen RC 91, een schedel van lage kwaliteit in 1940 opgegraven door de gebroeders Kitching. Tegelijkertijd benoemden ze nog eens een nieuwe soort Youngopsis rubidgei gebaseerd op schedel RC 90, een gave schedel in 1939 gevonden door J.W. Kitching. De soortaanduiding eert Sidney H. Rubidge.Broom R. & Robinson J.T. 1948. "Some new fossil reptiles from the Karoo Beds of South Africa", Proceedings of the Zoological Society of London 118: 392-407 In 1937 had Broom al een Youngopsis kitchingi benoemd gebaseerd op schedel TM 1490, ter ere van James W. Kitching die deze fragmentarische vondst in 1937 ontdekt had. Christopher Ewart Gow begreep in 1975 dat al deze vormen, afkomstig uit dezelde geologische horizont, identiek waren aan Youngina en slechts schijnbaar afweken door tafonomische vervorming. Ook Acanthotoposaurus is gezien als een jonger synoniem. Reisz R.R., Modesto S.P. & Scott D. 2000. "Acanthotoposaurus bremneri and the origin of the Triassic archosauromorph reptile fauna of South Africa". South African Journal of Science 96: 443–445
Vondsten Het holotype AMNH 5561''' is in januari 1913 gevonden op de gemene gronden van Nieu Bethesda in het district van Graaff Reinet in de oostelijke Kaapprovincie. De lagen daar behoren tot de Tropidostoma-Dicynodon-assemblagezone van het Karoobekken die dateert uit het Lopingien. Het bestaat uit een schedel die de snuit mist en een stuk van de achterzijde, namelijk het quadratum en het quadratojugale. Daarnaast is een deel van de wervelkolom aanwezig, de achterste twaalf wervels vóór het bekken, twee sacrale wervels en zes staartwervels. Het maakt deel uit van de collectie van het American Museum of Natural History, waaraan de ontdekker Broom het had verkocht.Broom, R. 1915. "Catalogue of types and figured specimens of fossil vertebrates in the American Museum of Natural History. II.–Permian, Triassic and Jurassic reptiles of South Africa". Bulletin of the American Museum of Natural History 25(2): 105-164
Broom wees in 1922 een tweede specimen toe, TM 200, een skelet met schedel en hersenpan rond 1920 door de leraar I. Venter gevonden op acht meter van de positie van het holotype, welk nieuw skelet tijdens de amateuristische opgraving vrij zwaar beschadigd was geraakt.Broom, R. 1922. "An imperfect skeleton of Youngina capensis, Broom in the collection of the Transvaal Museum", Annales of the Transvaal Museum 8: 273-276 Andere vondsten uit dezelfde vindplaats als het holotype zijn de schedels RC 625, RC 626 (beide tussen 1936 en 1945 door Rubidge ontdekt) en RC 714 (door Rubidge ontdekt in 1940). Op de plaas Blaaukranz zijn de schedels GHG K 106 (ontdekt door A.W. Keyser) en GHG RS160 aangetroffen. Bij Von der Waltzhoek vond Kitching in 1946 de schedel BP 375, bij Klipplaat vond Kitching in 1951 de kleine schedel BP 2459, bij Beeldhouersfontein vond Kitching in 1958 de schedel BP 2871 en bij Doornplaas vond hij in 1964 het skelet met schedel BP 2859. left|thumb|SAM K7710 Tegen het eind van de twintigste eeuw begonnen nieuwe opgravingen het bekende materiaal sterk te vergroten. In 1995/1996 meldden Roger Smith en Susan E. Evans specimen SAM K7710, een blok met vijf in verband liggende skeletten van jonge dieren plus nog een losse achterpoot. Dit specimen werd wel gevonden in een zevenhonderd meter diepere laag die 2,3 miljoen jaar ouder zou zijn. Daarom werden ze voorzichtigheidshalve toegewezen aan een Youngina cf. capensis, hoewel er geen significante morfologische verschillen waren.Smith, R.M.H. and Evans, S.E. 1996. "New material of Youngina: evidence of juvenile aggregation in Permian diapsid reptiles". Palaeontology, 39(2): 289-303 In 2014 meldden Roger Smith en Jennifer Botha Brink nog eens vijf specimina. AM-PK-K1077 is een skelet met schedel en onderkaken. SAM-PK-K10818 is een blok met talrijke uit elkaar gevallen skeletten van jonge dieren. SAM-PK-K6205 bestaat uit een partij gedeeltelijke schedels. SAM-PK-K7578 is een verticaal geplette schedel. SAM-PK-K8565 is een gedeeltelijk skelet.Smith R.M.H. & Botha-Brink J. 2014. "Anatomy of a mass extinction: sedimentological and taphonomic evidence for drought-induced die-offs at the Permo-Triassic boundary in the main Karoo Basin, South Africa". Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology. 396: 99–118/ Supplemental
Kenmerken Van Youngina is vooral de schedel bekend. Het postcraniale skelet is niet goed bewaard gebleven, maar de lengte inclusief de staart wordt geschat op vijfendertig tot veertig centimeter. Daarbij moet bedacht worden dat wellicht alle gevonden exemplaren nog niet volgroeid waren. Schedel thumb|upright|De schedel van boven bezien De schedel is ongeveer vijf centimeter lang, langwerpig en puntig, met grote schedelvensters aan de achterkant van het hoofd en relatief grote oogkassen. Iedere oogkas heeft en scleraalring met een dozijn plaatjes. De snuit is relatief smal en loopt taps toe. De praemaxillae dragen ieder drie tanden; ze zijn vergroeid en lopen naar achteren door over het verhemelte. Het bovenkaaksbeen strekt zich ver naar achter uit tot voorbij de oogkas. Het draagt ongeveer twintig functionele tanden. Het gebit met puntige, conische tanden doet vermoeden, dat het dier over een krachtige beet beschikte en mogelijk schaaldieren op het menu had staan. De schedel is vergelijkbaar met die van de Petrolacosaurus uit de groep van de Araeoscelidia, maar heeft grotere schedelvensters met dikkere randen en een wandbeen (os parietale), waarvan de zijkanten zich naar beneden uitstrekken en kunnen hebben gediend als een aanhechtingspunt voor een deel van de kaakspieren. De schedel is bovenop glad met uitzondering van wat verruwingen op de voorhoofdsbeenderen. De wandbeenderen zijn achteraan sterk ingekeept. Er zijn tabularia gemeld maar het is de vraag of die identificatie correct is. Wel schijnen er supratemporalia en postparietalia te zijn en er is een duidelijk foramen pineale aanwezig. De opgaande tak van het jukbeen is kort. Het quadratojugale is groot. Net als bij Petrolacosaurus heeft het quadratum geen uitsparing aan de achterkant. Youngina heeft twee slaapvensters per zijde; in 1914 was Youngina de oudste bekende soort met dit kenmerk. Vaak wordt aangenomen dat dit een retentie is van de voorouderlijke situatie bij de diapsiden en niet een opnieuw verwerven van een onderste slaapvenster zoals bij de Archosauromorpha wordt verondersteld.
De marginale tanden zijn kegelvormig en staan vergroeid in diepe tandkassen. Ze zijn niet gekarteld. Hun bases zijn aan de tongzijde verdikt. Daarnaast staan er veel tanden in het verhemelte. Ieder ploegschaarbeen heeft een rij tandjes langs buitenrand en de binnenrand. De rij langs de binnenrand splitst zich over het laatste derde deel in twee rijen. Aan de voorste punt heeft ieder ploegschaarbeen twee of drie langere vangtanden. De volgende elementen, de verhemeltebeenderen, hebben ieder vier evenwijdige rijen tanden. Het achterste pterygoïde heeft twee rijen op het hoofdlichaam, drie rijen op de tak naar het verhemeltebeen en zes of zeven robuuste tanden op de neergaande tak. Het parasfenoïde is daarentegen tandeloos.
De stapes was zeer lang en robuust en lag schuin op de schedelwand. De schacht ervan is doorboord door een foramen voor de slagader. De schacht is duidelijk slanker dan de voetplaat die op de hersenpan rust en daarvan gescheiden door een zwak gedefinieerde nek. Dit element heeft bij Youngina zeer veel aandacht getrokken. Bij zoogdieren zou het een gehoorbeentje worden, de stijgbeugel, maar bij vroege diapsiden functioneerde het vermoedelijk voornamelijk als een verbinding tussen de hersenpan en het quadratum. Bij latere diapsiden werd het staafvormig en bracht trillingen over naar het binnenoor. Dat heeft de vraag opgeroepen of het ook niet bij de eerste soorten al een functie had in het gehoor. Gow bestudeerde daartoe in 1975 specimen TM 3603 in groot detail, als deel van een studie waarin veel exemplaren met zuur waren vrijgelegd.Gow, C.E. 1975. "The morphology and relationships of Youngina capensis Broom and Prolacerta broomi Parrington". Palaeontologia Africana, 18: 89-131 Evans zaagde het in 1987 doormidden om de interne structuur van de hersenpan bloot te leggen.Evans, S.E. 1987. "The braincase of Youngina capensis (Reptilia: Diapsida; Permian)". Neues Jahrbuch von Geologie und Paläontologie Monatshefte, 1987(4): 293-203 In 2010 kwamen Gardner e.a. na een CAT-scan van het holotype tot de conclusie dat Youngina de stapes niet gebruikte om te horen. Wel is een lang slakkenhuis aanwezig, een teken dat grondtrillingen beter konden worden opgevangen dan bij moderne slangen. Ook bleek een eerder veronderstelde beweeglijkheid, kinese, van de bovenkaak ten opzichte van de achterkant van de schedel niet aanwezig te zijn. Op de achterzijde van het quadratum zou geen trommelvlies gelegen hebben. Er was een verbeende niet doorboorde extrastapes aanwezig.Gardner, Nicholas M., Holliday, Casey M., and O'Keefe, F. Robin. 2010. "The Braincase of Youngina capensis (Reptilia, Diapsida): New Insights from High-Resolution CT Scanning of the Holotype". Palaeontologica Electronica 13(3); 19A: 16p Youngina is de meest basale vorm waarbij een fossa floccularis bekend is.Jennifer A. Clack, Richard R. Fay & Arthur N. Popper. 2016. Evolution of the Vertebrate Ear: Evidence from the Fossil Record, Springer International Publishing, 355 pp