thumb|Henri Bergson is wellicht de bekendste vertegenwoordiger van de levensfilosofie., Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, MCMLII, Desclée de Brouwer, p. 118-119. De levensfilosofie (Duits: Lebensphilosophie) is een filosofische stroming in de hedendaagse filosofie die ontstaan is in de tweede helft van de 19e eeuw en een belangrijke rol in de filosofie bleef spelen tot aan de Tweede Wereldoorlog. De levensfilosofie legt in haar denken vooral de nadruk op het creatieve en dynamische gebeuren van het leven zelf, waarvan zij betoogt dat dit niet te vatten is in traditionele wetenschappelijke of rationele termen. Het is dan ook sterk verbonden met het vitalisme, dat stelt dat het leven enkel vanuit een immanente levenskracht moet verstaan worden, en het irrationalisme, dat stelt dat de rede niet het geschikte middel is om de werkelijkheid te begrijpen. Het moet daarnaast ook gezien worden als een reactie op de in de 19e eeuw dominante scholen van het positivisme en het neokantianisme.
De voornaamste vertegenwoordigers waren Henri Bergson en Maurice Blondel in Frankrijk en Wilhelm Dilthey en Ludwig Klages in Duitsland. Vele levensfilosofen grepen ook terug op de kritiek op het rationalisme en de Verlichting aanwezig in het werk van Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche, die dan ook als voorlopers kunnen worden beschouwd. Deze stroming wordt vandaag de dag grotendeels als achterhaald beschouwd, maar heeft een historisch belang in de zin dat ze de wegbereider was van meer hedendaagse stromingen zoals de fenomenologie en het existentialisme.
In het alledaags gebruik wordt onder de term "levensfilosofie" ook wel de door een specifiek persoon gehanteerde levensbeschouwing verstaan. Een levensfilosofie van deze aard is dan vooral gericht op het antwoorden op de vraag naar zin van het leven.
Kenmerken Kenmerken die regelmatig terugkomen in het werk van levensfilosofen, hoewel niet bij elke schrijver, kunnen als volgt samengevat worden:Gedeeltelijk gebaseerd op , Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, p. 117-146. Leven centraal: in tegenstelling tot enerzijds het empirisme en materialisme die de stof centraal stellen, of het idealisme en rationalisme die het intellect centraal plaatsen, wil de levensfilosofie de wereld verklaren vanuit het perspectief van het leven. Biologie en geschiedenis centraal: terwijl vroegere filosofen vaak de natuurkunde een centrale rol gaven in hun denken, wordt deze rol bij levensfilosofen toegekend aan de biologie, onder anderen bij Henri Bergson, of ook de geschiedenis bij Wilhelm Dilthey. Antimechanisme: het leven en breder de werkelijkheid moeten niet worden begrepen als een machine, maar daarentegen als een evoluerend en creatief proces. De levensfilosofie is dan ook nauw verbonden met de stelling van het vitalisme dat stelt dat het leven moet verklaard worden aan de hand van een speciale levensdrang eigen aan het leven zelf. Actualisme: de werkelijkheid ontbreekt volgens de levensfilosofie elke vorm van stabiliteit en moet daarentegen begrepen worden als een voortdurend proces van verandering, beweging, wording en leven. Irrationalisme: de levensfilosofie heeft ook een eigen wetenschapsfilosofie waarin vooral een algemene afkeer voor redelijke wetten, begrippen en logische deducties geldt. De (wetenschappelijke) rede is niet capabel om de werkelijkheid geheel te begrijpen. Het leven en de werkelijkheid moeten daarentegen begrepen worden vanuit de intuïtie of de praktische ervaring. Realisme: levensfilosofen, in tegenstelling tot idealisten, hangen een vorm van realisme aan, wat inhoudt dat ze geloven dat de wereld los van het menselijke denken bestaat. Immanentie: een ander kenmerk is de afkeer voor de drang naar transcendentie en de nadruk op immanentie. De mens moet zijn blik niet richten op eventuele structuren, principes of begrippen die de mens overstijgen, maar moet zich richten op het hier en nu; de mens moet niet verlangen naar een andere, betere en hogere wereld, maar moet deze wereld centraal plaatsen. Aforistische stijl: De inzichten van de levensfilosofie worden vaak ook in aforistische of literaire stijl neergeschreven. Ten dele is dit te wijten aan de overtuiging dat de ware inzichten van het leven niet in een theoretisch kader te vatten zijn. Verder typeerden de teksten van de levensfilosofie zich ook vaak door hun hoge literaire kwaliteit en het ontbreken van filosofisch jargon. Dit is terug te vinden in het werk van Arthur Schopenhauer, de aforistische schrijfstijl van Friedrich Nietzsche en de bekroning van het werk van Henri Bergson met de Nobelprijs voor de Literatuur in 1927. Hiernaast kan men de levensfilosofie ook min of meer opdelen in vier verschillende scholen:
Voorlopers thumb|180px|Christian Wolff. De oorsprong van de levensfilosofie gaat terug op Christian Wolff (1679 - 1754), die in zijn werk het onderscheid maakt tussen een theoretische "schoolfilosofie" enerzijds en een filosofie die gericht is op de praktische kant van het leven zelf anderzijds. Andere namen die worden geassocieerd met de vroegste vorm van "levensfilosofie" zijn Johann August Ernesti (1707 – 1781) en Johann Georg Heinrich Feder (1740 – 1821)., "The Beauty and Terror of "Lebensphilosophie": Ludwig Klages, Walter Benjamin, and Alfred Baeumler", South Central Review, Vol. 23, No. 1, 2006, p. 25. In de 18e eeuw stond de term levensfilosofie vooral voor een levens- en wereldwijsheid en niet zozeer voor een concreet soort filosofie. Het ging meer om een modetrend of een culturele stroming die de nadruk legde op praktische kennis en zich afzette tegen een te sterke nadruk op de theorie. Karakteriserend is de vers van Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832) dat stelt:
Ook in de Sturm und Drang en Romantiek vond de levensfilosofie nieuwe inspiratie. Voor denkers uit die tijd, zoals Novalis (1772 - 1801), was niet zozeer de rede, maar daarentegen het leven en de daarmee verbonden gevoelens en overtuigingen het belangrijkste. Het leven en de natuur, gecontrasteerd met de theorie en cultuur, is ook een centraal thema binnen het werk van Jean-Jacques Rousseau (1712 - 1778). De verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724 - 1804) reageerde fel tegen dit soort filosofie in zijn tekst Über den Gemeinspruch: Das mag in der Theorie richtig sein, taugt aber nicht für die Praxis (1794).
Een ander voorloper van de levensfilosofie vindt men in Friedrich Schlegel (1772 - 1829), die op zijn beurt in Vorlesungen über die Philosophie des Lebens (1827) een sterke kritiek uit op systeemfilosofen zoals Kant of G.W.F. Hegel (1770 – 1831).
Geschiedenis en vertegenwoordigers Pas in de tweede helft van de 19e eeuw kan men van de levensfilosofie als een echte stroming spreken. Ze bevatte evengoed veel van de ideeën die al bij de voorlopers terugkwamen, maar radicaliseerde en extrapoleerde ze en bouwde ze uit tot een volwaardige filosofie door toedoen van enkele excentrieke denkers.
Doch men moet het ontstaan van de levensfilosofie niet losrukken van het historisch kader waarin haar geboorte plaatsvond. Een cruciale factor was bijvoorbeeld Charles Darwin (1809 – 1882) en zijn evolutietheorie. Deze theorie had tot het gevolg dat men de mens en de samenleving ging "biologiseren": alles werd geïnterpreteerd in functie van overleving en natuurlijke selectie. De mens werd niet meer gezien als een wezen dat volledig anders was dan de dieren, maar slechts als een van hen, hoewel hij wel vaak hoger op de evolutionaire ladder werd geplaatst. Hierdoor stond de deur open voor de levensfilosofie, die deze tendens maar moest uitbreiden en doortrekken tot alle gebieden van de werkelijkheid.
Een tweede element dat het pad voor de levensfilosofie heeft vrijgemaakt was de situatie aan de Duitse universiteiten in de tweede helft van de 19e eeuw. De Duitse regering besloot toen een sterke censuur op te leggen aan de Duitse universiteiten. Dit trof ook echter de filosofie, in die zin dat slechts de door de staat geaccepteerde filosofie mocht worden uitgedragen en de filosofie zich beperkte tot de kennistheorie en de logica. Het Duitse publiek had echter ook behoefte aan andere filosofie, een ethiek of metafysica, een filosofie die een leidraad kon zijn voor het leven. Om deze leegte op te vullen ontstonden er in Duitsland een groep filosofen die los van het academische denken een eigen filosofie uitwerkten. Filosofen als Arthur Schopenhauer (1788 - 1860) en Friedrich Nietzsche (1844 – 1900) zijn hier beiden goede voorbeelden van. Schopenhauer had wel een filosofische opleiding genoten, maar heeft maar voor korte tijd filosofie gedoceerd, toen hij nog geen bekendheid genoot. Hij leefde van zijn erfenis en heeft dus nooit echt moeten werken; zelf stelde hij dat hij leefde voor de filosofie en niet van de filosofie. Nietzsche was zelfs geen filosoof van opleiding, maar filoloog en heeft nooit een college filosofie gegeven. Het denken van deze voorlopers van de levensfilosofie is tot het publiek gekomen via hun geschriften die opvallen door de afwezigheid van filosofisch jargon en los van de academische circuits werden verspreid.Zie , "The hero as outsider" in & (red.), The Cambridge Companion to Nietzsche, Cambridge University Press, Cambridge, 1996, p. 74.
Ten derde is ook de politieke factor belangrijk: politieke nederlagen, zoals in het geval van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, hadden hun weerslag in de filosofie. De Duitse nederlaag zorgde voor een opleving van de zogenaamde Duitse Lebensphilosophie, die op haar beurt ook haar invloed had op de opkomst van het nationaalsocialisme."continental philosophy", Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica, Online.Encyclopædia Britannica Inc., 2012 bezocht op 06-08-2012.
thumb|left|180px|Arthur Schopenhauer.
Schopenhauer en Nietzsche De voornaamste voorloper en inspiratiebron van de levensfilosofie was de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer. Zijn filosofie is grotendeels uiteengezet in Die Welt als Wille und Vorstellung (1818, 1844). Hierin bekritiseerde hij voornamelijk idealistische filosofen als J.G. Fichte (1762 — 1814) en Hegel die hij verweet een te grote nadruk te leggen op de rede en het intellect. Zelf was hij een volgeling van Kant en behield diens onderscheid tussen het "ding zoals wij het zien" en het "Ding an sich". De werkelijkheid op zich is onkenbaar en onbereikbaar voor onze zintuigen.
Schopenhauer stelt echter ook dat er een andere manier is om het Ding an sich te kennen: als men in zichzelf kijkt, ervaart men dat de mens niet meer is dan de uiting van een allesomvattende Wil die achter alle fenomenen schuilgaat. De werkelijkheid zoals wij ze ervaren is dus in feite slechts een illusoire sluier die over de werkelijkheid zoals ze echt is ligt: in werkelijkheid is de wereld niets anders dan een Wereldwil die zonder redelijk principe steeds maar nieuwe fenomenale manifestaties, zoals de mens, voortbrengt om aan haar eigen willen tot uiting te brengen. De wereld is dus allesbehalve rationeel en goedaardig en de rede staat zeker niet centraal. De wereld is onverschillig tegenover de mens en de mens zelf is in de eerste plaats een "willend" wezen: hij verlangt steeds naar zaken, zonder rationele grond, maar slechts op basis van emoties en driften.
thumb|180px|Friedrich Nietzsche. De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, die een volgeling van Schopenhauer was, stond bekend om zijn scepticisme tegenover de rede, de wetenschap en het moderne ideaal van de zoektocht naar de waarheid. In zijn eerste boek, Die Geburt der Tragödie (1872), stelde hij al vast dat de menselijke conditie wordt bepaald door een tegenstelling tussen twee verschillende krachten: enerzijds was er de redelijke en kalme apollinische kracht en anderzijds de uitbundige en verspillende dionysische kracht; een tegenstelling die hij ook terugvond in de klassieke Attische tragedie. Hij verbindt de dionysische kracht expliciet met de metafysische Wil van Schopenhauer.