De Eerste Slag bij El Alamein was een beslissende veldslag in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats nabij El Alamein in Egypte tussen 1 juli 1942 en 27 juli 1942. Aan de zijde van de asmogendheden vocht het Afrikakorps, onder het bevel van veldmaarschalk Erwin Rommel. De geallieerde zijde bestond uit het Britse Achtste Leger aangevoerd door generaal Claude Auchinleck. Deze slag liet de tweede en laatste opmars van de as-troepen in Egypte tot een halt komen bij El Alamein, dat op amper 106 kilometer van Alexandrië vandaan lag.

Achtergrond Terugtocht van Gazala Na de nederlaag bij Gazala in juni 1942 had het Achtste leger zich moeten terugtrekken van de Gazala-linie naar Mersa Matruh dat ongeveer 160 kilometer voorbij de grens met Egypte gelegen was. Generaal Neil Ritchie had besloten om de verdedigingslijn aan de grens van Egypte op te geven. Het plan voor de verdediging daar was gebaseerd op infanterie-eenheden, die enkele versterkte stellingen moesten behouden, en een sterke pantsereenheid, die achtergehouden werd in reserve om elke poging om de stellingen te penetreren of te omtrekken af te slaan. Aangezien Ritchie bijna geen enkele pantsereenheden over had die nog geschikt waren voor de strijd zou de infanterie daar volledig onder de voet gelopen worden.

Het plan voor de verdediging van Mersa Matruh was net hetzelfde als voor de grens van Egypte, maar Ritchie geloofde, dat hij de infanterie hier zo zou kunnen opstellen dat ze de mijnenvelden kon beschermen. Zo zouden ze verhinderen dat As troepen een opening in het mijnenveld konden vrijmaken voor de Duitse pantserdivisies. Als de mijnenvelden intact bleven, zou de infanterie in staat zijn de posities te verdedigen zonder de hulp van pantservoertuigen.

Om de Mersa Matruh-linie te verdedigen plaatste Ritchie de 10e Indische Infanteriedivisie in Mersa Matruh zelf en de 50e Indische Infanteriedivisie ongeveer 24 km verder naar de kust in Gerawla. De beide divisies werden onder het bevel van het nieuw, net uit Syrië gearriveerde, X Korps geplaatst. Verder naar het binnenland toe zat de 5e Indische Infanteriedivisie rond Sidi Hamza samen met de 1e Pantserdivisie die het bevel over de 4e en 22e Pantserbrigades had overgenomen van de 7e Pantserdivisie, deze divisies stonden onder het bevel van het XIII Korps.

Op 25 juni verving Claude Auchinleck, die opperbevelhebber in het Midden-Oosten was, Neil Ritchie en nam zelf het bevel over het Achtste Leger op zich. Hij besloot om geen confrontatie aan te gaan bij Mersa Matruh, omdat deze in het zuiden een open flank had en Rommel dit al eens in zijn voordeel had benut bij Gazala. Hij besloot in plaats daarvan om ongeveer 160 kilometer terug te trekken in oostelijke richting naar El Alamein waar de steile hellingen van de Qattara-depressie het onmogelijk maakte voor tanks om langs de zuidelijke flank een omtrekkende beweging uit te voeren.

Slag bij Mersa Matruh Terwijl Auchinleck bezig was met de El Alamein-linie voor te bereiden, voerde hij nog verschillende vertragingsacties uit. Eerst bij Mersa Matruh op 26 en 27 juni en dan in Fuka op 28 juni. Het laattijdig veranderen van de bevelen leidde tot wat verwarring in de voorste formaties van het X Korps en XIII Korps. Deze verlangden ernaar om de vijand aan te vallen, maar moesten ook terug zien te trekken op een ordelijke manier aangezien ze niet de intentie hadden om klemgezet te worden in de Mersa Matruh positie. Het resultaat was een slechte coördinatie tussen de twee voorste korpsen en de eenheden onder hen.

Laat op de avond van 26 juni slaagde de 90e Lichte Infanteriedivisie en de 21e Pantserdivisie erin om zich een weg te banen door het mijnenveld in het centrum van het front. Maar op de ochtend van 27 juni werd de opmars van de 90e Lichte Infanteriedivisie gestuit door de artillerie van de 50e Indische Infanteriedivisie. Ondertussen rukten de 15e en 21e Pantserdivisies op naar Minqar Qiam. De 15e Pantserdivisie werd echter tegengehouden door de 4e Pantserbrigade en de 7e Gemotoriseerde Brigade, desalniettemin kreeg de 21e Pantserdivisie het bevel om de aanval toch door te zetten en Minqar Qiam aan te vallen. Rommel beval de 90e Lichte Infanteriedivisie om haar opmars te hervatten, eisend dat de kustweg, die zich achter de 50e Indische Infanteriedivisie bevond, tegen de avond zou zijn afgesneden.

Toen de 21e Pantserdivisie Minqar Qiam naderde, werd de 2e Nieuw-Zeeland-Divisie omsingeld. Ze slaagde er echter in om uit te breken in de nacht van 27 juni zonder veel verliezen te lijden en trok naar het oosten terug. Auchinleck had een tweede vertraging manoeuvre gepland nabij Fuka, ongeveer 48 km ten oosten van Mersa Matruh. Om 19.20 uur gaf hij het bevel terug te trekken naar Fuka, maar door verwarring in de communicatie trokken sommige divisies direct terug naar de El Alamein-linie.

Ondertussen had het X Korps, dat er niet in geslaagd was zijn positie op de helling te beveiligen, rond 19.30 uur alle contact verloren met het Achtste Leger, dit werd pas hersteld om 04.30 uur de volgende morgen. Toen ontdekte het pas dat het bevel om terug te trekken al geven was. Doordat het XIII Korps ondertussen al teruggetrokken was, lag de zuidelijke flank van het X Korps aan de kust nabij Mersa Matruh nu onbeschermd en zijn route om terug te trekken was gecompromitteerd doordat de kustweg 27 kilometer ten oosten van Mersa Martuh afgesneden was. Het X Korps kreeg het bevel om uit te breken naar de woestijn en van daaruit naar het oosten te trekken.

Achinleck beval het XIII Korps om ondersteuning te bieden tijdens te uitbraak van het X Korps, maar het bevond zich niet in een geschikte positie om dit te doen. Op 28 juni rond 21.00 uur trok het X Korps, opgedeeld in verschillende brigades, naar het zuiden. Er heerste grote verwarring in de duisternis toen men op enkele vijandelijke eenheden stuitte die in de buurt gelegerd lagen voor de nacht. In het bijzonder bij de 10e Indische infanteriedivisie die veel verliezen leed, inclusief de totale vernietiging van de 29e Infanterie Brigade nabij Fuka. De As nam meer dan 6.000 gevangenen en maakte 40 tanks en veel voorraden buit.

Verdediging bij El Alamein thumb|Britse infanterie verdedigt El Alamein El Alamein zelf was een onbeduidend spoorwegstation aan de kust. Ongeveer 16 kilometer naar het zuiden lag de Ruweisat-bergkam, een lage steenachtige bergkam die een uitstekend observatiepunt vormde over verschillende kilometers woestijn. 32 kilometer naar het zuiden van de bergkam lag de Qattara laagte. De Britse verdedigingslinie strekte zich uit van de kust tot aan de Qattara laagte, wat betekende dat Rommel een enorme omweg door de woestijn zou moeten nemen om rond hun flank te kunnen trekken. Het Britse leger in Egypte had dit al voor de oorlog ingezien en had het Achtste Leger enkele stellingen laten voorbereiden, waarvan de best voorbereide rond het spoorwegstation lagen. Het merendeel van de linie bestond echter gewoon uit open woestijngebied. Luitenant-generaal Norrie organiseerde de posities en begon drie verdedigingsstellingen voor te bereiden. De eerste en sterkste nabij El Alamein, tegen de kust, was voorzien van een uitgegraven verdedigingswerk en gedeeltelijk uitgerust met een mijnenveld en prikkeldraad door de 1e Zuid-Afrikaanse Infanteriedivisie. De Bab el Qattara-stelling, die zich zo’n 32 kilometer van de kust en 13 kilometer ten zuidwesten van de Ruweisat-bergkam bevond, beschikte ook over een uitgegraven verdedigingswerk maar was niet uitgerust met een mijnenveld of prikkeldraad en bij de Naq Abu Dweis-stelling, aan de rand van de Qattara laagte, waren bijna geen voorbereidingen getroffen.

De Britse situatie in Egypte stond nu op een kritiek punt. De nederlaag bij Mersa Matruh had paniek veroorzaak in het Britse hoofdkwartier te Caïro. Later op de dag begonnen de Britten alle vertrouwelijke papieren te verbranden in afwachting van As troepen die de stad zouden binnenvallen. Deze dag werd toepasselijk “Aswoensdag” genaamd op het Britse hoofdkwartier alsook bij de achterste troepenformaties en de Britse Ambassade. Alhoewel hij ervan overtuigd was dat hij Rommel kon stoppen bij El Alamein, voelde Auchinleck dat hij niet kon negeren dat de mogelijkheid bestond dat zijn leger weer onder de voet zou worden gelopen of dat Rommel weer een flank manoeuvre zou uitvoeren. Daarom geloofde Auchinleck dat hij, om zijn leger in stand te houden, een plan moest opstellen om nog verder terug te trekken en ondertussen het moreel hoog te houden en de steun en medewerking van de Egyptenaren te bewaren. Er werden verdedigingsstellingen aangelegd ten westen van Alexandrië en op de routes die naar Caïro leiden, ondertussen werden ook aanzienlijke gebieden in de Nijldelta onder water gezet.

Ook de asmogendheden dachten dat de inname van Egypte nabij was, de Italiaanse leider Benito Mussolini, die een historisch moment voelde aankomen, vloog naar Libië om er zijn triomfantelijke intocht naar Caïro voor te kunnen bereiden.

Dat het X Korps volledig uit elkaar was gedreven dwarsboomde de plannen van Auchinlecks om deze de El Alamein-linie te laten bezetten. Op 29 juni beval hij het XXX Korps om hun posities aan de kustsector, rechts van het front, in te nemen en het XIII Korps om hetzelfde te doen aan de linkerzijde van het front. Wat nog overbleef van de 1e en 7e Pantserdivisie zou dienen als een mobiele leger reserve. Het was Auchinlecks intentie dat de defensieve posities de vijand zouden kanaliseren en desorganiseren, zodat de mobiele reserve in de flank en rug van de vijand kon aanvallen.

Op 30 juni naderde Rommels Afrikakorps de El Alamein posities. De As-eenheden waren uitgeput en sterk onderbemand. Toch bleef Rommel hen onverbiddelijk voorwaarts sturen in de overtuiging dat, mits hij toesloeg voor het Achtste Leger de kans had gekregen zich op te stellen, zijn momentum hem door de El Alamein-linie zou helpen en hij zo kon oprukken naar de Nijl zonder veel tegenstand.

De bevoorrading bleef met problemen kampen omdat men bij het As-commando een pauze van 6 weken verwachtte na de inname van Tobroek. Ondertussen bleken de buitgemaakte voorraden zeer goed van pas te komen, maar water en munitie was slechts beperkt leverbaar, terwijl een groot tekort aan transportmiddelen het verspreiden van voorraden die wel beschikbaar waren belemmerde.

Aanvalsplan thumb|Kaart van het slagveld De 90e Lichte Infanteriedivisie en beide pantserdivisies van het Afrika Korps zouden de linie van het Achtste Leger tussen El Alamein en Deir El Abyad penetreren. Daarna zou de 90e Lichte Infanteriedivisie naar het noorden oprukken en de kustweg afsnijden, om zo de verdedigers van de El Alamein-stelling in de val te laten lopen. Het Afrika Korps zou naar rechts oprukken om zo het XIII Korps in de rug aan te vallen.

Vanuit het westen zou er een Italiaanse divisie de El Alamein-stelling aanvallen en een andere divisie zou de 90e Lichte Infanteriedivisie volgen. Het Italiaanse XX Korps zou het Afrika Korps volgen en afrekenen met de Qattara-stelling terwijl de Littoro-Divisie en Duitse verkenningseenheden hun rechterflank zouden beschermen.

De strijd Het Afrikakorps valt aan thumb|Matilda tanks bij Tobroek Op 1 juli rukte de 90e Lichte Infanteriedivisie op richting het oosten, maar ze dwaalde te ver af naar het noorden en kwam onder vuur te liggen van de 1e Zuid-Afrikaanse Infanteriedivisie waardoor ze klem zaten. De 15e en 21e Pantserdivisie werden opgehouden door een zandstorm en later door een zware luchtaanval. Het was pas tegen klaarlichte dag dat ze rond Deir el Abyad gecirkeld waren, waar ze in het oosten de 18e Indische Infanteriebrigade aantroffen, die na een haastige reis vanuit Irak de blootgestelde positie op 28 juni had ingenomen net ten westen van Deir el Shein en ten oosten van Deir el Abyad om er een van generaal Norries extra defensieve posities te creëren.