De Noord-Afrikaanse Veldtocht was de strijd tussen de geallieerden en de asmogendheden in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog. De veldtocht begon in 1940, toen Italië zich in de Tweede Wereldoorlog mengde, en eindigde op 13 mei 1943 met de overgave van de laatste Duitse en Italiaanse troepen in Tunesië.

In september 1940 viel Italië vanuit haar kolonie Libië Egypte binnen. De opmars stokte al snel en in december en januari veroverde een Brits tegenoffensief het oosten van Libië. In februari 1941 heroverde het Duitse Afrikakorps onder Erwin Rommel het gebied, met uitzondering van Tobroek dat belegerd werd. In november 1941 werd het weer door de Britten veroverd, maar in januari 1942 rukte Rommel op tot Gazala. In juni 1942 versloeg hij daar de Britten en stootte door tot El Alamein. In november 1942 werd Rommel er beslissend verslagen door Bernard Montgomery terwijl tegelijkertijd geallieerde troepen landden in de Franse koloniën Marokko en Algerije. De asmogendheden probeerden ze van Tunesië uit terug te werpen maar werden in de tang genomen en verpletterd.

De campagne kenmerkte zich door grote tankslagen en de eerste inzet van Britse commando's van de SAS, die een nieuwe tactiek toepasten van kleinschalige operaties ("raids") achter de vijandelijke linies. De geallieerden voorkwamen dat het Suezkanaal en de toegang tot de olievelden in het Midden-Oosten in handen zouden vallen van de asmogendheden en verwierven een springplank voor landingen in Italië en Zuid-Frankrijk.

Uitgangssituaties Italië De grote Duitse successen op het Europese vasteland in 1939 en 1940 gaven Mussolini het idee dat zijn troepen Hitlers veroveringen elders konden evenaren om in Afrika een nieuw Romeins Rijk te vestigen. Sinds zijn machtsovername in 1922 was de fascistische leider blijven dromen van een imperium dat het klassieke Romeinse Rijk evenaarde.

Italië miste echter de economische en militaire middelen om de dromen van Il Duce ('de Leider') te verwezenlijken. Italië was nu eenmaal veel minder geïndustrialiseerd dan Duitsland of het Verenigd Koninkrijk en de publieke opinie liep niet warm voor nieuwe veroveringen. Aan de bestaande Italiaanse koloniën: Italiaans-Libië, de Dodekanesos, Italiaans-Eritrea en Italiaans-Somaliland had men volgens velen de handen al vol. Toch voegde Mussolini in 1936 daar Abessinië (Ethiopië) aan toe in de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog. Drie jaar later werd Albanië onder de Italiaanse kroon gebracht. Zowel het Abessijnse en het Albanese leger waren niet in staat om blijvend de Italiaanse legers te weerstaan, hoewel de oorlogen en de daaruit voortvloeiende sancties een zware wissel op de toch al zwakke economie trokken, verergerd door een dure interventie in de Spaanse Burgeroorlog. Politiek raakte Italië door dit gedrag steeds meer geïsoleerd en zag het zich gedwongen toenadering te zoeken tot Duitsland. Aanvankelijk was Mussolini zich er echter van bewust dat zijn leger nog niet klaar was voor oorlog tegen sterkere tegenstanders en leek hij de kat uit de boom te kijken. Wisselende plannen na september 1939 om Joegoslavië of Griekenland binnen te vallen, kwamen niet tot uitvoering. Het leger werd gemobiliseerd maar geconcentreerd aan de Franse grens.

Toen Frankrijk in juni 1940 bijna was verslagen, leidde dit tot het omslaan van de stemming in Italië. Plotseling hoopten Mussolini en verschillende kopstukken in de fascistische partij en de politiek (tot de koning toe) dat de Duitse overwinning een uitgemaakte zaak was en dat Italië in die overwinning kon meedelen door nog snel op de Duitse trein te springen. Weifelaars sloten zich bij de haviken aan, tegenstanders hielden hun mond. Op 10 juni 1940 verklaarde Mussolini de oorlog aan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Na de nederlaag van Frankrijk en mogelijk ook het Verenigd Koninkrijk, zouden immers de koloniën van die grootmachten verdeeld worden, en met de val van Frankrijk leek die nederlaag een uitgemaakte zaak.

Mussolini viel op 11 juni 1940 Frankrijk aan. Al was Frankrijk grotendeels onder de voet gelopen door Duitsland, het kon nog voldoende weerstand bieden aan de Italianen, die vrijwel geen terrein in de Franse Alpen konden veroveren. De geallieerden waren bang geweest dat Mussolini opdracht had gegeven om Malta te veroveren, waardoor de Britse scheepvaartroute in de Middellandse Zee in het geding kwam. Mussolini had echter zijn hoop gevestigd op een wapenstilstandsconferentie met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, iets wat hij op 2 september 1939 ook tevergeefs had voorgesteld. Hij hoopte daarbij zijn verlangens ten aanzien van de Britse en Franse gebieden rond de Middellandse Zee te kunnen verwezenlijken. Zover kwam het echter niet, want hoewel Frankrijk werd verslagen, kregen de asmogendheden het Verenigd Koninkrijk niet op de knieën. De wapenstilstand met Frankrijk was een deceptie voor Mussolini omdat hij slechts enkele grensgebieden mocht annexeren; de Franse kolonieën waren hierdoor feitelijk buiten bereik, hoewel nog steeds troepen paraat werden gehouden om Nice, Corsica en Tunesië te bezetten, mocht de gelegenheid zich voordoen. Slechts Britse gebieden bleven nog over. Wel wist Italië in augustus 1940 een bescheiden overwinning te behalen door Brits-Somaliland te bezetten, waar de zwaar in de minderheid zijnde Britse bezettingstroepen slechts lichte weerstand boden en de kolonie evacueerden.

Al snel bleek Il Duce zijn veroveringsdrang niet te kunnen beheersen en liet hij zijn leger het door de Britten bezette Egypte aanvallen.

Militair Bevelstructuur Maarschalk Pietro Badoglio was de chef van de generale staf van de strijdkrachten, maar zijn positie als hoogste Italiaanse militair werd ondermijnd door Mussolini, die de ministerpost van de drie strijdmachtonderdelen bezette. Daardoor had de fascistische leider een bepalende stem over alle militaire plannen, wat ten koste ging van de efficiëntie, daar de drie onderdelen (landmacht, luchtmacht en marine) onafhankelijk van elkaar functioneerden. Badoglio werd eind 1940 vervangen door generaal Ugo Cavallero, die moest werken aan de communicatie en coördinatie tussen de verschillende militaire takken.

De Italiaanse troepen in Libië stonden aanvankelijk onder bevel van luchtmaarschalk Italo Balbo. Balbo kwam op 28 juni 1940 om het leven door Italiaans luchtafweer, die zijn vliegtuig ten onrechte als vijandelijk had geïdentificeerd. Het is echter nooit geheel uitgesloten dat Mussolini hem uit de weg heeft laten ruimen, omdat Balbo niet enthousiast was over Mussolini's veroveringsplannen. Balbo werd vervangen door maarschalk Rodolfo Graziani, de chef-staf van het leger. In Italiaans Somaliland en Abessinië was de hertog van Aosta de opperbevelhebber. Doordat de afstand tussen Italië en de kolonie groot was, had Mussolini hier minder invloed op de beslissingen van de militaire top.

Legersterkte In 1940 telde het Italiaanse leger 73 divisies. In totaal waren dit 1,6 miljoen man. De bedoeling was dat het aantal divisies werd uitgebreid naar 126, maar dat is er nooit van gekomen. Niet wegens een gebrek aan manschappen, maar omdat er een gebrek aan materieel was en men zo'n grote groep rekruten niet kon trainen. Van de 73 divisies bestond het overgrote deel uit infanteriedivisies. Zeventien infanteriedivisies hadden een zekere mate van mobiliteit, vergelijkbaar met de standaard gemotoriseerde Britse infanteriedivisies. De pantsersterkte van Italië was zeer beperkt. Het leger omvatte slechts drie pantserdivisies en had daarnaast de beschikking over twee gemotoriseerde en drie lichte divisies, bewapend met lichte wapens en oude pantservoertuigen. De pantserzwakte zou de Italianen later in de woestijnvlakte zwaar hinderen in de strijd tegen de geallieerden. De Italianen hadden echter ook de beschikking over enkele goed getrainde divisies. De beste eenheden waren de zes Alpendivisies, die geoefend waren in de bergen en in Noord-Italië en de Balkan werden ingezet. Toen Frankrijk verslagen was, werd in de zomer van 1940 de helft van het Italiaanse leger weer gedemobiliseerd om geld te besparen. Dit deed men door hele jaarcohorten uit de dienst te ontslaan wat tot een totale chaos leidde. Veel eenheden raakten blijvend onder sterkte.

Naast het reguliere leger waren er nog fascistische milities, de zogenaamde zwarthemden die georganiseerd waren in legioenen, bestaande uit twee infanteriebataljons. Iedere infanteriedivisie van het leger werd met een zwarthemdenlegioen versterkt. Dit werd gedaan om zowel de sterkte van de divisie op te voeren alsmede om de fascistische denkwijze in het leger te brengen. De zwarthemden kregen ook drie onafhankelijke divisies toebedeeld, die uitsluitend dienstdeden in Libië en waren geformeerd als een koloniale divisie van 8.000 man, terwijl een normale infanteriedivisie circa 13.500 manschappen telde.

De Italiaanse luchtmacht, de Regia Aeronautica, had in de jaren twintig en begin jaren dertig de reputatie opgebouwd van een innovatieve organisatie. Echter, aan het begin van de oorlog was de luchtmacht flink in verval geraakt. Doordat de luchtmacht te weinig geld had gekregen om de sterkte op peil te houden, waren de meeste vliegtuigen sterk verouderd en in beperkte aantallen aanwezig. Met name de jagers, de Fiat CR.32 en de Fiat CR.42, waren niet opgewassen tegen hun Britse tegenstander, de Hawker Hurricane.

De Italiaanse militaire sterkte in Libië was voorafgaand aan de strijd 250.000 man, 1.800 kanonnen, 350 (lichte) tanks en circa 8.000 vrachtwagens. De luchtmacht was zwak, maar de 150 gevechtsvliegtuigen staken getalsmatig positief af bij de sterkte van de Britse luchtmacht, daar de RAF in die dagen de prioriteit legde bij de Slag om Engeland.

De Italiaanse troepen waren verdeeld over twee legers. In Tripolitanië lag het 5e Leger onder leiding van generaal Italo Gariboldi. Het 5e Leger had de beschikking over zes infanteriedivisies en twee kleinere divisies zwarthemden. Het 10e Leger onder leiding van generaal Francesco Berti was gelegerd in de Cyrenaica en bestond uit drie infanteriedivisies, een Libische divisie en een divisie zwarthemden. Daar kwam vlak voor het begin van de aanval nog een tweede Libische divisie bij. De reden dat het 5e Leger meer troepen tot zijn beschikking had, was dat de Italianen aanvankelijk Tunesië wilden aanvallen. Echter, nu de prioriteit was gevestigd op Egypte, werden divisies van het 5e Leger spoedig overgebracht naar de regio van het 10e Leger, dat uiteindelijk uit tien divisies bestond.

Verenigd Koninkrijk thumb|De situatie in de zomer van 1940 De Britse troepen in Egypte stonden onder leiding van de opperbevelhebber van het Midden-Oosten, generaal Archibald Wavell. Hij had nog geen honderdduizend man voor een gebied dat bestond uit Palestina, Jordanië, Soedan, Irak en Egypte. In dat laatste land waren circa 36.000 man gelegerd. Tegenover de Italiaanse troepen aan de Libische grens lagen twee onderbemande divisies, te weten de 4e Indiase divisie en de Britse 7e Pantserdivisie. Hoewel beide divisies te weinig manschappen en materieel hadden, behoorden ze tot de best geoefende eenheden van het hele Britse leger.