thumb|Gustav Mahler in de periode waarin hij deze liederen componeerde (foto Leonhard Berlin-Bieber, 1892) Des Knaben Wunderhorn (De wonderhoorn van de knaap) is een door Gustav Mahler vanaf 1892 getoonzette selectie van twaalf anonieme Duitstalige volksliedteksten gepubliceerd in 1899 getiteld Humoresques.
Achim von Arnim en Clemens Brentano verzamelden anonieme Duitse volksliedteksten en publiceerden deze in gereduceerde vorm tussen 1805 en 1808. Sinds die tijd zijn verschillende van deze teksten door componisten als Mendelssohn, Schumann, Loewe, Brahms en Zemlinsky tot Lieder bewerkt. De specifieke term Lieder aus Des Knaben Wunderhorn slaat over het algemeen echter op liederen waarin Gustav Mahler gebruikmaakte van twaalf van deze teksten. Hoewel Mahler meer stukken heeft bewerkt uit de wonderhoorn, werden deze nooit expliciet gegroepeerd onder deze titel. De inhoud en volgorde varieerde per uitgave totdat de uiteindelijke vorm in 1901 werd bereikt.
De liederen De door Mahler zelf geschreven tekst voor Wenn mein Schatz Hochzeit macht, het eerste van zijn vier Lieder eines fahrenden Gesellen, is gebaseerd op het uit de Wunderhorn afkomstige gedicht Wann mein Schatz. De eerste echte bewerkingen van teksten uit de Wunderhorn bevinden zich in de Lieder und Gesänge die in 1892 gepubliceerd werden en later door de uitgever werden hernoemd tot Lieder und Gesänge aus der Jugendzeit. De negen Wunderhorn-bewerkingen eruit werden tussen 1887 en 1890 gecomponeerd en beslaan het tweede en derde deel van deze driedelige collectie voor zangstem en piano. De titels van deze negen nummers zijn als volgt:
Deel II: Um schlimme Kinder artig zu machen – Om stoute kinderen te leren goed te zijn Ich ging mit Lust durch einen grünen Wald – Ik ging lustig door een groen woud Aus! Aus! – Uit! Uit! Starke Einbildungskraft – Sterke verbeeldingskracht
Deel III: Zu Strassburg auf der Schanz – In de loopgraaf in Straatsburg Ablösung im Sommer – De wisseling van de wacht in de zomer Scheiden und Meiden – Scheiden en vermijden Nicht wiedersehen! – Geen weerzien! Selbstgefühl – Zelfverzekerdheid
Mahler begon in 1892 aan de volgende groep bewerkingen uit de Wunderhorn. Een verzameling van twaalf van deze liederen werd in 1899 gepubliceerd onder de titel Humoresques.
Hoewel de liederen uit de Lieder und Gesänge-verzameling voor piano en zangstem waren geschreven, dus geen door de componist geproduceerde orkestversie kenden, werden de Humoresques wel zo opgevat. Toch was Mahlers eerste stap het produceren van speelbare en publiceerbare stukken voor stem en piano. De titels uit deze collectie uit 1899 zijn:
Der Schildwache Nachtlied – Nachtlied van de schildwachten Verlor'ne Müh – Verloren moeite Trost im Unglück – Troost in het ongeluk Wer hat dies Liedlein erdacht?' – Wie heeft dit lied bedacht? Das irdische Leben – Het aardse leven Des Antonius von Padua Fischpredigt – De preek van Antonius van Padua voor de vissen Rheinlegendchen – Kleine Rijnlegende Lied des Verfolgten im Turm – Lied van de vervolgden in de toren Wo die schönen Trompeten blasen – Waar de mooie trompetten blazen Lob des hohen Verstandes – Lof van het beste weten Urlicht – Oerlicht Es sungen drei Engel – Er zongen drie Engelen, met koor
Een andere bewerking uit deze tijd was Das himmlische Leben - Het hemelse leven - uit februari 1892. Bij de publicatie in 1899 was dit lied al georkestreerd en gebruikt als laatste deel van Mahlers vierde symfonie. Daarom werd het niet gepubliceerd als onderdeel van de Wunderhorn-collectie.
Na 1901 werd Urlicht opgenomen in de tweede symfonie en Es sungen drei Engel in de derde. Zij werden uit de verzameling verwijderd en in latere edities vervangen door twee nieuwe liederen:
Revelge – Reveille Der Tamboursg'sell – De tamboer +Liedteksten en vertalingen1. Rheinlegendchen
Bald gras’ ich am Neckar,
bald gras’ ich am Rhein;
bald hab’ ich ein Schätzel,
bald bin ich allein!
Was hilft mir das Grasen,
wenn d’Sichel nicht schneid’t;
was hilft mir ein Schätzel,
wenn’s bei mir nicht bleibt!
So soll ich denn grasen
am Neckar, am Rhein,
so werf’ ich mein goldenes
Ringlein hinein.
Es fließet im Neckar
und fließet im Rhein,
soll schwimmen hinunter
in’s Meer tief hinein.
Und schwimmt es, das Ringlein,
so frißt es ein Fisch!
Das Fischlein soll kommen
auf’s König’s sein Tisch!
Der König tät fragen,
wem’s Ringlein sollt’ sein?
Da tät mein Schatz sagen:
„Das Ringlein g’hört mein!“
Mein Schätzlein tät springen
Berg auf und Berg ein,
tät mir wied’rum bringen
das Goldringlein mein!
Kannst grasen am Neckar,
kannst grasen am Rhein!
Wirf du mir nur immer
dein Ringlein hinein!Kleine Rijnlegende
Straks maai ik aan de Neckar,
straks maai ik aan de Rijn;
straks heb ik een schatje,
straks ben ik alleen!
Wat helpt mij het maaien,
als de sikkel niet snijdt;
wat helpt mij een schatje,
als ’t niet bij mij blijft!
Zou ik dus maaien
aan de Neckar en de Rijn,
dan werp ik mijn gouden
ringetje erin.
Het vliedt in de neckar
en vliedt in de rijn,
zal stroomafwaarts zwemmen
om diep in zee te zijn.
En als het daar zwemt,
dan slokt er een vis!
Het visje zal sieren
de koninklijke dis!
De koning zal vragen,
wie maak ik met het ringetje blij?
Dan zal mijn schatje zeggen:
“Dat ringetje is van mij!”
Mijn schatje zal rennen
berg op en berg af,
en brengt mij mijn ringetje
terug op een draf!
Kun je maaien aan de Neckar,
kun je maaien aan de Rijn!
Werp dan altijd voor mij
daarin jouw ringetje fijn.2. Verlorne Müh’!
Sie:
„Büble, wir!
Büble, wir wollen auße gehe!
Wollen wir?
Unsere Lämmer besehe?
Gelt! Komm! Komm! lieb’s Büberle,
komm’, ich bitt’!“
Er:
„Närrisches Dinterle,
ich mag dich halt nit!“
Sie:
„Willst vielleicht –
Willst vielleicht a bissel nasche?
Hol’ dir was aus meiner Tasch’!
Hol’, lieb’s Büberle,
hol’, ich bitt’!“
Er:
„Närrisches Dinterle,
ich nasch’ dir halt nit!“
Sie:
„Gelt, ich soll –
Gelt? ich soll mein Herz dir schenke?
Immer willst an mich gedenken.
Immer!
Nimm’s, lieb’s Büberle!
Nimm’s, ich bitt’!“
Er:
„Närrisches Dinterle,
ich mag es halt nit!
nit!“Verloren moeite !
Zij:
“ Jochie, wij!
Jochie, wij gaan naar buiten!
Zullen we?
Onze lammetjes gaan zien?
Huppie! Kom! Kom! lief jochie,
kom, alsjeblief!”
Hij:
“Raar kind,
ik mot je niet!”
Zij:
“Wil je misschien –
Wil je misschien iets snoepen?
Pak maar wat uit mijn zak!
Pak maar, lief jochie,
Pak wat, alsjeblief!“
Hij:
“Raar kind,
ik snoep niks van jou!”
Zij:
“Huppie, ik zal –
Huppie? ik moet je mijn hartje schenke?
zul je altijd aan mij denken.
altijd!
Neem ‘t, lief jochie!
Neem ‘t, alsjeblief!”
Hij:
“Raar kind,
ik mot je niet!
helemaal niet!”3. Trost im Unglück
Wohlan! Die Zeit ist kommen!
Mein Pferd, das muß gesattelt sein!
Ich hab’ mir’s vorgenommen,
geritten muß es sein!
Geh’ du nur hin!
Ich hab’ mein Teil!
Ich lieb’ dich nur aus Narretei!
Ohn’ dich kann ich wohl leben!
Ja leben!
Ohn’ dich kann ich wohl sein!
So setz’ ich mich auf’s Pferdchen,
und trink’ ein Gläschen kühlen Wein!
Und schwör’s bei meinem Bärtchen:
dir ewig treu zu sein!
Du glaubst, du bist der Schönste
wohl auf der ganzen weiten Welt,
und auch der Angenehmste!
Ist aber weit, weit gefehlt!
In meines Vaters Garten
wächst eine Blume drin!
So lang’ will ich noch warten,
bis die noch größer ist!
Und geh’ du nur hin!
Ich hab mein Teil!
Ich lieb’ dich nur aus Narretei!
Ohn’ dich kann ich wohl leben,
ohn’ dich kann ich wohl sein!
Du glaubst, ich werd’ dich nehmen!
Das hab’ ich lang’ noch nicht im Sinn!
Ich muß mich deiner schämen,
wenn ich in Gesellschaft bin!Troost in het ongeluk
Welnu! de tijd is gekomen!
Mijn paard, dat moet gezadeld zijn!
Ik heb het mij voorgenomen,
en rijden zal het zijn!
Ga maar weg!
Ik heb mijn deel!
Ik hou alleen van jou uit flauwekul!
Zonder jou kan ik best leven!
Ja, leven!
Zonder jou voel ik mij best goed!
Dus stijg ik op mijn paardje,
en drink een glas koele wijn!
En zweer bij mijn baardje:
jou eeuwig trouw te zijn!
Je denkt, dat je de mooiste bent
op de hele wereld,
en ook de aardigste!
Maar dat heb je goed mis!
In de tuin van mijn vader
groeit een bloem!
Zo lang wil ik nog wachten,
tot die groter is!
En ga nu maar weg!
Ik heb mijn deel!
Ik hou alleen van je uit flauwekul
Zonder jou kan ik best leven,
zonder jou voel ik mij best goed!
Denk je dat ik jou zal nemen!
Dat ben ik helemaal niet van plan!
Ik moet mij voor je schamen,
als ik in gezelschap ben!4. Wer hat dies Liedel erdacht?
Dort oben am Berg
in dem hohen Haus,
in dem Haus!
Da gucket ein fein’s, lieb’s Mädel heraus!
Es ist nicht dort daheime!
Es ist des Wirt’s sein Töchterlein!
Es wohnet auf grüner Haide!
Mein Herzle is’ wundt!
Komm’, Schätzle, mach’s g’sund!
Dein’ schwarzbraune Äuglein,
die hab’n mich verwund’t!
Dein rosiger Mund
macht Herzen gesund.
Macht Jugend verständig,
macht Tote lebendig,
macht Kranke gesund,
ja gesund.
Wer hat denn das schön schöne Liedel erdacht?
Es haben’s drei Gäns’ über’s Wasser gebracht!
Zwei graue und eine weiße!
Und wer das Liedel nicht singen kann,
dem wollen sie es pfeifen!
Ja!Wie heeft dit lied bedacht?
Daar boven op de berg
in het grote huis,
in het huis!
Daar kijkt een lief mooi meisje naar buiten!
Zij woont daar niet!
Zij is het dochtertje van de waard!
Zij woont op de groene heide!
Mijn hart is gewond!
Kom, schatje, maak het weer gezond!
Je bruinzwarte ogen,
die hebben mij verwond!
Je roze mond
maakt harten gezond.
maakt de jeugd verstandig,
maakt de doden levend,
maakt zieken gezond,
ja gezond.
Wie heeft nu dat mooi mooie lied bedacht?
Drie ganzen hebben het over het water gebracht!
Twee grauwe en een witte!
En wie het lied niet zingen kan,
die moet het dan maar fluiten!
Ja!5. Lob des hohen Verstandes
Einstmals in einem tiefen Tal
Kukuk und Nachtigall
täten ein’ Wett’ anschlagen.
Zu singen um das Meisterstück,
gewinn’ es Kunst, gewinn’ es Glück!
Dank soll er davon tragen.
Der Kukuk sprach: „So dir’s gefällt,
hab’ ich den Richter wählt,“
und tät gleich den Esel ernennen.
„Denn weil er hat zwei Ohren groß,
so kann er hören desto bos,
und, was recht ist, kennen!“
Sie flogen vor den Richter bald.
Wie dem die Sache ward erzählt,
schuf er, sie sollten singen!
Die Nachtigall sang lieblich aus!
Der Esel sprach: „Du machst mir’s kraus!
Du machst mir’s kraus! Ija! Ija!
Ich kann’s in Kopf nicht bringen!“
Der Kukuk drauf fing an geschwind
sein Sang durch Terz und Quart und Quint.
Dem Esel g’fi els, er sprach nur:
„Wart! Wart! Wart!
Dein Urteil will ich sprechen,
ja sprechen.
Wohl sungen hast du, Nachtigall!
Aber Kukuk, singst gut Choral!
Und hältst den Takt fein innen!
Das sprech’ ich nach mein’ hoh’n Verstand,
und kost’ es gleich ein ganzes Land,
so laß ich’s dich gewinnen, gewinnen!“
Kukuk, kukuk! Ija!Lof van het beste weten
Op een keer in een diep dal
gingen de koekoek en de nachtegaal
een weddenschap aan.
Wie het beste kon zingen,
winnen door kunst of door geluk!
Dank zal zijn deel zijn.
De koekoek sprak: “Als je het ermee eens bent,
heb ik de scheidsrechter gekozen,”
en hij benoemde meteen de ezel’
“Want die heeft twee grote oren,
en kan dus des te beter horen,
en, weten wat goed is!”
Zij vlogen onmiddellijk naar de scheidsrechter.
Toen zij hem de zaak hadden uitgelegd,
stelde hij voor dat zij meteen moesten zingen!.
De nachtegaal zong zoet!
De ezel sprak: “Ik ben er onderste boven van!
Helemaal onderste boven! Ija! Ija!
Ik kan er met mijn kop niet bij!”
De koekoek ving daarop vlug aan
zijn zang door de tertsen, kwarten en kwinten te sturen.
Dat beviel de ezel, hij sprak enkel:
“Wacht! Wacht! Wacht!
Ik zal mijn oordeel uitspreken,
ja uitspreken.
Jij hebt goed gezongen, nachtegaal!
Maar de koekoek brengt een goed koraal!
En houdt zich prima aan de maat!
Dat durf ik naar beste weten uit te spreken,
en zelfs al kost het een heel land,
Ik laat hem winnen, winnen!”