Jan Hendrik van Kinsbergen (Russisch: Ян Хендрик ван Кинсберген), graaf van Doggersbank (Doesburg, 1 mei 1735 - Apeldoorn, 24 mei 1819) was een Nederlandse zeeofficier, auteur en filantroop.
Van Kinsbergen behoorde tot een nieuwe generatie zeeofficieren die hun positie niet meer puur te danken hadden aan praktijkervaring of afkomst, maar ook aan een gedegen natuurwetenschappelijke ontwikkeling. Na een jeugd als soldaat liet Van Kinsbergen zich goed scholen en trad in dienst bij de Admiraliteit van Amsterdam. Vanwege de beperkte carrièremogelijkheden bij de Nederlandse marine ging hij in 1771 in dienst van Rusland. Daar verwierf hij zich roem in de strijd tegen het Osmaanse Rijk. Na terugkeer ging hij opnieuw voor de Amsterdamse admiraliteit werken. Hij ijverde daar voor de modernisering van het zeewezen, een onderwerp waarover hij vele publicaties liet verschijnen.
Tijdens de Slag bij de Doggersbank tegen de Britten in 1781 opereerde Van Kinsbergens flottielje relatief succesvol. Daardoor kreeg hij een reputatie als zeeheld en werd hij door stadhouder Willem V aangetrokken om de marinezaken te regelen. Al snel fungeerde Van Kinsbergen zo als feitelijk opperbevelhebber van de vloot en kreeg hij ook ruimere politieke invloed. Het lukte hem wel kleinere vloothervormingen door te voeren, maar niet om de trage confederale organisatie met vijf admiraliteiten te centraliseren.
In 1793 werd hij formeel bevelhebber in de rang van luitenant-admiraal. In 1795 werd hij door de Bataafse Republiek aan de kant geschoven, waarna hij tot 1806 een teruggetrokken bestaan leidde. Hij hield zich bezig met filantropie, hoewel hij nominaal in Deense dienst was getreden, als viceadmiraal. Na 1806 werd hij door het koninkrijk Holland gebruikt als symbool voor de verzoening met de oude Republiek, en werd hij benoemd tot maarschalk, admiraal en graaf. Na de inlijving van het land door het Franse Keizerrijk werd hij senator. Het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden zette de verzoenende politiek voort en in 1814 kreeg Van Kinsbergen weer de ererang van luitenant-admiraal.
Vroege carrière Van Kinsbergen werd op 1 mei 1735 geboren en op 4 mei gedoopt in Doesburg als de oudste zoon (van vier) van de onderofficier Johann Heinrich Kinsbergen (1706-1786) en Petronella ten Nuyl (1704-1771). Zijn vader, een geboren Duitser, voerde oorspronkelijk de familienaam "Ginsberg". Hij was eerst in Oostenrijkse dienst geweest en nam daarna dienst in het Staatse leger. Toen Jan Hendrik zes was, verhuisde hij met zijn ouders in 1741 naar Elburg. Daar kreeg hij les: onder andere in Frans, Duits en geschiedenis. In 1744, Jan Hendrik was toen negen jaar, vertrok hij samen met zijn vader met het Staatse leger naar de Zuidelijke Nederlanden om deel te nemen aan de Oostenrijkse Successieoorlog. De jonge Van Kinsbergen werd als jonker ingeschreven in de infanteriesectie van zijn vader. Hij hielp bij de verdediging van de citadel van Luik en van de vesting van Namen. Ook maakte hij verschillende veldslagen mee.Hall, M.C. van (1841)
In 1748, inmiddels dertien jaar, keerde hij weer terug naar Elburg, waar hij nog enige tijd naar school ging. Door het lezen van de biografie van Gerard Brandt over het leven van Michiel de Ruyter vatte hij het plan op om ook een groot admiraal te worden. Tussen 1751 en 1756 volgde hij een opleiding tot ingenieur te Groningen aan het Instituut voor de Zeevaart; daarnaast liet hij zich door een stuurman praktijklessen geven. In 1756 werd hij op voorspraak van generaal-majoor der infanterie Jetzo Edzard baron van Burmania adelborst op de Weststellingerwerf en op 16 maart 1758 luitenant-ter-zee op de Maarssen in dienst van de Admiraliteit van Amsterdam.
Twee van zijn jongere broers werden soldaat in het leger van Pruisen en de jongste, Jan Hermanus van Kinsbergen, maakte vanaf 1758 evenals Jan Hendrik carrière bij de Admiraliteit van Amsterdam. In 1769 ging hij werken voor de VOC, maar werd in 1770 voor het leven daaruit verstoten omdat hij met zijn schip de Leimuiden, met een lading goudstaven aan boord, was vastgelopen op de rotsen van het Kaapverdische eiland Boa Vista. Het schip ging verloren en Jan Hermanus keerde met 318 bemanningsleden vier maanden na de schipbreuk terug in de Republiek. Later zou hij op voorspraak van zijn oudere broer door de marine in dienst genomen worden als kapitein. In maart 1790 stierf hij aan een beroerte.
In 1761 ging Jan Hendrik over op de Amazone en op 13 oktober 1762 werd hij luitenant-commandeur van de Swieten. In zijn vrije tijd bleef hij een studie maken over de zeevaart. Hij publiceerde in 1767 een geschrift voor jonge officieren over de inrichting van oorlogsschepen, de Orders en Korte Instructiën betreffende de Zeedienst.
Faam in Russische dienst In die periode was er bijzonder weinig emplooi voor marineofficieren, en Van Kinsbergen diende een verzoek in om voor vier jaar naar Indië te mogen vertrekken, wat werd ingewilligd. Voor het echter zover kwam, werd hij via Johan Christiaan II Graaf van Solms-Baruth en Hendrik van Pruisen gepolst of hij geen betrekking in Rusland wilde aanvaarden, waar tijdens de Russisch-Turkse Oorlog (1768-1774) de vloot sterk werd uitgebreid en gemoderniseerd, en men op zoek was naar marine-experts. Op 15 augustus 1770 kreeg hij hiervoor verlof van de toenmalige admiraal-generaal, stadhouder Willem V. Die wilde echter Van Kinsbergen niet zomaar kwijt en men kwam de volgende regeling overeen: een jaar later zou Kinsbergen benoemd worden tot Nederlands kapitein, en als het vaderland weer drie jaar later behoefte aan hem had, zou hij moeten terugkeren. Op 15 augustus 1771 werd hij inderdaad extra-ordinaris kapitein-ter-zee.
Op dat moment was Jan Hendrik echter al via Berlijn, waar hij prins Hendrik bezocht, naar Sint-Petersburg afgereisd om op 29 september 1771 als kapitein-luitenant-ter-zee in Russische dienst te treden; de regeling met Willem hield hij geheim. Op 2 oktober 1771 werd hij al benoemd tot kapitein tweede klasse, en vertrok hij naar het Russische leger, dat zich toen bij de monding van de Donau bevond. Hij kreeg daar het bevel over een afdeling kozakken, leerde Russisch, en deed tot begin 1772 mee aan de landcampagne. Tijdens het gevecht werd hij door de knie geschoten, lag bedolven onder een stapel lijken en stervenden, en werd gered door een kozak. Later zou hij die nog laten aanstellen bij de marinewerf in Amsterdam.
Pas op 8 februari 1772 kreeg hij een opdracht die iets met zijn expertise te maken had: hij moest toen te Iaşi buitgemaakte scheepjes van de Turkse Donauvloot opkalefateren. Op 12 juni koos hij daadwerkelijk zee toen hij op een galjoot het bericht van een tijdelijke wapenstilstand moest overbrengen naar Azov. Bij terugkeer op 8 augustus kreeg hij hiervoor een beloning. Vanaf 12 november bracht hij als koerier geheime stukken van het leger naar het hof in Sint Petersburg. Aldaar werd hij voorgesteld aan de tsarina, en Van Kinsbergens enthousiaste plannen met de Zwarte Zeevloot overtuigden Catharina ervan dat het tijd was de jonge officier er ook een echt commando te geven.
Op 26 maart 1773 reisde hij weer af naar het zuiden waar hij op 23 april aangesteld werd in de functie van smaldeelcommandant in de Zwarte Zee. Zijn strijdmacht was zeer beperkt: slechts twee kleine fregatten van ieder veertien kanonnen, en twee jachten, waarmee hij moest patrouilleren ten westen van de Krim. Veel meer schepen had Rusland ook niet in deze wateren; de Russische hoofdvloot opereerde in de Egeïsche Zee na heel Europa te zijn omgevaren. Van Kinsbergen, vastbesloten nu naam te maken, nam zich voor zo agressief mogelijk op te treden als zijn geringe slagkracht maar toestond — overigens met volle instemming van zijn superieuren. Hij voer provocerend de Dardanellen in en beschoot, zonder veel effect, ook een kustfort van Istanboel tot de schade aan zijn vlaggenschip hem dwong zich terug te trekken.
Overwinningen Tweemaal versloeg hij dat jaar een Turkse vloot. Op 23 juni ontmoette hij een Turks flottielje van drie fregatten van 52 kanonnen en een brik van 75 kanonnen. Ondanks het verschil in vuurkracht viel hij met zijn twee scheepjes aan en het lukte hem alle vijandelijke schepen te overmeesteren. Dat heldenstuk baarde veel opzien in Rusland, en hij had al toestemming Sinopel aan te vallen, toen zijn opdracht gewijzigd werd in het onderscheppen van een Turks troepentransport naar de Krim met naar schatting 24 schepen, waaronder twaalf lichte fregatten, met vijfduizend man infanterie aan boord. In de morgen van 2 september kreeg hij de vijandelijke vloot in zicht bij het Turkse fort Soedzjoek-Kale, het huidige Novorossiejsk, maar ontving tegelijk een tegenorder om wegens de ongelijke krachtsverhoudingen maar van de onzinnige aanval af te zien. Van Kinsbergen verklaarde echter in bijzijn van zijn officieren dat zo'n bevel nooit echt kon zijn, liet de bode gevangennemen en zette de aanval door.
Hij had nu zes schepen — als versterking had hij een fregat van 32 kanonnen als vlaggenschip ontvangen en een brander — en het Turkse smaldeel bleek zwaarder te zijn dan verwacht met vier linieschepen, drie fregatten, vier lichte fregatten en zes transportschepen. De Turken voeren in overeenstemming met de heersende tactiek in een fraaie kiellinie, wat hun superioriteit in vuurkracht het meeste effect gaf. Van Kinsbergen paste daarom de voor die tijd moderne methode toe zijn krachten te concentreren en viel vanuit de loef de kop van de vijandelijke linie aan, zodat die in wanorde geraakte. Daarna doorbrak hij haar ondanks het draaien van de wind en bracht het vlaggenschip van de vijand tot zinken. De transportvloot zag nu af van een landingspoging. Zijn insubordinatie werd Van Kinsbergen snel vergeven; hem werd alle lof toegezwaaid en Catharina benoemde hem op 22 september 1773 tot ridder vierde rang in de Orde van Sint George, wat Van Kinsbergen toch wat tegenviel. Hij kreeg voor dezelfde overwinning later de eretitel 'Held van de Zwarte Zee'.
Hoewel Catharina de Grote hem graag in haar dienst had gehouden, ruim beloonde en hem alsnog benoemde tot ridder derde rang (in 1776 zelfs tweede rang) en hij ook werd bevorderd tot kapitein eerste klasse, verkreeg Van Kinsbergen in november 1774, na het einde van de oorlog, tijdelijk ontslag uit Russische dienst. De slechte vooruitzichten op een verdere promotie bewogen hem daartoe. In mei 1775 diende hij een verzoek in weer in Nederlandse zeedienst te gaan. In augustus 1775 verliet hij daadwerkelijk de Donvloot en reisde hij via Sint-Petersburg terug naar de Republiek; in december 1775 werd hem eervol ontslag uit Russische dienst verleend.
Opnieuw in dienst van de Republiek Van Kinsbergen werd weer aangesteld in Amsterdam, in de rang van ordinaris kapitein, wat veel verbazing wekte omdat de belofte van Willem V nooit bekend was gemaakt. Vanaf 17 mei 1776 tot oktober 1777 nam hij op de Amphitrite deel aan een expeditie naar Marokko en bracht als gezant de tekst over van een nieuw verdrag ter beperking van de kaapvaart, waarvan hij op 27 juni te Salé de ondertekening bijwoonde. In 1778 nam hij op de Argo (44 kanonnen) deel aan een tocht naar de Middellandse Zee waarbij hij zijn denkbeelden over een striktere discipline in praktijk bracht. Onderdeel daarvan was dat de officieren het goede voorbeeld moesten geven en zich dus onthouden van gokken, vloeken, dronkenschap en hoereren.