De Nederlandse monarchie begon in 1806 toen Lodewijk Napoleon door Napoleon Bonaparte werd aangesteld als koning van Holland, en het toenmalige Nederland korte tijd een vazalstaat van het Eerste Franse Keizerrijk werd. Daarvoor was het een republiek, nadat in 1581 de monarchie van de landsheren uit het huis Habsburg was afgezworen (Plakkaat van Verlatinghe). De monarchie eindigde in 1810 met de inlijving bij Frankrijk, en werd voortgezet in 1813 toen Willem Frederik uit het huis Oranje-Nassau, een zoon van erfstadhouder Willem V, de titel soeverein vorst der Verenigde Nederlanden aanvaardde.

Voorgeschiedenis Tijdens de middeleeuwen waren de Nederlandse gewesten onderdeel van het Heilige Roomse Rijk waarvan de Heilig Roomse keizer de vorst was. Echter was zijn invloed beperkt en regeerden tal van monarchieën over de verschillende graafschappen en hertogdommen in de Nederlanden. Deze macht werd vooral verkregen door middel van gearrangeerde huwelijken. In de Bourgondische periode wisten de hertogen van Bourgondië (huis Valois-Bourgondië) steeds meer gewesten onder hun gezag te verenigen, voornamelijk Filips de Goede breidde zijn invloed sterk uit en verenigde de Nederlandse gewesten door de oprichting van de Staten-Generaal der Nederlanden in 1464. Filips` zoon Karel de Stoute had in 1473 de ambitie om zich in Trier door keizer Frederik III tot koning van het koninkrijk Lotharingen te laten kronen, dat eveneens de Nederlanden omvatte, als onderdeel van het Heilige Roomse rijk. Echter zag Frederik III op het laatste moment af van de kroning.

Door het Groot Privilege uit 1477 werd Maria van Bourgondië door de gewesten erkend als vorstin van de Nederlanden. En door haar huwelijk in datzelfde jaar met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen de Nederlanden in Habsburgse handen. Hun kleinzoon, de Roomse keizer Karel V, verwierf als landsheer van de Nederlanden nog meer gewesten, en maakte de Habsburgse Nederlanden tot een tamelijk afgerond geheel van Zeventien Provinciën. Karels opvolger Filips II ging verder met de interne eenmaking en de centralisering van het gezag. Dit riep dermate veel weerstand op dat de Noordelijke Nederlanden zich afscheidden. In 1581 verlieten de opstandige gewesten de Spaanse koning met het Plakkaat van Verlatinghe. Dit moest de weg vrijmaken voor een nieuwe landsheer, de hertog van Anjou. Zijn bewind werd geen succes en Anjou stierf in 1584. Zijn beoogde opvolgster Elizabeth I van Engeland weigerde de soevereiniteit over de Nederlanden te aanvaarden, maar stuurde de graaf van Leicester met troepen. Ook dit werd een fiasco. De zoektocht naar een geschikte landsheer werd gestaakt en zo bleken de opstandige gewesten na 1588 een republiek, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarin de Unie van Utrecht als grondwet werd gebruikt. De macht in de Verenigde Provinciën lag daarna de facto bij de Staten-Generaal van de Nederlanden. Hoewel Italië al de nodige stadsrepublieken kende, was deze staatsvorm voor een gebied van deze omvang een novum. Zelfs nog na de Franse Revolutie werden landen over het algemeen beschouwd als eigendom van de vorst en konden ze als zodanig vererfd, samengevoegd en verdeeld worden. In de Zuidelijke Nederlanden regeerden Spaanse en later Oostenrijkse vorsten (Oostenrijkse Nederlanden) over een lappendeken van gewesten die centraal gezag afwezen en hun privileges streng bewaarden.

De opeenvolgende stadhouders uit de huizen Oranje en Nassau-Dietz hadden onvoldoende macht om monarchen te worden. Zij waren de "dienaar van de Staten".

In 1750 werd Willem IV van Oranje-Nassau, zeer tegen de zin van de regenten en de Staten van Holland, tot erfstadhouder uitgeroepen. Toch konden hij en zijn zoon en opvolger Willem V van Oranje-Nassau niet als monarchen optreden. De republikeinse traditie was daarvoor te sterk. Willem V vluchtte in 1795 naar Engeland na de bezetting door de legers van de Franse republiek in de Eerste Coalitieoorlog. Hij bracht de laatste tien jaar van zijn leven als banneling door in het Hampton Court Palace en in het Slot Oranienstein.

Koninkrijk Holland (1806-1810) De Noordelijke Nederlanden werden daarop met hulp van de Franse bezetter de Bataafse Republiek, die in 1801 werd vervangen door het Bataafs Gemenebest. Op 24 mei 1806 sloot het Bataafs Gemenebest een verdrag met Napoleons minister van Buitenlandse Zaken, Talleyrand, waarin werd overeengekomen in Nederland een erfelijke monarchie in te voeren. en : Hoofdstukken uit de Europese Codificatiegeschiedenis, derde geheel herziene druk, p. 296. Zo kreeg Nederland onder de naam Koninkrijk Holland zijn eerste constitutionele koning: Napoleons jongere broer Lodewijk Napoleon. De Nederlanders schikten zich in het onvermijdelijke en de niet onwelwillende Lodewijk Napoleon werd zelfs populair. In de ogen van Napoleon behartigde Lodewijk de Nederlandse belangen te goed en hij werd afgezet. Vervolgens lijfde Napoleon in 1810 het jonge koninkrijk in bij Frankrijk. Aldus maakten de Noordelijke Nederlanden van 1810 tot 1813 met de Zuidelijke Nederlanden - die al in 1795 door Frankrijk waren ingelijfd - deel uit van het Eerste Franse Keizerrijk.

De Britse minister Castlereagh vatte in 1813 na Napoleons mislukte Russische Veldtocht het plan op het huis Oranje als monarchie terug te brengen in een versterkt Holland, uitgebreid met de Zuidelijke Nederlanden om als buffer te dienen tegen het misschien te opdringerige Frankrijk.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) Eind 1813 kwam Willem Frederik, een zoon van erfstadhouder Willem V, op verzoek van het Voorlopig Bewind naar 's-Gravenhage. Hij voerde het bevel over de Britse en Hollandse troepen die tegen de Fransen vochten. In november 1813 schreef Willems eerste minister van Buitenlandse Zaken Gijsbert Karel van Hogendorp aan Castlereagh: De prins is een soeverein vorst, niemand kent hem, maar iedereen beschouwt hem als zodanig. Uiteraard kan alleen de natie hem tot vorst maken, maar zijn titel is afhankelijk van overeenstemming tussen de mogendheden. Van Hogendorp vroeg aan Castlereagh de kwestie van Willems toekomstige status op te lossen. Op 2 december 1813 aanvaardde Willem de titel soeverein vorst. Dat kon hij doen omdat de felle republikeinse en anti-orangistische gevoelens in Holland en de andere gewesten sterk waren afgenomen. Het voornemen tot stichting van een nieuw koninkrijk aan de lage landen bij de zee werd in het Verdrag van Chaumont op 9 maart 1814 door de grote mogendheden vastgelegd. Op 16 maart 1815 benoemde Willem zichzelf tot Willem I, koning der Nederlanden.

Willem I probeerde onder meer de belangen van zijn familie veilig te stellen door het instellen van het principe van 'erfelijk koningschap'. Daarin werd hij door de Britten en de andere geallieerden gesteund. Zij wensten een sterke monarchie ten noorden van Frankrijk en Willem was nauw verwant met de Britse en Pruisische koningshuizen. Er bestond in deze periode bij de Nederlanders met heimwee naar de Republiek een sterke oppositie tegen het koningschap. Orangist Van Hogendorp zorgde er met zijn grondwet voor dat Willem zijn positie kon consolideren: sindsdien ging het koningschap over op zijn 'wettige' - dat wil zeggen door Willem zelf als wettig bepaalde - opvolgers.

De monarchie in gevaar De monarchie is enige malen in gevaar geweest, waarbij soms, hoewel niet altijd, gelijktijdig het republicanisme in Nederland sterk toenam, maar de Oranje-Nassaus hebben hun populariteit steeds weer kunnen herstellen.

In 1830 werd Willem I uit zijn zuidelijke hoofdstad Brussel verdreven. Hij kon zijn gezag in het noorden behouden, maar verloor een deel van zijn rijk. In 1848 dreigde een revolutie en verkoos Willem II de oplossing van een constitutionele monarchie met een koning die geen lid van de beleidsbepalende ministerraad was. De ministers werden verantwoordelijk voor de onschendbare koning, die echter een groot deel van zijn macht kwijt was als de ministers niet wilden meewerken. Willem III was in de jaren voorafgaand aan zijn tweede huwelijk volledig onberekenbaar en zeer impopulair. Door zijn huwelijk met Emma van Waldeck-Pyrmont en de geboorte van Wilhelmina kwam de vorst meer tot rust. Het was vooral Emma die, tijdens haar periode als koningin-regentes (1890-1898), veel moeite deed om het aanzien van het koningshuis te herstellen. Tussen 1890 en 1909 was koningin Wilhelmina de enige vertegenwoordigster van het huis Oranje-Nassau in Nederland. Zolang de jonge vorstin niet getrouwd was en kinderen had, was de kans niet denkbeeldig dat zij moest worden opgevolgd door een van de kinderen of kleinkinderen van haar tante Sophie. Met name haar kleinzoon Willem Ernst van Saksen-Weimar-Eisenach gold tot de geboorte van prinses Juliana in 1909 als een soort reservekroonprins. Sophie had zelf ook altijd met de mogelijkheid van opvolging door een van haar nazaten rekening gehouden en zag erop toe dat deze vloeiend Nederlands spraken. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de erfopvolging dusdanig beperkt dat Duitse verwanten van de koninklijke familie niet automatisch meer in aanmerking kwamen. De vergissing van Troelstra: in november 1918 meende de sociaaldemocratische voorman Pieter Jelles Troelstra dat Nederland rijp was voor grootschalige politieke veranderingen. De revoluties in Rusland, Duitsland en Oostenrijk wekten grote verwachtingen. De door de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij geformuleerde eisen stuitten echter op een ferme houding van de regering. Minister-president Charles Ruijs de Beerenbrouck stelde zich op het standpunt dat staatkundige en maatschappelijke hervormingen in samenspraak tussen regering en volksvertegenwoordiging dienden plaats te vinden. Terwijl de steun voor Troelstra's oproep beperkt bleef, bleek een tegenbeweging, die de democratische principes wilde handhaven, beter georganiseerd. Een huldiging van de koningin en haar familie op het Haagse Malieveld, 18 november 1918, maakte duidelijk dat er geen revolutionaire stemming in Nederland heerste. In 1940 werd Nederland bezet en gingen koningin en regering in ballingschap. In 1956 waren koningin en prins verwikkeld in een felle echtelijke ruzie die men de Greet Hofmans-affaire is gaan noemen. Tussen koningin en ministerraad waren grote verschillen in inzicht en het heeft premier Willem Drees veel moeite gekost om de situatie te laten bedaren. In 1976 kwam prins Bernhard in opspraak in de Lockheed-affaire. De Commissie van Drie, ingesteld om de daden van de prins te onderzoeken, concludeerde dat Bernhard zich op ontoelaatbare wijze had ingelaten met de Amerikaanse vliegtuigbouwer. Het kabinet-Den Uyl stond nu voor een dilemma. Als gekozen werd voor strafrechtelijke vervolging van de prins, was het waarschijnlijk dat koningin Juliana zou aftreden en dat kroonprinses Beatrix haar moeder in dat geval niet zou willen opvolgen. De monarchie wankelde. Het kabinet koos er na lang beraad voor de prins openbaar terecht te wijzen en hem zijn militaire functies te ontnemen. Strafrechtelijke vervolging bleef uit. De betrokkenheid van de prins bij een smeergeldaffaire van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Northrop bleef dat jaar onderbelicht. Deze zaak viel buiten de opdracht van de commissie en werd alleen in een bijlage vermeld, die Den Uyl niet openbaar maakte. De Lockheed-affaire alleen was al belastend genoeg. Den Uyl werd wegens zijn afhandeling van deze heikele kwestie als redder van de monarchie geprezen.

Het huis Oranje-Nassau