Middelnederlandse literatuur is literatuur in het Middelnederlands, de voorloper van de moderne Nederlandse taal die in het huidige Nederlandse taalgebied werd gesproken vanaf de 12e tot begin 16e eeuw. Dit artikel behandelt de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur vanaf het oudst bekende als Nederlands herkenbare liefdesversje (opgeschreven ca. 1100) tot aan de rederijkerij van de late middeleeuwen.
Hoofdlijnen De Nederlandse letterkunde begint met teksten in het Middelnederlands, die vanaf de 12e en de 13e eeuw in Limburg, Vlaanderen, Brabant en Holland worden geschreven. Een onderscheid tussen de zuidelijke Nederlanden en de noordelijke was toen nog niet aan de orde, maar wel lag het culturele zwaartepunt in het zuiden. Daaraan voorafgaand zijn alleen fragmenten van teksten in het Oudnederlands (Oudnederfrankisch) (uit de vroege Middeleeuwen, ca. 500-1150) overgebleven. Van de eerste periode van het Oudnederlands, tussen 600 tot 900, is er zo goed als niets overgeleverd. De eerste met naam bekende auteur is de Limburger Hendrik van Veldeke ofwel Heynric van Veldeke (vanaf ca. 1170; zie ook onder), wiens werk door Duitse literatuurhistorici ook tot de Middelduitse letterkunde wordt gerekend, omdat hij een groot deel van zijn loopbaan aan Duitse hoven verbleef en toen in het Duits ging dichten.
Tegelijk met de opbloei van Vlaanderen en Brabant komt ongeveer een eeuw na van Veldeke de literatuur in die gewesten tot bloei. Onder meer Jacob van Maerlant (ca. 1270) is een belangrijk Vlaams auteur, die vele navolgers kende. In Brabant zijn de teksten van Jan van Boendale (ca. 1330) en vooral van de mystici Hadewijch (ca. 1250) en Jan van Ruusbroec (ca. 1350) belangwekkend, terwijl in Holland behalve Melis Stoke (13e eeuw) als eersten pas Willem van Hildegaersberch en Dirc Potter genoemd kunnen worden, rond 1400 werkzaam aan het Haagse hof. Vanaf de 14e eeuw kwam de stroom teksten goed op gang. Uit deze periode zijn in totaal 854 teksten uit de artes mechanicae bewaard gebleven. Het gaat onder meer om enkele tientallen traktaten, naast allerlei langere teksten zoals chirurgische handboeken en vroege encyclopedieën. Ook zijn er veel korte spreuken met daarin een levenswijsheid bekend, die zijn bestudeerd en verzameld in de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta door Willem de Vreese.Van Oostrom, p. 79 Er is ook een manuscript over alchemie bekend, dat omstreeks 1380 in Oost-Vlaanderen of Brabant moet zijn geschreven. Dit bevindt zich tegenwoordig in Wenen.Van Oostrom, p. 95
thumb|Roman de Renart, uit een Frans handschrift van circa 1300Hoogtepunten van de Middelnederlandse letterkunde (uit de zuidelijke Nederlanden) zijn onder meer het dierenepos Van den vos Reynaerde (ca. 1260), dat beschouwd wordt als aanzienlijk beter dan zijn Franse voorbeeld, verschillende ridderromans (waaronder met name Arthurromans als Walewein en Lancelot), zogeheten Karelromans als het Roelantslied (13e eeuw) en Karel ende Elegast (ca. 1250), en de Marialegende Beatrijs (14e eeuw). Wereldlijke toneelstukken zijn de vier abele spelen: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Vanden Winter ende vanden Somer. Ze dateren uit omstreeks 1350 en behoren tot het oudst bekende West-Europese wereldlijke toneel.
In de late middeleeuwen (de periode van 1270 tot 1500) ontstonden ook de rederijkerskamers. De rederijkers waren amateur-dichters die zich verenigden in letterkundige broederschappen die 'rederijkskamers' werden genoemd. Deze 'kamers' domineerden de 15e-eeuwse Nederlandstalige literatuur. Een nieuw genre dat in deze tijd vanuit Frankrijk overwaaide was de rederijkersballade. Het beroemdste rederijkerswerk is het toneelstuk Elckerlijc of Elckerlyc (voluit: Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc - Hoe dat elckerlijc mensche wert ghedaecht Gode rekeninghe te doen), een 15e-eeuwse Brabantse moraliteit of 'zinnespel', waarvan onder meer een vroeg-16e-eeuwse vertaling in het Engels verscheen onder de titel ‘Everyman’. Mogelijk de bekendste en talentrijkste 'rederijker' was aan het eind van deze periode een Antwerpse, Anna Bijns (ca. 1540), die als vrouw nooit lid van zo'n kamer is geweest.
Uit dezelfde tijd, de overgang van de Middeleeuwen naar de renaissance (die rond 1550 gaat doorzetten), is Mariken van Nieumeghen, een mirakelspel daterend van het begin van de 16e eeuw. De volledige titel geeft een korte omschrijving van de inhoud: Die waerachtige ende seer wonderlycke historie van Mariken van Nieumeghen die meer dan seven jaren met den duvel woonde ende verkeerde.
Voorspel: het Oudnederlands "Ik zeg aan jou...": het kort begin Van rond 510 dateert Clovis' Lex Salica, een in het Latijn opgesteld wetboek dat echter uitleg bevatte in de voorouder van het Nederlands, het Frankisch. In een van die gevallen wordt het Latijn niet met losse woorden uitgelegd, maar met een samenhangend zinnetje:
maltho thi afrio lito ("ik-zeg aan-jou ik-bevrijd-jou halfvrije").
De halfvrije of "laat" was, als hij deze formule hoorde, vrijgelaten.
De volgende bewaard gebleven tekst dateert uit de 8e eeuw en is in het Oudnederlands. Deze tekst bestaat opnieuw uit formules. Het is de Utrechtse doopbelofte, een vraag-en-antwoorddialoog tussen priester en volwassen dopeling. De zinnen waren precies voorgeschreven, en enkele voorbeelden luiden: forsachistu diabolae ec forsacho diabolae ("Verzaak je de duivel?" "Ik verzaak aan de duivel!")
globistu in crist godes suno ec gelobo in crist gotes suno ("Geloof je in Christus, Gods zoon?" "Ik geloof in Christus, Gods zoon!")
Drie langere stukken Er zijn nog wat fragmentjes van andere teksten overgebleven, maar dan komen er drie lange teksten: de Wachtendonkse psalmen (10e eeuw); de Egmondse Willeram of Leidse Willeram (ca. 1060); en de fragmentarisch bewaard gebleven Middelfrankische Rijmbijbel (begin 12e eeuw).
Willeram was een Beierse abt, en zijn tekst is een commentaar op het Hooglied: dit uitbundige Bijbelboek, met zijn nogal aardse inhoud, legt hij uit als een vrome allegorie.
De vogels De oudste overgeleverde werkelijk literaire tekst is afkomstig van een onbekende monnik uit Oxford die rond 1100 manuscripten overschreef. Wie van een tekst een exemplaar wilde hebben, had destijds weinig keus; de boekdrukkunst zou nog 350 jaar op zich laten wachten. Als zijn ganzenveer stomp werd sneed hij die bij (zoals een modern auteur zijn potlood, of een hoboïst zijn riet). Maar voordat hij met het secure, uiterst verzorgde kopieerwerk doorging moest hij die pen eerst uitproberen, waarop hij op een leeg stuk perkament schreef: 400px|thumb|Hebban olla vogala..., fragment hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu ("Alle vogels zijn nesten begonnen behalve ik en jij. Wat wachten we nog?")
Onbekend is of deze tekst een eigen verzuchting is dan wel een bestaand rijmpje.
De Middeleeuwen De middeleeuwse maatschappij kende drie standen: adel, geestelijkheid en burgerij, en de literatuur is weleens net zo ingedeeld – teksten voor ridders, geestelijke letteren en burgerlijke literatuur. Het is een moeizame indeling, met veel overlappingen.
"Hoerter naer" Een gesproken overlevering Het einde van de Middeleeuwen valt min of meer samen met de uitvinding van de boekdrukkunst. De Middeleeuwen zelf moesten het dus hebben van gesproken en (dure) handgeschreven literatuur, en aangezien alleen de adel (soms), de geestelijkheid (meestal) en de meer gegoede burgers (in toenemende mate) konden lezen, nam die gesproken literatuur een grote plaats in. De openingsregels van Karel ende Elegast moeten dan ook letterlijk worden genomen:
Vraye historie ende al waer Maghic u tellen. Hoerter naer!
Ook bij het toneel wordt het publiek veelvuldig toegesproken, maar dat is minder opmerkelijk. Toneel heeft per definitie een luisterend publiek, al ontstond het (naar men aanneemt) ook alweer door de ongeletterdheid van de toehoorders. Bijbelse verhalen werden in de kerk uitgebeeld, waardoor ze aanschouwelijker werden. Uiteindelijk verhuisde het gehele tafereel naar buiten, hetzij door te grote drukte van toeschouwers, hetzij omdat de stof steeds wereldser werd. Normvervaging is van alle tijden.
Het overgrote deel van de teksten uit die tijd is poëzie. De versmaat is nog weinig strak: daarin komt pas na de Middeleeuwen, onder Italiaanse invloed, verandering. Het ging vooral om het rijm: dat diende als geheugensteun bij de declamatie.
Spelling, woordvorm, woordgebruik Spelling en woordvorm Belangrijke verschillen met de hedendaagse spelling en grammatica zijn: waar modern Nederlands een lange klinker schrijft door die te verdubbelen ("paard", "voor"), wordt in het Middelnederlands daarvoor vaak een -e- of -i- gebruikte (paert, voer); vandaar ook een naam als "Oirschot"; een als ui geschreven klank klinkt als de hedendaagse "uu", ij als de hedendaagse "ie"; de middeleeuwer schreef de woorden vaak precies zoals hij ze hoorde (vandaar de -t in paert, en tgrote voor het grote); de sc komt overeen met de moderne "sch": bliscap; het voorvoegsel ge- vóór het voltooid deelwoord ontbreekt soms (comen voor "gekomen"); en of ne betekent "niet", en in is soms een samentrekking van ic en: "ik [doe dit of dat] niet".
Woorden Ook het woordgebruik valt in het begin op. De meeste moderne uitgaven van de teksten zijn voorzien van verduidelijkende voetnoten.
thumb|Hendrik van Veldeke, zoals afgebeeld in de 14e-eeuwse Codex Manesse
Heynric van Veldeke Uit het begin van de Middeleeuwen zijn helemaal geen teksten overgeleverd, en tussen ca. 1100 en ca. 1150 gaapt een gat.
Vooralsnog is Heynric van Veldeke (?1140-?1200) de eerste bij naam bekende Middelnederlandse schrijver en minnezanger. Geboren bij Hasselt, soms woonachtig in Maastricht, soms in Thüringen, schreef hij zowel in het Duits als in het Nederlands. Zijn Leven van Sint Servaes (ca. 1170) is een heiligenleven waarin trouwens ook stevig gevochten wordt. Zijn Eneïde (ca. 1175) is een herschrijving van een Frans verhaal dat weer van Vergilius afkomstig was: er is alleen een Duitse versie van over.
Veldeke schreef ook hoofse, hoffelijke, lyriek en minneliederen: korte gedichten in de trant van de Provençaalse troubadours. Hiermee kan het begin van de Middelnederlandse literatuur worden gesitueerd in Limburg. Daarna volgden eerst Groot-Brabant en Vlaanderen, later Holland.
"Nam hi sijn swerd": de ridderroman Ridderromans waren populair, zeker bij de adel, en vertellers trokken van kasteel naar kasteel om hun hoog publiek te onderhouden. Maar wat zij vertelden, waren geen "romans" in de hedendaagse zin van het woord, en met het ingeburgerde begrip "romantisch" houden ze ook weinig verband: dinertjes bij kaarslicht spelen er geen rol in. De ridderromans waren lange gedichten in de volkstaal (en die volkstaal was in het begin het Romaans, vandaar). Er zijn er zo'n dozijn van overgebleven, maar uit vermeldingen weten we dat er ongeveer zeventig hebben bestaan.
De ridderromans zijn berijmd, al verschijnen er in de 15e eeuw prozabewerkingen van, nu voor de burgerij. Vaak is de stof internationaal: vertaald uit het Frans, bewerkt uit het Engels. De cultuur was niet nationaal, maar Europees. De romans gaan over noeste strijders, over de toewijding tot verheven dames, over de klassieke Oudheid of over het Oosten. Daardoor zijn ze in vier groepen te verdelen. miniatuur|Strookjes perkament met tekst van Karel ende Elegast die aangetroffen werden als hartstrookjes in een Middelnederlandse versie van de Legenda aurea afkomstig uit het klooster Sint-Luciëndal bij Sint-Truiden. Bewaard in de Universiteitsbibliotheek van Gent.
De Frankische romans