Barosaurus is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Diplodocidae, dat leefde gedurende het Laat-Jura.
De eerste fossielen van Barosaurus werden ontdekt in 1889. In 1890 kreeg het dier van de befaamde professor Marsh zijn naam, die zoiets als 'zware sauriër betekent, toen de typesoort Barosaurus lentus benoemd werd. Daarna zijn nog twee soorten benoemd: Barosaurus affinis en Barosaurus africanus. B. affinis is bijna zeker hetzelfde dier als B. lentus en B. africanus was al het aparte geslacht Tornieria. Van B. lentus zijn maar een paar skeletten bekend en die missen alle de schedel. Van de rest van het lichaam hebben de wetenschappers zich toch een redelijk beeld kunnen vormen.
Barosaurus was zeer lang, zo'n zevenentwintig meter. Die lengte werd grotendeels gevormd door de staart en vooral de nek. De hals was niet alleen erg lang, ongeveer negen meter, maar ook bijzonder breed, door eigenaardig afgeplatte halswervels die veel wijder waren dan bij verwante soorten in de Diplodocinae. Door die afplatting kon de nek niet ver omhoog bewegen maar wel goed zijwaarts. Misschien gebruikte het dier dit om zonder veel inspanning een grote oppervlakte van de bodem te begrazen. De vermoedelijk kleine kop rukte stukken van lage coniferen en varens af die zonder te kauwen werden ingeslikt, in de maag door maagstenen vermalen en in de grote buikholte verder verteerd. De horizontale staart werkte wellicht als een zweep om zich te verdedigen tegen roofsauriërs als Allosaurus.
Vondst en naamgeving Barosaurus lentus In de zomer van 1889 bezocht professor Othniel Charles Marsh zijn medewerkers in het westen van de Verenigde Staten van Amerika. In Wyoming trof hij John Bell Hatcher die bezig was met het bergen van een reeks spectaculaire vondsten van schedels van Triceratops. Hatcher vertelde Marsh dat hij vernomen had dat een zekere mevrouw E.R. Ellerman die een postkantoortje had in Pottsville, in de Black Hills, dinosauriërbotten had gevonden op de grond van haar buurvrouw Rachel Hatch. Beide mannen maakten een reis van tweehonderd kilometer naar Meade County, South Dakota om dit te onderzoeken en groeven ter plaatse een staart op nabij een kleine rotsformatie, de Piedmont Butte. left|thumb|De staartwervels zoals door Marsh beschreven Zoals meestal liet Marsh er geen gras over groeien. De oorspronkelijke fossielen, zes staartwervels en een chevron, kwamen op 4 november aan in New Haven, verpakt in twee kratten en al op 21 december 1889 diende hij een artikel in over het exemplaar. Op basis van de vondst benoemde en beschreef Marsh aldus in 1890 de typesoort Barosaurus lentus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse βαρύς, barys, 'zwaar'. De soortaanduiding betekent 'de trage' in het Latijn. Beide namen verwijzen naar het hoge lichaamsgewicht, dat overigens voor een sauropode niet zo extreem was. Marsh begreep dat de vorm verwant was aan Diplodocus maar vond de wervels toch duidelijk verschillen. Tegenwoordig is duidelijk dat hij zich hierin vergiste: de voorste staartwervels van Barosaurus waren met de achterste van Diplodocus vergeleken.
Het holotype YPM 429 is opgegraven in een laag van de Morrisonformatie die dateert uit het Kimmeridgien. Het betreft een skelet van een volwassen individu. In 1889 had men simpelweg de tijd niet gehad om alles veilig te stellen en vlak voor zijn dood zond Marsh Georges Rieber Wieland uit om de rest te verzamelen. Die kwam op 10 augustus 1898 in Piedmont aan. Vernemend dat mevrouw Ellerman al in 1895 was overleden, riep hij de hulp van haar dochter in om de botten te lokaliseren, vooral de fossielen die ondertussen door nieuwsgierigen waren meegenomen. In twee maanden tijds wist hij zo het materiaal aanzienlijk uit te breiden met nog meer voorste staartwervels, vier achterste staartwervels, stukken van het heiligbeen, zeven ruggenwervels, chevrons, ribben, een borstbeen en het rechterschaambeen. Daarnaast vond hij een aantal maagstenen, gastrolieten. Hij zond de resten naar Marsh, verpakt in zestien kratten. Daarnaast meende hij in de omgeving nog een skelet van Barosaurus ontdekt te hebben, waarvan hij een schoudergordel en een achterpoot opstuurde. Dat zou later nog tot verwarring leiden want deze botten waren hoogstwaarschijnlijk van een andere sauropode. De botten van YPM 429 zijn nogal vervormd door compressie tijdens hun verblijf van 150 miljoen jaar in de bodem.
Tussen 1912 en 1914 groef Earl Douglass een completer skelet op, in het Dinosaur National Monument in Utah. Ook dit miste de schedel maar bezat een reeks wervels van de tiende halswervel af tot en met de negenentwintigste staartwervel, naast een schoudergordel, bekken en delen van de ledematen. De resten werden verspreid over verschillende musea maar uiteindelijk tussen 1929 en 1933 bijeengebracht door Barnum Brown in het American Museum of Natural History als specimen AMNH 6341. Een afgietsel ervan zou pas in 1991 tentoongesteld worden. Het meeste wat er in de literatuur over Barosaurus geschreven is, heeft betrekking op dit exemplaar, waarvan de botten tamelijk gaaf zijn. left|thumb|Barnum groef in de jaren dertig fossielen op van Barosaurus en Kaatedocus Hoewel Barosaurus relatief zeldzaam is, zijn ook later specimina aan de soort of althans een Barosaurus sp. toegewezen. Een belangrijk deel daarvan is opgegraven in het Dinosaur National Monument. Zulke toewijzingen zijn soms omstreden. Vrij zekere exemplaren betreffen onder andere het slechts gedeeltelijk geprepareerde specimen CM 11984, bestaande uit een wervelkolom, en verder het nog onbeschreven specimen AMNH 7535. Specimen AMNH 7530, eerder aan Barosaurus toegewezen, bleek in 2015 van Kaatedocus te zijn. Het enige materiaal dat met enige zekerheid aan een schedel van Barosaurus kan worden toegewezen, bestaat uit een quadratum, specimen AMNH 30070, dat vlak bij AMNH 7535 is aangetroffen. Het is echter mogelijk dat specimen SMA O25-8, een schedeldak met hersenpan, aan Barosaurus behoort. Het is een diplodocine schedel gevonden in de Howe Quarry waarin verder alleen resten van Kaatedocus of Barosaurus zijn aangetroffen, en het is niet gelijk aan de bekende kop van Kaatedocus. Dat maakt het aannemelijk dat het Barosaurus betreft maar dat kan vooralsnog niet worden bewezen wegens gebrek aan overlappend materiaal.
Vooral de ontdekking dat Kaatedocus een duidelijk van Barosaurus verschillend taxon is, maakt veel eerdere toewijzingen aan dat laatste geslacht onzeker. Exemplaren waarvan de identiteit onvoldoende is vastgesteld betreffen de specimina SDSM 25331: vijf staartwervels; SDSM 25210: een wervelkolom met schoudergordel en bekken; CM 340: een gedeeltelijk skelet zonder schedel; ROM 3670 (eerder CM 1198, daarna DNM 150/B) een wervelkolom die aangevuld tentoongesteld wordt in het Royal Ontario Museum; CM 21744: een rechtervoorpoot; CM 33978: een voorste linkerbekkenhelft; CM 21719: een rechteropperarmbeen; CM 11878: de bovenkanten van een dijbeen en een scheenbeen; V 16778: een achterste staart aangetroffen bij het vorige specimen; DINO 4948: een halswervel; en DINO 874: een tweede middenvoetsbeen.
In 2005 kreeg Barosaurus voor het eerst een moderne beschrijving, door John Stanton McIntosh.
Andere soorten In 1898 schreef Marsh een artikel waarin het nieuwe materiaal dat jaar gevonden door Wieland vermeld werd. Daarin stelde hij dat er botten onder zaten van een veel kleinere soort die hij Barosaurus affinis doopte, 'de verwante'. Welke dat dan waren, kon hij niet verder verduidelijken want een maand later overleed hij. In 1919 stelde Richard Swann Lull bij een herbeschrijving van deze vondsten, mogelijk gemaakt door een volledige preparering van het holotype in de winter van 1917, dat de enige elementen die in aanmerking kwamen twee kleine middenvoetsbeenderen betroffen, specimen YPM 419. Lull dacht dat het ging om het eerste en tweede middenvoetsbeen; later is dit laatste geïdentificeerd als de bovenkant van een vijfde middenvoetsbeen. Tegenwoordig wordt B. affinis gezien als een jonger synoniem van Barosaurus lentus.
In 1922 hernoemde Werner Janensch Gigantosaurus africanus, gevonden in 1908 in de Tendaguru Formatie van het toenmalige Duits Oost-Afrika (nu Tanzania), in Barosaurus africanus. In 1961 benoemde hij voor lichtgebouwd materiaal zelfs een ondersoort, wat zeldzaam is voor een dinosauriër uit het Mesozoïcum: Barosaurus africanus gracilis. In 1980 maakte McIntosh daar een volle soort Barosaurus gracilis van, die echter tegenwoordig gezien wordt als een jonger synoniem van B. africanus. Barosaurus africanus was al benoemd tot het aparte geslacht Tornieria en dat wordt door huidige onderzoekers meestal nagevolgd.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Barosaurus is een grote diplodocide. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op zevenentwintig meter, het gewicht op twaalf ton. Dat het gewicht nog tamelijk laag ligt ondanks de enorme lengte komt doordat die voornamelijk uitgemaakt wordt door een zeer lange nek en staart. Vergeleken met Diplodocus is de nek langer maar de staart korter, zijn de voorpoten langer, blijven gevorkte doornuitsteeksels beperkt tot de achterste nek en zijn de uithollingen in de staartwervels ondieper. Dit zijn overigens basale kenmerken die met veel diplodociden gedeeld worden. De combinatie van een langere nek en kortere staart ten opzichte van Diplodocus betekent niet dat de staart korter is dan de nek. Een foute interpretatie van een beroemde tekening door Robert Thomas Bakker van Barosaurus uit de jaren zestig, heeft geleid tot een hele reeks illustraties waarin de staart zeer kort wordt weergegeven. In werkelijkheid was deze een veertien meter lang. In dezelfde afbeeldingen houdt Barosaurus de nek extreem verticaal; Bakker wilde beklemtonen dat sauropoden hoog uit de bomen aten. In feite steekt juist bij Barosaurus de nekbasis vrijwel horizontaal naar voren uit.
In 2015 werden een aantal autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, bepaald voor het geslacht Barosaurus. De onderste tak van het quadratum heeft geen korte dwarsrichel aan de achterste binnenzijde, net boven het kaakgewricht. Bij de voorste halswervels loopt de pleurocoel, de uitholling aan de zijkant, niet tot aan de parapofyse, het onderste ribgewricht. De achterste halswervels zijn meer dan 2,6 maal zo lang als hoog. Bij de wervels van de achterste nek tot en met het midden van de rug bevindt zich een naar voren gericht uitsteeksel op de richel tussen de diapofyse en het voorste gewrichtsuitsteeksel, precies aan de buitenzijde van deze prezygapofyse. De voorste ruggenwervels zijn niet gekield. thumb|De extreme verbreding in bovenaanzicht van een achterste halswervel van Barosaurus, onder, wordt duidelijk door vergelijking met die van Kaatedocus, boven