De Renault R35 is een lichte Franse infanterietank uit de Tweede Wereldoorlog.
Het type is vanaf 1933 ontwikkeld en in 1936 in productie genomen. Het was bedoeld voor de uitrusting van autonome tankbataljons die het infanteriedivisies mogelijk moesten maken een offensieve taak uit te voeren bij het doorbreken van vijandelijke infanterieposities. Daarom was de R 35 voor zijn tijd goed bepantserd maar niet erg snel en had het kanon geen sterke uitwerking tegenover andere tanks. Bij het uitbreken van de oorlog werd de taak van de infanterieondersteuning minder belangrijk gevonden. Daarom kreeg een verbeterde versie uit 1940, de "R 40", een krachtiger kanon en werd besloten de productie achter te laten lopen bij die van andere Franse tanks. Door de snelle nederlaag van Frankrijk in juni 1940 bleef het type toch de destijds meest geproduceerde Franse tank met ongeveer 1685 stuks. De R 35 werd geëxporteerd naar Polen, Roemenië, Turkije en Joegoslavië. Voor de rest van de oorlog bleven de Duitsers en hun bondgenoten buitgemaakte voertuigen in uiteenlopende modificaties gebruiken.
Ontwikkelingsgeschiedenis In 1933 verzocht de Franse Infanterie, na een initiatief van de firma Hotchkiss voor de bouw van een lichte infanterietank, de hele Franse zware industrie met alternatieve voorstellen te komen. Maar liefst zestien andere fabrikanten deden een voorstel en werden uitgenodigd op staatskosten een prototype te vervaardigen. Een van hen was Louis Renault die vreesde van zijn plaats als Frankrijks leidende tankproducent te worden gestoten. Met de grootst mogelijke spoed werd een prototype in elkaar gezet. Om tijd te besparen werd de ophanging ervan gebaseerd op een model dat men al als vervanging voor dat van de AMR 33 aan het ontwikkelen was en dat later voor de AMR 35 gebruikt zou worden. De bouw ervan was al snel in zo'n vergevorderd stadium dat de verandering in specificaties van 21 juni 1934, toen de pantsering van dertig op veertig millimeter moest en het gewicht van zes naar negen ton gebracht mocht worden, niet meer kon worden verwerkt. Het project kreeg de fabriekscode Renault ZM. Het prototype werd door Renault zelf getest op 7 en 8 november 1934. Het werd op 20 december ter beproeving overgedragen aan de Commission de Vincennes, iets eerder dan het prototype van Hotchkiss.
Het materieel werd onderzocht van 8 tot 10 januari 1935. Het had een bij Schneider gegoten romp van gietstaal en een klein gegoten koepeltje van eigen ontwerp met twee lichte mitrailleuses. Het bereikte een maximumsnelheid van 18,94 km/u, wat als redelijk gezien werd. Daar tegenover stond dat het met 7150 kg toch te zwaar was (men beheerste het gietproces nog onvoldoende), dat er maar ruimte was voor 23 munitiemagazijnen in plaats van de gevraagde dertig en dat het rijbereik nog geen vijf uur bedroeg terwijl acht uur geëist was. Tussen 12 en 19 januari werd er een extra 860 kilogram aan simulatiegewichten aangebracht overeenkomend met een pantserdikte van 40 mm. Rijtesten tussen 21 en 30 januari toonden aan dat het onderstel deze extra belasting goed aankon. Hierna moest het voertuig weer terug om de sterkere pantsering in het echt te ontvangen. Op 24 maart werd de nieuwe romp toegezonden en tot 17 april beproefd. Tussen 18 en 25 april werd bij Renault de nieuwe APX-toren geïnstalleerd. Daarna volgden van 29 april tot 21 mei testen op de baan bij Mourmelon. Nadat het testexemplaar in totaal 2792 kilometer had afgelegd bleek de motor vrij zwaar versleten maar niet overmatig. De maximumsnelheid was gedaald naar 18,246 km/u. De commissie adviseerde de brandstofvoorraad te verhogen en de toegankelijkheid voor reparaties van het motorcompartiment te verbeteren.
Ondertussen was het project op 8 april voorgedragen aan de Conseil Consultatif, de Franse defensieraad, die de facto de belangrijkste beleidsbeslissingen nam. Net opzeggen van het Verdrag van Versailles door Hitler en het begin van de openlijke Duitse herbewapening was de raad op zoek was naar middelen om het leger zo snel mogelijk te versterken. De volgende dag al werd besloten de Char léger modèle 1935 R onverwijld in productie te nemen. Op 29 april plaatste men de eerste order van 300 stuks. Behalve Hotchkiss waren de drie andere concurrenten die echt een voertuig gemaakt hadden of net op tijd met het inleveren van een prototype voor de deadline van 9 april (Char Batignolles-Châtillon en FCM 36) of te laat (APX 35).
Beschrijving thumb|350px|Renault R35, door Israël op Syrië buitgemaakt in 1948 waarbij het motordek door een geworpen explosief opengereten werd. Hij werd opgeknapt door het Franse Musée des Blindés te Saumur in ruil voor een Israëlische Merkava, zodat hij nu gerestaureerd te zien is in Latrun In afmetingen — 4,02 meter lang, 1,87 breed en 2,13 hoog — komt de R 35 sterk overeen met de AMC 35, waarmee hij een gelijksoortig onderstel deelt: vijf loopwielen per zijde, het voorste en de achterste vier per paar geveerd door horizontale springveren in rubber gegoten. Ook de indeling van de romp is overeenkomend: de chauffeur zit links en de Renault V-4 motor bevindt zich rechtsachter hem. Deze motor, met 5,881 liter cilinderinhoud, levert 85 pk en geeft een maximumsnelheid van een kleine twintig km/u. De benzinevoorraad van 166 liter is goed voor een rijbereik van 130 kilometer. De tank wordt bestuurd via een Cletrac differentieel. Er zijn vier versnellingen vooruit, één achteruit. Het waadvermogen is 80 centimeter evenals het klimvermogen; de klimhoek is 75% en het overschrijdingvermogen 180 centimeter.
Terwijl de AMC 35 echter nog is voorzien van geklonken pantserplaten beschikt de R 35, net als zijn concurrent de H 35, over een veel moderner pantser: de romp, 1,37 meter hoog, bestaat uit drie gegoten delen: neus, boven- en onderkant, met bouten bevestigd. Deze methode biedt twee voordelen: zij is veel goedkoper zodat de romp voor een goede 190.000 frank geproduceerd kan worden en zij biedt de mogelijkheid het pantser, met een maximale dikte van 43 millimeter op voorkant van de romp en veertig op de verticale delen, zo veel mogelijk af te schuinen zodat het afkaatsingseffect een 30% hogere bescherming oplevert voor hetzelfde gewicht. De neusmodule heeft een dikte van 32 mm; dak en bodem een dikte van 14 mm. De tank wordt geacht immuun te zijn voor alle standaard antitankwapens van die tijd. In feite blijkt tijdens schietproeven in 1937 dat een derde van de granaten van 25 mm kaliber en de helft van de granaten van 37 mm het pantser doorslaat — en op zwakke punten dringen zelfs 7,92 mm machinegeweerkogels door. Dit komt doordat het gegoten staal te zacht is en eigenlijk geen pantserstaal mag heten. Geschrokken door het slechte resultaat verhoogt men bij latere exemplaren de hardheid met als negatief effect dat het staal nu weer te bros wordt.
Eveneens gegoten en afgeschuind is de ruwweg zeshoekige APX-R toren, die apart door Puteaux standaard voor de lichte tanks geproduceerd wordt. De toren heeft een bepantsering van 40 mm rondom en 12 mm op het dak. Hij is uitgerust met de typische bewapening: een kort (Lang 21) 37 mm SA 18 kanon en een 7,5 mm mitrailleuse met 2400 patronen. De mitrailleuse kan coaxiaal gekoppeld worden maar ook apart vijf graden heen en weer bewegen. Het kanon wordt eerst gewoon verwijderd uit oude FT 17's die zelf dan weer omgebouwd worden tot allerlei hulpvoertuigen. Het doorslagvermogen van het wapen is erbarmelijk: maximaal 23 mm pantserstaal (dus op 0 meter afstand), vallend tot 12 mm op 500 meter, met de Obus de rupture Modèle 1921, een 500-grams pantserbrisantgranaat met 5 gram springstof en een aanvangssnelheid van 388 m/s, waarvan er 42 meegenomen worden naast 58 brisantgranaten. De commandant, het enig andere bemanningslid, die dus in zijn eentje ook nog de taken van schutter en lader moet vervullen, heeft een 30 mm dik uitkijkkoepeltje op het dak van de tank dat niet kan openklappen; om een onbelemmerd uitzicht te hebben moet hij op het grote achterluik gaan zitten. Tussen snelle waarneming en vuren ligt dus altijd een gevaarlijk groot interval. De toren moet met de hand rondgedraaid worden, maar het tandrad kan ook worden losgekoppeld zodat de commandant hem met zijn lichaamsgewicht sneller kan omgooien. Met uitzondering van het tweede bataljon van het 507e Régiment de Chars de Combat van Charles de Gaulle hebben de tanks geen radio.
Het materieel lijkt erg klein en krap, slechts 10,6 ton zwaar. Daarbij moet echter worden bedacht dat de gemiddelde Franse rekruut van die tijd ruim twintig centimeter korter was dan de huidige Nederlandse rekruten van boven de grote rivieren.
Productie thumb|350px|De achterzijde van hetzelfde voertuig. Op 4 juni 1936 werd het eerste serie-exemplaar afgeleverd met serienummer 50.001 — en wel bij de materieelcommissie want die had de uiteindelijke productieversie door de overhaaste besluitvorming nooit goed onderzocht. De gevraagde veranderingen bleken doorgevoerd en de maximumsnelheid lag nu op 19,471 km/u. Bij de nieuwe testen werd echter duidelijk dat de bodemdruk door de vrij smalle rupsbanden van 27 cm breedte te hoog was. De resulterende hoge slijtage bleef in de komende jaren onderwerp van voortdurende zorg, wat leidde tot een groot aantal projecten om de ophanging te verbeteren zodat een opgevoerde motor de snelheid zou kunnen doen toenemen tot 31 km/u zonder de slijtage helemaal onaanvaardbaar hoog te doen worden.
In 1936 werden er 380 R 35's geproduceerd — althans rompen van de R 35: er waren op 1 januari 1937 nog maar 37 torens afgeleverd en 24 daarvan, verdeeld over de eerste vier bataljons die met het nieuwe wapens zouden worden heruitgerust, hadden hun speciaal voor fortificaties ontworpen Châtellerault mitrailleuse nog niet ontvangen, en ook geen enkele diascoop. Al in de herfst van 1936 besloot men de productie voorlopig maar stil te leggen. Een spoedbezoek van Renault aan minister van oorlog Édouard Daladier bracht daar verandering in: men zou de bouw slechts verminderen naar 200 stuks per jaar. Om de aflevering te versnellen werd er eerst toe overgegaan een aangepaste toren te gebruiken met de standaard Châtellerault MAC31 "Reibel" mitrailleuse die uit voorraad geleverd kon worden. In de toekomst hoopte men de sneller te produceren gelaste FCM toren in te voeren, die ook op de FCM 36 gebruikt werd.
Op 2 december 1936 werd de militaire tak van Renault genationaliseerd en hernoemd tot Atelier de Construction d'Issy-les-Moulineaux ofwel AMX. Dit betekende echter geenszins dat Renault zich niet meer met militaire zaken bezighield of met de gang van zaken binnen zijn oude bedrijf. Integendeel: alle projecten worden nu dubbelop benaderd (en betaald) door parallelle onderzoekstrajecten bij AMX en het ontwerpbureau van het "civiele" Renault. In de herfst van 1937 kwam het laatste met een nieuwe rupsband en transmissie, die echter beide afgewezen worden. Tegelijkertijd presenteert AMX het plan om alle gladde wielen van een rubber band te voorzien hetgeen inderdaad wordt ingevoerd. De slijtage nam iets af en de snelheid toe. Ook de productie wordt gedeeld: Renault levert de onderdelen en AMX verzorgt de eindmontage.