Megalosaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Tetanurae, dat tijdens het Laat-Jura, ongeveer 165 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Engeland.

Op vogels na, was Megalosaurus de eerste dinosauriër die benoemd werd. Het geslacht kreeg in 1824 zijn naam, die 'enorme hagedis' betekent. Een nu nog geldige typesoort, Megalosaurus bucklandii, werd pas in 1827 benoemd. In 1842 was Megalosaurus een van de drie geslachten die door Richard Owen ondergebracht werden in de voor het eerst als een aparte groep reptielen onderscheiden Dinosauria. Omdat hij de eerste onderkende vleesetende dinosauriër was, werd het een gewoonte allerlei losse tanden en botten van theropoden als een soort van Megalosaurus te benoemen. Zo kreeg het geslacht meer soorten dan enig andere uitgestorven dinosauriër, ruim een vijftigtal. Tegenwoordig wordt begrepen dat die eigenlijk niets met de echte Megalosaurus van doen hebben, en dat er maar één geldige soort is: de oorspronkelijke Megalosaurus bucklandii. Van M. bucklandii is nooit een heel skelet gevonden zodat er nog veel onduidelijk is over de bouw van het dier.

De eerste geleerden die Megalosaurus onderzochten, begrepen niet goed hoe hij eruitzag. Ze dachten dat het ging om een gigantische hagedis van twintig meter lengte. In 1842 besefte Owen dat Megalosaurus niet langer was dan negen meter en recht op zijn poten stond. Hij zag het dier echter nog wel als een viervoeter. Door vergelijking met zijn nauwe verwanten, de Megalosauridae, hebben de huidige wetenschappers een veel beter beeld gekregen. Megalosaurus werd ongeveer zeven meter lang en anderhalve ton zwaar. Hij liep op twee achterpoten, waarbij zijn horizontale romp in evenwicht gehouden werd door een recht gehouden staart. Zijn voorpoten waren kort maar stevig. Hij had een grote kop met lange dolkvormige tanden. Net als zijn zustersoort, de Amerikaanse Torvosaurus, was Megalosaurus erg zwaar gebouwd en gespierd.

Vondst en naamgeving Scrotum humanum Het geslacht Megalosaurus wordt vaak in verband gebracht met wat in veel populair-wetenschappelijke boeken als de eerste dinosauriërnaam genoemd wordt. In 1677 beschreef professor Robert Plot in zijn Natural History of Oxford-shire de onderkant van een fossiel dijbeen, in de omgeving van Oxford in een steengroeve opgedolven, bij het dorpje Cornwell nabij Chipping Norton. Plot kreeg het geschenk van Sir Thomas Pennyson.Plot, R., 1677, The Natural History of Oxford-shire, Being an Essay Toward the Natural History of England. Oxford Plot zelf gaf aan de vondst geen naam; hij dacht eerst dat het bot aan een Romeinse krijgsolifant toebehoord had en later dat het van een reus stamde. Tegenwoordig is het specimen verloren gegaan, maar in 1763 werd Plots originele gravure nog eens afgebeeld door Richard Brookes in zijn Natural History of Waters, Earths, Stones, Fossils, and Minerals With their Virtues, Properties and Medicinal Uses en omschreven als een versteend Scrotum Humanum, een 'menselijke balzak'.Brookes, R., 1763, The Natural History of Waters, Earths, Stones, Fossils, and Minerals With their Virtues, Properties and Medicinal Uses: To which is added, The method in which LINNAEUS has treated these subjects. Volume V. Newberry Brooks deed dat niet omdat hij meende dat het echt om versteende testikels ging; het was indertijd de gewoonte om dergelijke curiosa of 'spelingen der natuur' te omschrijven als het object waarmee ze de meeste gelijkenis vertoonden. Ook bedoelde hij de naam niet als een formele biologische soortnaam; wel paste hij net als Linnaeus zelf diens classificatiemethode ook op geologische objecten toe. left|thumb|Het allereerste, later Scrotum Humanum genoemde, beschreven dinosauriërfossiel was wellicht ook van Megalosaurus In 1970 stelde de paleontoloog Lambert Beverly Halstead echter dat de omschrijving toch als een in principe geldige soortnaam beschouwd moest worden daar zij na het eerste werk van Linnaeus gepubliceerd was en diens naamgevingsmethode imiteerde. Dat Brooks het object allereerst als een steen zag en Scrotum Humanum slechts in een bijschrift van een afbeelding voorkwam, achtte hij irrelevant. Slechts het feit dat de naam daarna vergeten was, zou haar tot een nomen oblitum maken die geen prioriteit had ten opzichte van Megalosaurus — Halstead achtte het vrijwel zeker dat het bot tot dat geslacht behoorde.Halstead, L.B., 1970, "Scrotum humanum Brookes, 1763 — the first named dinosaur", Journal of Insignificant Research 5(7):14-15 Begin jaren negentig deed hij zelfs een poging officieel een verzoek in te dienen bij het ICZN teneinde Megalosaurus tot een nomen protectum te verklaren, die na zijn dood in 1991 voortgezet werd door wetenschapshistoricus William Sarjeant. Halstead noch Sarjeant namen de affaire erg serieus en dat deed het ICZN ook niet dat de zaak niet-ontvankelijk verklaarde.Halstead, L.B.† & Sarjeant, W.A.S., 1993, "Scrotum humanum Brookes — The earliest name for a dinosaur?", Modern Geology 18: 221-224 Daarbij werd erop gewezen dat er hoe dan ook geen direct verband te leggen was tussen Megalosaurus en het fossiel.

Buckland benoemt Megalosaurus Megalosaurus was in 1824 de eerste dinosauriër uit het Mesozoïcum die geldig benoemd werd. Vondsten van zulke dinosauriërs waren er al veel eerder gedaan, maar het materiaal was altijd fragmentarisch geweest en leidde niet meteen tot een formele naamgeving. Megalosaurus wordt ook vaak aangeduid als de eerst beschreven Mesozoïsche dinosauriër. Een formele beschrijving van fossiele resten staat echter niet gelijk aan een benoeming. In feite werd Streptospondylus in 1808/1810 als eerste dinosauriër beschreven door Georges Cuvier; dit werd pas ontdekt in 2001, toen bij een herbeschrijving bleek dat de vrij schamele resten aan een dinosauriër toebehoorden en niet aan een krokodilachtige, zoals Cuvier gedacht had. Benoemd werd Streptospondylus pas in 1832. Een andere kandidaat voor de titel 'eerste dinosauriër' is Iguanodon. Deze werd in 1809 wellicht eerder ontdekt dan Megalosaurus en in 1822 eerder beschreven, maar in 1825 een jaar later benoemd — dus wel zeven jaar eerder dan Streptospondylus. thumb|William Buckland gaf Megalosaurus zijn naam In 1815 meldde de geoloog John Kidd de vondst van beenderen van grote viervoeters in een steengroeve in Stonesfield bij Oxford. De groeve werd al eeuwen gebruikt om groene kalksteen voor dakplaten te delven. De blokken werden in de winter buiten gelegd zodat de vorst fraaie vlakke tegels kon afsplijten. Aanwezige fossielen werden zo vrij eenvoudig gevonden. Een gedeelte van het materiaal kwam kennelijk kort daarna in handen van dominee William Buckland. Al voor 1814 had student Philip Barker Webb van de steenwerker George Griffin een heiligbeen aangekocht. In 1817 toonde verzamelaar Henry Warburton een tweede heiligbeen dat uiteindelijk in het bezit van Buckland zou overgaan. In juni 1818 bracht Cuvier een bezoek aan Buckland en meldde later dat de fossielen toen al een paar jaar in diens bezit waren. Het ging om wat losse tanden en een stuk onderkaak met één tand erin. Een alternatieve interpretatie werd in 1925 gegeven door de wetenschapshistoricus Robert William Theodor Gunther die concludeerde dat de kaak dezelfde was als een specimen dat al in oktober 1797 voor 10s.6d. verworven was door Christopher Pegge voor de collectie van de Anatomy School, deel van het Christ Church College.Gunther, R.T., 1925, Early Science in Oxford. Volume 3. The Biological Sciences, Oxford In dat geval moet het exemplaar beschadigd zijn geraakt want dat werd omschreven als hebbende nog twee tanden. Zelfs als de kaak een eerdere vondst was, is het zeker dat Buckland ook uit de groeve van Stonesfield fossielen aankocht want zijn latere verslagen vermelden een groot aantal aanvullende beenderen. Buckland bestudeerde de vondsten samen met zijn vriend William Conybeare. Die laatste verwees er in 1821 in een publicatie zijdelings naar als de Huge Lizard, de 'Enorme Hagedis'. Vermoedelijk waren beide mannen in 1822 al van plan de vorm Megalosaurus te dopen in een gezamenlijk artikel waarvan de informatie opgenomen kon worden in Cuviers gezaghebbende Ossemens. Die had al aangegeven dat geen enkele vorm, naast het in de achttiende eeuw bij Maastricht gevonden fossiel, het meer verdiende om 'reusachtige hagedis' genoemd te worden; Buckland zou de andere kandidaat in 1822 de naam Mosasaurus geven. De publicatie van het artikel ging niet meteen door, maar de naam Megalosaurus wordt dat jaar vermeld door James Parkinson, samen met een illustratie van een van de tanden. Meestal wordt aangenomen dat die illustratie geen voldoende beschrijving opleverde zodat de naam voorlopig een nomen nudum bleef. Parkinson gaf, ongetwijfeld op gezag van Buckland, aan dat een beschrijving aanstaande was en verklapte reeds dat het dier veertig voet lang was en acht voet hoog.Parkinson, J., 1822, Outlines of Oryctology. An introduction to the study of fossil organic remains, especially those found in the British Strata. London left|thumb|350px|De door Buckland beschreven onderkaak van Megalosaurus Gedurende 1823 bleef Buckland aan de beschrijving werken en liet tekeningen van de botten maken door Mary Morland, zijn latere vrouw, aan de hand waarvan weer lithografieën werden vervaardigd. Cuvier werd al ongeduldig — in een brief drong hij op haast aan daar hij voor zijn standaardwerk het hoofdstuk over uitgestorven reptielen wilde voltooien — toen Buckland op 20 februari 1824 het artikel voordroeg op een vergadering van de Geological Society of London, op dezelfde avond waarop Conybeare Plesiosaurus aankondigde. De publicatie van deze voordracht datzelfde jaar hield de beschrijving en geldige benoeming in van het geslacht Megalosaurus. De geslachtsnaam, die door de meer in de klassieke talen thuis zijnde Conybeare gesuggereerd was, betekent letterlijk 'zeer grote hagedis' en is afgeleid van het Oudgriekse μεγάλο-, megalo~, de stam van μέγας, megas, 'groot'.Buckland, W., 1824, "Notice on the Megalosaurus or great fossil lizard of Stonesfield", Transactions of the Geological Society of London, Series 2 1: 390-397

Buckland had nog geen soortaanduiding gegeven, iets wat toen niet ongebruikelijk was omdat het geslacht en niet de soort als het meest wezenlijke element van een bepaalde levensvorm gezien werd. In 1826 schiep Ferdinand August von Ritgen de soortnaam Megalosaurus conybeari waarmee hij dus Conybeare eerde.Ritgen, F.A. von, 1826, "Versuchte Herstellung einiger Becken urweltlichter Thiere", Nova Acta Academiae Caesareae Leopoldino-Carolinae Germanicae Naturae Curiosorum, 13: 331-358 In 1827 gaf Gideon Mantell echter de soortnaam Megalosaurus bucklandii die daarmee juist naar de naamgever van het geslacht vernoemd was.Mantell, G.A., 1827, Illustrations of the geology of Sussex. London, Lupton Relfe De naam M. conybeari raakte al snel in vergetelheid en geldt tegenwoordig als een nomen oblitum, maar vreemd genoeg beweert veel literatuur van voor 1995, toen deze zaak door George Olshevsky opgehelderd werd, dat Von Ritgen de bedenker is van M. bucklandii en niet Mantell. Nog verwarrender is het dat dezelfde literatuur meestal de spellingsvariant M. bucklandi geeft, die al bedacht is door Christian Erich Hermann von Meyer in 1832.Meyer, C.E.H., 1832, Palaeologica zur Geschichte der Erde. Frankfurt am Main, S. Schmerber Dergelijke verkorte vormen, waarbij de genitief direct achter de naam geplakt wordt zonder deze eerste te latiniseren tot in dit geval bijvoorbeeld Bucklandius, zijn op zich correct, maar hebben volgens de regels van de ICZN geen prioriteit ten opzichte van de oorspronkelijke spelling.