Dromaeosaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Eumaniraptora, dat in het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
Het fossiel van Dromaeosaurus werd in 1914 gevonden in Canada. In 1922 werd de typesoort benoemd met de naam Dromaeosaurus albertensis, wat zoiets betekent als 'rennende sauriër uit Alberta'. Daarna zouden nog eens zeven soorten van Dromaeosaurus benoemd worden maar daarvan werd later begrepen dat het om heel andere dinosauriërs gaat. Alleen D. albertenis wordt tegenwoordig nog als een echte soort gezien. Dromaeosaurus gaf zijn naam aan de bekende groep van de Dromaeosauridae en wordt daarom vaak in boeken vermeld. Over het dier zelf heeft het wetenschappelijk onderzoek echter maar weinig harde gegevens aan het licht gebracht. Behalve losse tanden zijn er van Dromaeosaurus tot nu toe alleen een kop en een voet gevonden. Daarom is niet precies bekend hoe het dier eruitzag.
Dromaeosaurus was ongeveer twee meter lang. Hij liep op zijn achterpoten, had veren en was warmbloedig. Zijn schedel was heel stevig gebouwd om met zijn lange tanden krachtig te bijten. Zo joeg hij op vrij grote prooidieren. Die kon hij vermoedelijk ook doden met een sikkelklauw die hij opgetrokken aan zijn voet droeg.
Vondst en naamgeving
In 1914 vonden de fossielenjagers Barnum Brown en Peter Kaisen, werkend voor het American Museum of Natural History, in Canada bij Little Sandhill Creek aan de zuidoever van de Red Deer River bij Steveville in Alberta, het skelet van een kleine theropode. De exacte vindplaats is tegenwoordig onbekend. In 1922 werd het door Brown en William Diller Matthew benoemd en beschreven als de typesoort Dromaeosaurus albertensis. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse δρομεύς, dromeus, 'hardloper', een verwijzing naar de aanpassingen in de voet aan het rennen. De soortaanduiding verwijst naar Alberta.
Het holotype AMNH 5356 is gevonden in lagen van de Dinosaur Park Formatie (vroeger Oldmanformatie genoemd) die dateren uit het late Campanien, ongeveer vijfenzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijke schedel met onderkaken, twee tongbeenderen, het eerste linkermiddenhandsbeen en de onderkant van een linkervoet waaronder de uiteinden van de middenvoetsbeenderen en zeven teenkootjes, waaronder het eerste van de eerste teen, het tweede van de tweede teen, het eerste, tweede en derde van de derde teen en het tweede en derde van de vierde teen. De schedel is bovenop zwaar beschadigd. Het fossiel is van een volwassen individu.
In de loop der jaren zouden tientallen specimina uit het Krijt van Canada en de Verenigde Staten aan Dromaeosaurus albertenis toegewezen worden. Het gaat daarbij zeer overwegend om losse tanden. Of de toewijzing terecht was, is daarbij onzeker want de tanden verschillen vaak licht in vorm en lijken in te onderscheiden subtypen onderverdeeld te kunnen worden. Zulke typen werden daarom ook wel toegewezen aan een onbepaalde Dromaeosaurus sp.
Een enkele keer werd naast tanden ook een skeletelement toegewezen. Meestal moest daarna worden vastgesteld dat het om andere soorten ging, zoals Saurornitholestes, maar bij bepaalde botten is nooit een concreet alternatief geopperd. In 1978 betrof dat specimen CMN 12349, een voorhoofdsbeen. Dit wijkt echter af van het holotype en het is maar de vraag of de determinering correct is. Een andere onzekere toewijzing is UCMP 154575, een derde handklauw. In 2005 werd door Philip John Currie een dozijn skeletelementen gemeld; die zijn echter onbeschreven. In 2001 werd een kootje, specimen RTMP 97.99.4, toegewezen aan een Dromaeosaurus sp. Het is daarbij dubieus of zulke losse elementen überhaupt betrouwbaar toegewezen kunnen worden als er geen overeenkomende elementen in het holotype zijn. Dit probleem wordt nog verergerd doordat het niet zeker is of in het holotype de voet werkelijk bij de schedel hoort.
De eerste beschrijving door Matthew was zeer onvolledig; de schedel was ook maar ten dele geprepareerd. Het exemplaar werd met gips gecompleteerd en tentoongesteld. In 1969 publiceerden Edwin Colbert en Dale Russell een eerste serieuze beschrijving.Colbert E. and Russell D.A., 1969, "The small Cretaceous dinosaur Dromaeosaurus", American Museum Novitates. 2380, 49 pp Ook die bevatte echter veel foute interpretaties, vooral doordat vaak aanvullingen in gips voor bot waren aangezien; de eerste correcte reconstructietekening was van Gregory S. Paul uit 1988. Intussen was de schedel gevallen waardoor het gipsen schedeldak had losgelaten; bij die gelegenheid raakte een deel van de authentieke wandbeenderen kwijt. Na verdere preparatie van het fossiel volgde in 1995 een verbeterde beschrijving door Currie, waarin een aantal eerdere fouten kon worden rechtgezet.Currie, P., 1995, "New information on the anatomy and relationships of Dromaeosaurus albertensis (Dinosauria: Theropoda)", Journal of Vertebrate Paleontology 15(3): 576-591
Andere soorten Behalve D. albertensis is er nog een aantal soorten binnen het geslacht Dromaeosaurus benoemd. Het gaat in alle gevallen om hernoemingen van soorten die al bij andere geslachten waren ondergebracht maar daarna naar Dromaeosaurus werden overgeheveld.
De hernoeming kwam eenmaal voort uit de foute veronderstelling door Matthew dat Dromaeosaurus tot de Deinodontidae zou behoren, de groep die wij tegenwoordig kennen onder de naam Tyrannosauridae. Zo verwees hij in 1922 het specimen van Laelaps falculus, vier tanden, naar een Dromaeosaurus sp.; in 1979 maakte George Olshevsky daar een Dromaeosaurus falculus van. In feite gaat het vermoedelijk om juveniel materiaal van Gorgosaurus of Daspletosaurus.
Meestal betreft het hernoemingen van fragmentarisch deinonychosaurisch materiaal. In 1922 hernoemde Matthew Laelaps leavifrons tot een Dromaeosaurus laevifrons. Vermoedelijk gaat het om een tand van Saurornitholestes. Ook maakte hij provisorisch Laelaps cristatus tot een Dromaeosaurus? cristatus; dit zijn vermoedelijk twee tanden van Troodon. Nog voorzichtiger verwees hij het materiaal van Laelaps explanatus, een tand, naar een Dromaeosaurus? sp.: Oskar Kuhn maakt daar in 1939 een Dromaeosaurus explanatus van. In feite is het een specimen van Saurornitholestes. Ook hernoemde hij Coelurus gracilis tot een Dromaeosaurus? gracilis; het gaat om een onbepaalde dromaeosauride handklauw. In 1972 hernoemde Russell een deel van het materiaal van Ornithomimus minutus Marsh 1892 tot een Dromaeosaurus minutus; tegenwoordig wordt het niet als dromaeosauride beschouwd. In 1988 hernoemde Gregory S. Paul Adasaurus tot een Dromaeosaurus mongoliensis maar is daarin door niemand gevolgd. Bij vergissing is door Tracy Ford aangenomen dat Zapsalis abradens Cope 1876 door Matthew hernoemd zou zijn tot een "Dromaeosaurus abradens"; in feite wees deze slechts op de gelijkenis in het materiaal.
Naast de typesoort D. albertensis wordt dus geen enkele soort van Dromaeosaurus nog als geldig beschouwd.
Soortenlijst Het verwarrende proces van naamgeving kan worden samengevat in de volgende soortenlijst:
Dromaeosaurus albertensis Matthew & Brown 1922: valide typesoort van het geslacht Dromaeosaurus Dromaeosaurus laevifrons (Cope 1876) Matthew & Brown 1922: vermoedelijk identiek aan Saurornitholestes, = Laelaps leavifrons Cope 1876 Dromaeosaurus? cristatus (Cope 1876) Matthew & Brown 1922: vermoedelijk identiek aan Troodon, = Laelaps cristatus Cope 1876 Dromaeosaurus? gracilis (Marsh 1888) Matthew & Brown 1922: = Coelurus gracilis Marsh 1888 Dromaeosaurus explanatus (Cope 1876) Kuhn 1939: vermoedelijk identiek aan Saurornitholestes, = Laelaps explanatus Cope 1876 Dromaeosaurus minutus (Marsh 1892) Russell 1972: = Ornithomimus minutus Marsh 1892 partim Dromaeosaurus falculus (Cope 1876) Olshevsky 1979: = Laelaps falculus Cope 1876 Dromaeosaurus mongoliensis (Barsbold 1983) Paul 1988: = Adasaurus mongoliensis Barsbold 1983
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken right|thumb|upright=1.7|Een afgietsel van de gerestaureerde schedel van Dromaeosaurus Dromaeosaurus is een middelgrote dromaeosauride. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op ruwweg twee meter, het gewicht op vijftien kilogram. Currie schatte de lengte op tweehonderdtien centimeter.
Doordat er zoveel onderdelen ontbreken, is het lastig een goed beeld te geven van de soort. Als dromaeosauride was het een tweevoetige, warmbloedige, bevederde jager met een horizontale stijve staart. Vaak wordt aangenomen dat het een in het algemeen zwaargebouwde vorm zou betreffen op grond van de schedel die tamelijk robuust is. left|thumb|upright=1.7|Een sterk vereenvoudigd schema van de verschillende schedelbeenderen Currie wist in 1995 enkele onderscheidende eigenschappen vast te stellen. De praemaxilla in de snuit is hoog en relatief dik. Het quadratojugale is stevig gebouwd. Het voorhoofdsbeen (frontale) is relatief plat. De uitholling van het bovenste slaapvenster (fenestra temporalis superior) heeft een weinig uitstekende bovenrand. De tak van het voorhoofdsbeen die naar het postorbitale loopt, is duidelijk afgescheiden van de binnenste bovenrand van de oogkas. In het verhemelte heeft het middelste achterste uitsteeksel van het os palatinum er slank. Er staan negen tanden in de maxilla, minder dan bij enige andere bekende dromaeosauride. De tandvorm is uniek in die zin dat de gekartelde voorste snijrand bij de punt van de tandkroon op de middenlijn van de tand ligt maar richting tandbasis steeds verder naar de binnenkant van de tandkroon draait. Dit laatste kenmerk is van geen enkele andere theropode bekend.
De herbeschrijving van Currie uit 1995 toonde aan dat enkele eerder vermoede kenmerken in feite afwezig waren: de vermeende D-vormige tanden in de praemaxilla zouden niet zo mogen heten omdat hun bouw fundamenteel anders is dan ook 'D-vormige' genoemde tanden bij de tyrannosauriden, en pneumatisering van de schedel ontbreekt, ook in de hersenpan. Latere auteurs hebben dat echter ook weer bijgesteld: wat men 'D-vormig' wil noemen of niet, hangt van ieders persoonlijke keuze af en sommigen verkiezen toch die term te gebruiken. Bij de achterste recessus tympanicus, een uitholling bij het middenoor die via de voet van de stapes verbonden was met het trommelvlies, is de aanwezigheid van luchtholten vastgesteld. Currie wist ook een kenmerk te vinden waarvan Colbert en Russell gedacht hadden dat het ontbrak: de aanwezigheid van interdentaalplaten achter de tanden.
In 2012 voegde Alan Turner aan de tandvorm nog een autapomorfie, unieke afgeleide eigenschap, toe: de recessus tympanicus noch recessus basipterigoideus lopen door over de gepaarde aanhangsels van de hersenpan, de processus basisphenoidei en achterliggende processus basipterygoidei. thumb|upright=1.7|Dromaeosaurus had hoogstwaarschijnlijk een verenkleed Verder vulde Turner de lijst aan van kenmerken die althans is combinatie uniek zijn. De kartelingen van de voorrand en de achterrand van de tanden zijn ongeveer even groot. De richel op het bovenkaaksbeen aan de voorzijde van de fenestra antorbitalis is smal. De neusbeenderen steken naar achteren V-vormig uit tussen de voorhoofdsbeenderen. Het raakvlak tussen voorhoofdsbeen en traanbeen heeft diepe inkepingen. Er bevindt zich een grote schedelopening aan de voorrand van de fossa antorbitalis, welke wellicht een vergrote fenestra promaxillaris vertegenwoordigt of mogelijkerwijs een uitzonderlijk voorwaarts geplaatste fenestra maxillaris, in welk geval een fenestra promaxillaris ontbreekt. De bovenste recessus tympanicus is zwak ontwikkeld. Het zwak ontwikkelde preoticum is afhangend.
Skelet Schedel