Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van de stad New York.
Indiaanse prehistorie en Nieuw Nederland: 1613-1664
right|180px|thumb|Kaart uit 1656 In de geschiedenis van New York zijn de Algonkian sprekende Lenni-Lenape de oorspronkelijke indiaanse bewoners van het eiland Manhattan. Lenapes in kano's ontmoetten in 1524 de Italiaan Giovanni da Verrazzano, de eerste Europese ontdekkingsreiziger die New York Harbor aandeed. Giovanni da Verrazzano noemde de plaats Nouvelle-Angoulême, ter ere van de Franse koning Frans I in wiens dienst hij voer. Hoewel Verrazano New York Harbor ontdekte, wordt aangenomen dat hij niet verder voer dan de brug die nu zijn naam draagt, maar terug zeilde, de Atlantische Oceaan op. Pas met de reis van Henry Hudson, een Engelsman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie werd het gebied in kaart gebracht. Hudson ontdekte Manhattan op 11 september 1609 en voer de stroom op die nu zijn naam draagt, de Hudson, tot hij aankwam op de plaats van de huidige hoofdstad van de staat New York, Albany.
Hudson ontdekte vrij snel dat de pelzenhandel naar Europa een lucratieve bron van inkomsten betekende. Hudson leidde maanden later verschillende Nederlandse handelsschepen naar het gebied. De handel tussen Nederland en de inheemse bevolking floreerde maar leidde nog niet tot permanente nederzettingen.
In 1624 stichtte een groep protestantse Waalse families een eerste nederzetting op het eiland Manhattan. Zij werden daarop gevolgd door streekgenoten en andere families van Duitse, Nederlandse en Britse afkomst. Het gebied werd destijds zowel Nieuw-België als Nieuw-Nederland genoemd. Kort daarop arriveerde in 1625 een Nederlands schip van de West-Indische Compagnie op deze locatie in het hedendaagse New York. Zij wilden de bonthandel van deze compagnie in de Hudson-vallei beschermen. In mei 1626 werd de Nederlandse Peter Minuit aangewezen als eerste gouverneur van de kolonie. De nederzetting kreeg de naam Nieuw-Amsterdam.
In 1626 "kocht" Minuit Manhattan van de Indianen voor snuisterijen ter waarde van 60 gulden, nu zo'n 700 euro of duizend dollar waard.Brief uit 1626 waarin melding gemaakt wordt van de aanschaf van het eiland Manhattan voor een waarde van 60 gulden. Geraadpleegd op 23 september 2013. De 60 guldens worden in de VS meestal omgerekend tot 24 dollars. Dit is een vergissing, omdat 60 guldens in 1626 veel meer waard waren. De website van het International Institute for Social History, Amsterdam rekent de waarde om als 60 gulden (1626) = 753,14 euro (2012). In 1647 werd Peter Stuyvesant Director General van het Nieuwe Nederland. In 1653 werd er een muur gebouwd ter bescherming tegen de indianen. De aangrenzende straat werd de Walstraat (Wall Street) genoemd.
In de aanloop naar de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog in 1664 werd Nieuw-Amsterdam veroverd door de Engelsen, die de nederzetting New York noemden, naar de hertog van York. In 1667 had de Republiek bij de Vrede van Breda ervan afgezien het gebied terug te eisen; in ruil daarvoor bleef men het dat jaar veroverde Suriname bezet houden evenals onder andere het Molukse eiland Run, waarmee de VOC het nootmuskaatmonopolie verwierf.
In 1673 had de Republiek Manhattan weer even in bezit, maar al gauw nadat de naam in "Nieuw-Oranje" veranderd was, werd het bij de Vrede van Westminster in 1674 definitief overgedragen aan de Britten. Omgekeerd deden de Britten bij dit verdrag, dat niet zozeer feitelijke, maar vooral formele veranderingen omvatte, definitief afstand van Suriname. Onder het Britse bestuur groeide het belang van New York als handelspost. In 1754 werd de Columbia-universiteit opgericht op aanwijzing van George II van Groot-Brittannië.
Engelsen en de Amerikaanse revolutie: 1665-1783 thumb|left|Het standbeeld van de Engelse koning George III wordt neergehaald, in 1776. Deze periode ving aan met de Engelse overname van het Nederlandse Nieuw-Amsterdam en Nieuw-Nederland in 1664. In 1673 kreeg Nederland het weer even in bezit, met als laatste gouverneur Peter Stuyvesant. Al snel na de naamsverandering in Nieuw-Oranje werd het in november 1674 een laatste maal aan de Engelsen overgedragen, in ruil voor het huidige Suriname.
In 1720 werd de eerste scheepswerf gebouwd. Scheepsbouw was destijds een belangrijke bron van inkomsten.
Op 9 juli 1776 las de hulp van George Washington de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten voor aan zijn troepen en de burgers van New York, die later Bowling Green bestormden, waar een standbeeld van koning George III stond, vervolgens touwen aan het standbeeld bond en trok het van zijn voetstuk en verscheep zijn stoffelijk overschot naar Litchfield, Connecticut, waar het grootste deel van het lood van het standbeeld werd omgezet in 42.000 musketballen voor het Continentale Leger. Tijdens dit proces werden de sierelementen bovenop het hek dat langs de omtrek van Bowling Green was gebouwd om het standbeeld van de koninklijke kroon te beschermen, afgezaagd. Het hek staat er tot op de dag van vandaag nog steeds en de onregelmatige zaagsporen waar de sierelementen zich bevonden, zijn nog steeds zichtbaar.
Naarmate de in New York herdoopte stad en de omliggende gebieden zich ontwikkelden, groeiden er onafhankelijkheidsgevoelens onder sommigen, maar het gebied was sterk verdeeld wat betreft de loyaliteiten. Het gebied van het moderne New York vormde het toneel van de New York Campaign (1776), een reeks belangrijke veldslagen in de vroege Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Na een vroeg succes in deze campagne werd de stad het politieke en militaire centrum van Britse operaties op Noord-Amerika. Nathan Hale werd in Manhattan gehangen na de Slag van Long Island. Daarbij begonnen de Britten de meerderheid van de Amerikaanse krijgsgevangenen aan boord van gevangenisschepen in Wallabout Bay in Brooklyn onder te brengen. Op deze gevangenisschepen verloren meer Amerikanen hun leven door verwaarlozing dan er stierven in alle gevechten in deze oorlog samen. New York liep tweemaal zware schade op door branden met een verdachte oorsprong tijdens de Britse bezetting die volgde op de Slag van Brooklyn aan het begin van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Deze bezetting duurde tot 25 november 1783. George Washington keerde op deze 25ste november terug naar de stad terwijl de laatste Britse troepen de Verenigde Staten verlieten. Bijna een eeuw werd deze dag lokaal wijdverspreid gevierd als "Evacuation Day". Het Continental Congress kwam in New York samen onder de Artikelen van Confederatie. New York Populatie per jaar 1790 33.1311800 60.5151810 96.3731820 123.7061830 202.5891840 312.7101850 515.5471860 813.6691870 942.2921880 1.206.2991890 1.515.3011900 3.437.2021910 4.766.8831920 5.620.0481930 6.930.4461940 7.454.9951950 7.891.9571960 7.781.9841970 7.894.8621980 7.071.6391990 7.322.5642000 8.008.278Inclusief de "outerboroughs" voor de samenvoeging van 18981790 49.0001800 79.2001830 242.3001850 696.1001880 1.912.000
Onafhankelijkheid en de komst van de Ieren: 1784-1854 left|thumb|Inauguratie van George Washington (1789) New York werd de eerste hoofdstad van de nieuw gevormde Verenigde Staten op 13 september 1788 onder de Constitutionele Conventie van de Verenigde Staten. Op 30 april 1789 werd de eerste President van de Verenigde Staten George Washington geïnaugureerd in Federal Hall aan Wall Street. New York bleef tot 1790 de hoofdstad van de jonge republiek, waarna deze eer Philadelphia te beurt viel.
New York groeide uit als een economisch centrum, eerst als het resultaat van het beleid en de daden van Alexander Hamilton, de eerste Secretary of the Treasury, en later door de opening van het Eriekanaal in 1825. Na de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog vestigden duizenden, voornamelijk New England Yankees, zich in de stad. Ze waren met zoveel dat tegen 1820 de stad haar vooroorlogse populatie ver had overtroffen. De inwoners behoorden grotendeels tot de middenklasse, met een groeiende bovenklasse, en stamden voor de volle 95% van Amerikaanse ouders af. In economisch opzicht ontwikkelde New York zich als een krachtig centrum van artisanale en ambachtelijke activiteit, terwijl de bank- en commerciële sector van de stad al snel voor een tijd dominant werd in de Verenigde Staten. Tijdens de periode 1800-1840 groeide de stad in weelde en macht en nooit zou de stad nog zo’n fundamentele samenleving omvatten van overwegend Amerikaansgeboren burgers.
thumb|left|Straatbeeld van New York vanaf Union Square, 1849. New York was een stabiele protestantse Amerikaanse middenklasse maatschappij die bestond uit brokers, gilde leden, bankiers, ambachtslieden, handwerkers, handelaren, schippers, winkeliers, en goed betaalde arbeiders die allen werkten in een vroeg republikeinse omgeving van vrijwillige brandweerlieden, burgerwachten en andere civiele organisaties. Plots werd deze samenleving in de 1840’s overspoeld door duizenden, meestal analfabete, ongeschoolde katholieke Ieren die de landbouwcrisis in hun thuisland ontvluchtten. De sociale verandering liet New York op zijn grondvesten beven. Doordat de bureaucratische civiele structuren van vandaag ontbraken, stortte de stadsinfrastructuur die steunde op een vrijwilligersnetwerk van gelijkdenkende individuen in elkaar. De oorspronkelijke netwerken legden zich nu toe op het beschermen van de buurten van de in oorsprong Amerikaanse stadsburgers tegen de Ierse Amerikanen. De Ieren vormden bendes om zichzelf te beschermen. De criminaliteit steeg toen competitieve etnische vrijwilligersgroepen wedijverden voor de controle over de gemeentelijke steun en haar brandbestrijding- , hygiëne-, afval- en politie- voorzieningen.
Tammany Hall begon aan invloed te winnen met de steun van de Ierse immigranten, wat in 1854 uitmondde in de verkiezing van de eerste Tammany burgemeester, Fernando Wood.
Tammany Hall was een cliëntelisme netwerk van de lokale Democratische Partij die dreef op, en al snel gedomineerd werd door rooms-katholieke Ieren.
Segregatie en burgeroorlog 1855-1897 Tijdens de 1ste helft van de 19e eeuw onderging de stad een transformatie door een visionair stadsplanningvoorstel, het Commissioners' Plan van 1811, dat een stratenraster over het eiland Manhattan voorzag. Door de opening van het Eriekanaal, dat de Atlantische haven verbond met de uitgebreide landbouwmarkten van het Mid-Westen van de Verenigde Staten en Canada, had New York tegen 1835 Philadelphia voorbijgestoken als grootste stad van de Verenigde Staten. Leden van de oude handelsaristocratie, die tegemoet wensten te komen aan de nood voor open ruimte in de stad, ijverden voor een Centraal Park. In 1857 werd een ontwerpwedstrijd uitgeschreven. Central Park werd het eerste landschapspark in een Amerikaanse stad.
In 1831 deed de paardenomnibus haar intrede in New York, in 1853 gevolgd door de paardentram, hier "streetcar" genoemd. De particuliere vervoersmaatschappijen waren vrij in het toelaten en het weren van passagiers. Over het algemeen werden zwarte New Yorkers geweerd. Dit leidde tot een incident op zondag 16 juli 1854, toen de 24-jarige kleuterleidster Elizabeth Jennings op 3th Avenue instapte en door de conducteur werd gesommeerd om uit te stappen. De vrouw had haast om de kerkdienst te halen waar ze orgel moest spelen en weigerde de tram te verlaten. Er ontstond een handgemeen en de politie kwam eraan te pas. Jennings spande een proces aan, dat ze won. Haar advocaat was de latere president Chester Arthur. Na een tweede incident op een andere lijn werd in 1861 de rassenscheiding in het openbaar vervoer opgeheven.
Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) verdeelden 1. de commerciële band met het zuiden, 2. de groeiende migrantenbevolking en 3. de ontevredenheid omtrent de conscriptie de noordelijke Unie en de zuidelijke Confederatie. In New York mondde dit uit in de dienstplichtrellen of Draft Riots van 1863, een van de grootste civiele opstanden in de Amerikaanse geschiedenis.