Ankylosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Thyreophora, dat tijdens het Laat-Krijt (Maastrichtien) leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De typesoort van het geslacht, tevens de enige soort, Ankylosaurus magniventris, werd in 1906 ontdekt en kreeg in 1908 zijn naam die 'gebogen sauriër met de grote buik' betekent. Daarna is er nog een klein aantal fossielen van de soort gevonden. Ze zijn allemaal onvolledig zodat maar een gedeelte van het skelet bekend is. Door te kijken naar andere Ankylosauridae, de groep waartoe Ankylosaurus behoort, kunnen we ons een beeld vormen van hoe het dier eruitzag.

Ankylosaurus was ruim zes meter lang, misschien zo lang als acht meter. Oudere boeken geven een lengte van wel elf meter maar die schattingen bleken achteraf veel te hoog te zijn. Hij had een erg platte en ronde romp met zeer brede heupen en korte poten. De nek was kort en droeg een korte brede kop voorzien van opvallend gekromde kaken waarin kleine tandjes stonden en die eindigden in een grote kromme snavel. Met die snavel en tanden rukte Ankylosaurus stukken plant af die hij bijna heel doorslikte en verder in zijn grote buik verteerde.

De kop, romp en staart van Ankylosaurus waren bovenop bedekt met kleinere en grotere platte beenplaten. Die beschermden hem tegen de beten van het belangrijkste roofdier in zijn omgeving, de reusachtige Tyrannosaurus rex. Ankylosaurus kon zich daartegen ook goed verdedigen met een zware beenknots aan het uiteinde van zijn staart waarmee hij dodelijke klappen kon uitdelen.

Ontdekking en naamgeving Ankylosaurus magniventris werd in 1908 benoemd en beschreven door Barnum Brown, een medewerker van het American Museum of Natural History. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse αγκυλος, ankylos, 'gebogen', een verwijzing naar de ziekte ankylose waarbij de gewrichten verstijven door vergroeiing. De naam wordt daarom ook wel vertaald als 'stijf reptiel'. Hij verwijst niet zozeer, zoals vroeger vaak vermeld, naar de vergroeiing van het pantser maar voornamelijk naar de versmelting van de wervels van de rug en het heiligbeen. De soortaanduiding betekent 'met grote buik' in het Latijn, vanuit magnus en venter, een verwijzing naar de omvang van de buikholte. left|thumb|Een eerste reconstructie door Brown. Hij kende de staartknots niet en begreep niet hoe plat de romp was. Poten, staart en bekken zijn overgenomen van Stegosaurus Het holotype, het naamdragend fossiel van het geslacht AMNH 5895, werd door een team van Brown onder leiding van Peter Kaisen in 1906 opgegraven in de Hell Creek-formatie in Montana in Garfield County. Het bestaat uit de bovenkant van de schedel, twee losse tanden (die in een schedelholte werden aangetroffen), vijf halswervels, elf ruggenwervels, drie ribben, de rechterschoudergordel en beenplaten. Een jaar eerder had Brown al zo'n tachtig beenplaten van Ankylosaurus gevonden in de Lanceformatie in Wyoming maar die ten onrechte in verband gebracht met een gedeeltelijk skelet van Tyrannosaurus (AMNH 5866) en de combinatie Dynamosaurus gedoopt. thumb|De vondstlocatie van AMNH 5214 In 1910 vonden Brown en Kaisen een derde kleiner exemplaar, in de Scollardformatie in Alberta, AMNH 5214, dat ook de beenknots omvatte naast een complete schedel met onderkaken, zes ribben, zeven halswervels, zeven staartwervels, beide opperarmbeenderen, een linkerzitbeen, een linkerdijbeen, een rechterkuitbeen, een middenvoetsbeentje en beenplaten. Deze formaties stammen alle uit het eind van het Krijt, het laatste Maastrichtien, ongeveer 68 tot 65 miljoen jaar oud. Een vierde specimen is NMC 8880, de grootste bekende schedel van de soort plus linkeronderkaak, in 1947 gevonden door Charles Mortram Sternberg, ook in Alberta. Nog andere beenderen zijn aan Ankylosaurus toegewezen maar dat bleek, op wat tanden en platen na, achteraf steeds te berusten op een foute identificatie met uitzondering van een kleine serie vergroeide staartwervels in de jaren zestig opgegraven, CCM V03. Geen van deze latere exemplaren werd indertijd apart beschreven. thumb|left|Vindplaatsen van Ankylosaurus Euoplocephalus werd een tijd als vallend onder Ankylosaurus gezien, als een Ankylosaurus tutus, maar is tegenwoordig weer ondergebracht in een eigen geslacht.

Beschrijving Algemene bouw thumb|De grootte van NMC 8880 volgens Carpenter Het skelet van Ankylosaurus is maar gedeeltelijk bekend; het is niet eens zeker hoeveel wervels de soort had. Brown maakte eerst de fout de reconstructie van het skelet te baseren op dat van Stegosaurus. Na vondsten in de jaren negentig van de twintigste eeuw van verwante soorten, kunnen door vergelijking daarmee echter veel ontbrekende gegevens worden aangevuld.

Ankylosaurus is heel anders gebouwd dan de meeste dinosauriërs, die een langwerpige vorm hebben met een vrij lange nek en een smalle, langgerekte romp en schedel. Ankylosaurus had een heel gedrongen lichaamsbouw met een korte nek, brede schedel en extreem brede en afgeplatte romp. Hij had een aanzienlijke omvang. Traditioneel wordt een lengte van acht à tien meter aangegeven en een gewicht tot wel vijf ton. Nieuwere schattingen in een moderne beschrijving door Kenneth Carpenter uit 2004 hebben dit voor ook het grootste exemplaar NMC 8880 teruggebracht tot 6,25 meter, een breedte van 1,5 meter, een heuphoogte van 1,7 meter en een gewicht van enkele tonnen. Daarmee is Ankylosaurus echter nog steeds een van de grootste bekende ankylosauriërs; alleen Dyoplosaurus gigantea is met ruim acht meter duidelijk groter en zelfs daarvan is de lengte niet met complete skeletten vast te stellen. De schatting van de maximumlengte door een extrapolatie vanuit specimen NMC 8880 is echter erg onzeker omdat deze schedel sterk is platgedrukt en daardoor aanzienlijk langer geworden dan in de oorspronkelijke toestand, met bijna anderhalf keer de lengte van de schedel van AMNH 5895. Dit heeft de oude schatting van een negen meter voortgebracht. Uit een vergelijking met het weinig vervormde achterdeel van NMC 8880 meende Carpenter echter te kunnen opmaken dat het exemplaar in het echt ongeveer tien procent langer geweest moest zijn. Het kleinste bekende exemplaar, AMNH 5214, had een lengte van 5,4 meter en een heuphoogte van 1,4 meter. Carpenters schattingen zijn niet unaniem aanvaard: in 2010 gaf Gregory S. Paul voor AMNH 5214 een schatting van 6,7 meter voor de lengte en een gewicht van 3,9 ton; voor NMC 8880 respectievelijk 7,8 meter en zes ton.

In 2017 kwam Victoria Megan Arbour met andere schattingen. Ze wees erop dat Carpenter NMC 8880 niet goed kon bestuderen en ten onrechte een grote vervorming van het schedeldak aannam. Volgens haar was het in een uitstekende toestand van preservering wat zou wijzen op grotere lichaamslengten. Ze schatte die op 6,02 tot 7,95 meter voor AMNH 5214 bij een gewicht van 4,78 ton, 6,5 meter voor AMNH 5895, en 7,56 tot 9,99 meter voor CMN 8880 bij een gewicht van 7,95 ton. Voor dit laatste specimen achtte de ondergrens van zo'n acht meter overigens een stuk waarschijnlijker dan de bovengrens van tien meter.

Het lichaam was van boven volledig bedekt met beenderplaten, zodat Ankylosaurus vaak omschreven wordt als een levende pantserwagen en het meest typische voorbeeld van een 'gepantserde dinosauriër'.

Onderscheidende kenmerken van Ankylosaurus zijn vooral te vinden in de schedel. De buitenste neusgaten zijn zijwaarts gedraaid en in vooraanzicht niet zichtbaar. Ze worden overlapt door een grote achterliggende osteoderm van de middelste snuitwand die zijwaarts bol uitsteekt. De 'hendel' van de staart, die de staartknots ondersteunde, is tweemaal zo dik als bij andere ankylosauriden, hoewel relatief niet langer.

In 2017 kwam Arbour met aanvullende kenmerken. De snuit is bedekt met platte zeshoekige caputegulae. De vestibulen van de neusholten worden volledig overkapt door de gepaarde caputegulae van de middelste snuitwanden in plaats van een caputegula die ontspruit aan de neusbeenderen. De scherpe rand van de caputegulae van de voorste en achterste supraorbitalia loopt ononderbroken door in de rand van de hoorn op het squamosum. Het bovenkaaksbeen draagt vierendertig tot zesendertig relatief kleine tanden met een lengte die minder dan twee procent van de schedellengte bedraagt; dit aantal is groter dan bij Anodontosaurus of Euoplocephalus. De doornuitsteeksels van de wervels van de staarthendel hebben in bovenaanzicht een U-vorm in plaats van een V-vorm, wat uniek is binnen de Ankylosauridae. De staartknots is even lang als breed, net als bij Euoplocephalus en Scolosaurus, en wijkt daarmee af van de knots van Anodontosaurus die breder is dan lang of die van Dyoplosaurus die langer is dan breed.

Schedel thumb|upright=1.7|De schedel van Ankylosaurus was bizar gevormd. Dit is die van AMNH 5214 waarbij een gedeelte van de snavel is afgebroken De schedel is breder (77 centimeter bij NMC 8880) dan lang (naar schatting 64,5 centimeter) en sterk afgeplat. Veel schedelbeenderen zijn bij het volwassen dier volledig vergroeid en veel schedelopeningen, zowel de fenestra antorbitalis als de bovenste slaapvensters, zijn volledig gesloten. Zo ontstaat een zeer stevige constructie. De bovenkant is bedekt met vastgegroeide huidverbeningen, waarvan ook wel is aangenomen dat het geheel of gedeeltelijk uitgroeisels van de eigenlijke schedel zelf zijn, gevormd in reactie op bovenliggende hoornplaten in de huid in een proces dat de oorspronkelijke beennaden heeft laten verdwijnen. Rond de afgeronde snuit vormen aan iedere zijde drie lange beenplaten de buitenste rand; daarbinnen is het licht bollende dak van de schedel opgevuld met een onregelmatig mozaïek van platen. Vooraan bevindt zich een grote centrale beenplaat; naar achteren toe verkleinen de plaatjes en lopen uiteindelijk over in een enkele ruwe, egaal vergroeide lagere plaat boven de wandbeenderen. Beide zijden daarvan lopen geleidelijk over in een van boven platte piramidevormige hoorn die schuin naar achteren uitsteekt, iets achter de kleine ronde oogkas, die ook verder door verschillende beenrichels beschermd wordt. De ogen staan iets naar voren gericht zodat een zekere mate van stereoscopisch zich mogelijk moet zijn geweest. Onder de ogen steekt een wat platter driehoekig uitsteeksel van het quadratojugale naar beneden en bedekt zo het kaakgewricht en het onderste slaapvenster dat echter niet geheel gesloten is. Behalve dat het een beschermende functie had, kan dit uitsteeksel misschien ook de taak van aanhechtingsvlak voor de kaakspieren van het onderste slaapvenster hebben overgenomen. De processus paroccipitales, de uitsteeksels van het achterhoofd, zijn niet vergroeid met het schuine quadratum en zijn zijwaarts gericht zodat een rechte aansluiting wordt verkregen met de beenplaten van de rug en dit potentieel kwetsbare punt goed wordt afgeschermd; hiertoe is de achterrand ook wat overhangend. left|thumb|Schedel van het holotype