thumb|Inflatie in de wereld (cijfers uit 2019) thumb|Inflatie in de Eurozone sedert 1991 thumb|Waarom verdampt je spaargeld? - Universiteit van Nederland Inflatie is een algemene prijsstijging van goederen en diensten in een markteconomie. Het maakt geld minder waard (de koopkracht daalt) en wordt daarom ook geldontwaarding of muntontwaarding gemoemd. De inflatie wordt uitgedrukt in een percentage per jaar via het inflatiecijfer. Op zichzelf is inflatie ongunstig voor wie geld heeft, voor zover die niet volledig wordt gecompenseerd door rente of succesvol beleggen/investeren (en nog extra als over dat nominale rendement belasting moet worden betaald), en eventueel gunstig voor wie schulden heeft. Voor wat betreft de balans tussen inkomsten en uitgaven is inflatie vooral nadelig als die niet of te weinig wordt gecompenseerd door loonsverhoging enz., maar anderzijds houdt die de inflatie juist in stand. Voor de economie is een positief effect van inflatie dat het bestedingen bevordert. Het omgekeerde, deflatie, is voor de economie ongunstig omdat het leidt tot uitstel van bestedingen. Er wordt daarom in bijvoorbeeld de EU gestreefd naar een stabiele inflatie van 2% per jaar.

De jaarlijkse inflatie is de prijs van het totale "boodschappenmandje" in een bepaalde maand, dat wordt vergeleken met dezelfde maand van het jaar voordien. Bij het bepalen hiervan wordt gekeken naar alle goederen & diensten die huishoudens consumeren over een periode van een jaar, zoals: dagelijkse boodschappen, duurzame consumptiegoederen, gangbare consumptieartikelen, producten en maandelijkse uitgaven.

Het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) en andere centrale banken hebben de taak zich te richten op het handhaven van prijsstabiliteit. Er wordt gestreefd naar een inflatiepercentage van 2% op een middellange termijn. Het is belangrijk een symmetrisch evenwicht te vinden want een te lage inflatie is net zo ongewenst als een te hoge inflatie.

De consumptieprijsinflatie in het eurogebied wordt maandelijks berekend door Eurostat.

Prijsstijging Historisch gezien is inflatie in ontwikkelde economieën altijd gekoppeld geweest aan externe schokken: aan politieke crises, revoluties, oorlogen of vondsten van nieuwe voorraden goud of zilver (die lange tijd als geld dienden). Na afloop van dergelijke schokken herstelde het prijspeil, dat daardoor eeuwenlang rond hetzelfde niveau schommelde. Pas sinds ca. 1940 kent de westerse wereld een seculiere (niet-tijdelijke) inflatie.

Hoewel over de oorzaken van deze inflatie onder economen verschillend wordt gedacht, wordt vrij algemeen aangenomen dat er een zeker verband bestaat tussen de ontwikkeling van de maatschappelijke geldhoeveelheid en inflatie: inflatie wordt vermoedelijk veroorzaakt door de relatieve toename van de hoeveelheid geld ten opzichte van de aanwezige economische productie. Wanneer de maatschappelijke geldhoeveelheid toeneemt en er geen hogere productie van het land tegenover staat, zal het gemiddeld prijspeil door de toegenomen vraag naar goederen stijgen. Er staat namelijk geen extra productie tegenover. Prijsinflatie kan ook worden veroorzaakt door doorberekening van gestegen productiekosten, gestegen importprijzen en hogere belastingtarieven. Door de prijsstijgingen (prijsinflatie) daalt de (interne) waarde van het geld, de koopkracht van het geld. Voor hetzelfde bedrag kan namelijk minder worden gekocht. Door hoge inflatie zal het vertrouwen van de burgers in hun eigen valuta afnemen. Investeringen voor (buitenlandse) beleggers worden risicovoller. Uiteindelijk zal, als de prijsinflatie te hoog wordt, de centrale bank de rentetarieven verhogen om zodoende de geldcreatie te ontmoedigen.

Meting De inflatie in Nederland wordt gemeten als de stijging van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van dezelfde periode in het voorgaande jaar. De seizoensinvloeden op het prijsniveau worden zo geëlimineerd. De consumentenprijsindex geeft het prijsverloop weer van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door de Nederlandse huishoudens. Dit pakket wordt afgeleid uit resultaten van de Nationale rekeningen en uit een budgetonderzoek onder huishoudens. Elke productgroep krijgt een gewicht dat overeenkomt met het aandeel van dat artikel in de totale consumptieve uitgaven van huishoudens. Tot 2007 werd in Nederland eens in de vijf jaren het pakket herzien, maar sindsdien is dit jaarlijks.

Een probleem bij het meten van inflatie is dat verschillende goederen en diensten geheel verschillende prijsstijgingen kunnen vertonen. De mate waarin elk individu last ondervindt van inflatie is daarmee afhankelijk van het uitgavenpatroon van ieder individu.

Het maandelijkse inflatiecijfer betreft de toename van het prijsniveau ten opzichte van dat 12 maanden eerder, en moet niet verward worden met de inflatie in één maand. Verder moet aan de verandering van het inflatiecijfer van een maand naar de volgende niet te veel waarde worden gehecht, want die hangt slechts af van het prijsniveau in vier maanden, twee opeenvolgende van het betreffende jaar en dezelfde twee van het eerdere. Voor het bepalen van een trend in de inflatie kunnen beter meer waarden bekeken worden.

Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex Naast de nationale consumentenprijsindex (CPI) is er ook een Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (Harmonized Index of Consumer Prices, HICP). Met de HICP is het mogelijk de inflatie tussen de lidstaten van de Europese Unie te vergelijken. Definities, indelingen en methoden zijn daartoe zo goed mogelijk gecoördineerd en in regelgeving vastgelegd. Er wordt een HICP berekend voor de afzonderlijke lidstaten, voor de groep landen die de euro hebben ingevoerd en voor de Europese Unie als geheel.

De belangrijkste verschillen tussen de Nederlandse CPI en HICP zijn: Bij de HICP gaat het om alle uitgaven op Nederlands grondgebied waarbij uitgaven van buitenlandse bezoekers in Nederland meetellen. De CPI gaat alleen uit van uitgaven door Nederlanders en tellen uitgaven van Nederlanders in het buitenland mee. Bij de Nederlandse CPI worden ook consumptiegebonden belastingen en overheidsdiensten meegenomen; bij de HICP niet. In de HICP worden bestedingen aan eigen woningbezit niet meegenomen en in de CPI is dat wel het geval. Verzekeringspremies en uitgaven aan kinderopvang worden in de CPI en de HICP verschillend behandeld.

+gemiddelde procentuele verandering t.o.v. een jaar eerder JaarCBS: inflatie in Europa CPI Nederlandalle huishoudensHICPNederlandHICPBelgiëNBB: Inflatie en geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP), indien niet beschikbaar cijfers van StatbelHICPEurozoneHICPEuropese Unie 2003 2,1 2,2 1,5 2,1 2,0 2004 1,2 1,4 1,9 2,1 2,0 2005 1,7 1,5 2,5 2,2 2,2 2006 1,1 1,7 2,3 2,2 2,2 2007 1,6 1,6 1,8 2,1 2,3 2008 2,5 2,2 4,5 3,3 3,7 2009 1,2 1,0 0,0 0,3 1,0 2010 1,3 0,9 2,3 1,6 2,1 2011 2,3 2,5 3,4 2,7 3,1 2012 2,5 2,8 2,6 2,5 2,6 2013 2,5 2,6 1,2 1,3 1,5 2014 1,0 0,3 0,5 0,4 0,6 2015 0,6 0,2 0,6 0,2 0,1 2016 0,3 0,1 1,8 0,2 0,2 2017 1,4 1,3 2,2 1,5 1,7 2018 1,7 1,6 2,3 1,8 1,9 2019 2,6 2,7 1,2 1,2 1,5 2020 1,3 1,1 0,4 0,3 0,7 2021 2,7 2,8 3,2 2,6 2,9 2022 10,0 11,6 10,3 8,4 9,2 2023 3,8 4,1 2,3 5,4 6,4 2024 3,3 3,2 4,3 2,4 2,6 2025 3,3 3,0 2,2 2,1 2,5

Vormen van inflatie Er worden twee hoofdvormen van inflatie onderscheiden: kosteninflatie en bestedingsinflatie.

Kosteninflatie Bij kosteninflatie hebben we te maken met bedrijven die hun gestegen kosten doorberekenen in de verkoopprijzen, om zo hun winst niet onaanvaardbaar te laten verminderen. Als de kosten van het maken van een product 10 euro zijn en de verkoopprijs is 15 euro, dan maakt het bedrijf een winst van 5 euro. Stijgen de kosten naar 12 euro, dan zou het bedrijf slechts 3 euro winst maken. Als bedrijven bij gestegen kosten hun verkoopprijs verhogen betekent dit wel een vermindering van de vraag en een mogelijke verslechtering van hun (internationale) concurrentiepositie. In een markt met beperkte concurrentie (zoals het oligopolie) zal prijsverhoging als gevolg van doorberekening van kosten steeds worden ingezet door een prijsleider, waarop andere bedrijven volgen. Op die manier wordt prijs geen wapen tegen concurrenten. Een bekend voorbeeld uit de praktijk is het verhogen van de benzineprijs door Shell.

Een tweede vorm van kosteninflatie is loonkosteninflatie. Dit gebeurt als de loonkosten per eenheid product stijgen en die stijging wordt doorberekend in de verkoopprijs. Niet elke loonsverhoging leidt tot loonkosteninflatie. Die ontstaat slechts als de loonkosten per werknemer per tijdseenheid sneller stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit van die werknemer voor dezelfde tijdseenheid. Loonkosteninflatie leidt tot verslechtering van de concurrentiepositie. Als vakbonden bij loonkosteninflatie prijscompensatie verlangen, ontstaat het gevaar van een loon-prijsspiraal. Dat is het verschijnsel dat lonen en prijzen elkaar voortdurend opjagen omdat de werknemers hun koopkracht willen handhaven en de werkgevers hun winst. Blijft de loonstijging achter bij de stijging van de arbeidsproductiviteit, dan spreekt men van loonmatiging. Er is dan geen gevaar voor loonkosteninflatie, omdat ondanks de loonstijging de loonkosten per product niet stijgen en er niets hoeft te worden doorberekend.

Andere vormen van kosteninflatie zijn geïmporteerde inflatie, als de prijzen van geïmporteerde grondstoffen of halffabricaten stijgen, en een door de overheid veroorzaakte inflatie. Dit laatste treedt op als de belastingen die kunnen worden doorberekend, zoals de btw, accijnzen of heffingen worden verhoogd. Dit geldt echter alleen voor verhogingen van belastingen die door producenten kunnen worden afgewenteld, dus die zij bedrijfseconomisch gezien mogen doorberekenen in hun verkoopprijs. Wordt het inflatie cijfer geschoond voor de invloed van kostprijsverhogende en consumptiegebonden belastingen dan spreekt men over afgeleide inflatie.

Bestedingsinflatie Bestedingsinflatie of vraaginflatie ontstaat aan de vraagzijde van de economie. Bedrijven zitten met een volledig bezette productiecapaciteit en hebben moeite om aan de vraag van hun klanten te voldoen. De economie draait op volle toeren. De meeste bedrijven streven naar een zo hoog mogelijke winst. In zo'n situatie kunnen zij hun verkoopprijzen verhogen. De klanten stromen immers toe. De omzet gaat omhoog en bij gelijke kosten betekent dat meer winst. Bestedingsinflatie deed zich in Nederland voor aan het einde van de jaren negentig. Het ging toen erg goed met de Nederlandse economie en veel bedrijven hebben toen hun prijzen fors verhoogd.

Bestedingsinflatie kan het gevolg zijn van (overmatige) geldschepping in de vorm van kredieten (wederzijdse schuldaanvaarding) door de primaire banken. Want hoe kunnen mensen en bedrijven betalen voor de extra vraag die ze uitoefenen? Het lenen van geld vergroot de collectieve vraag en zal in een situatie van overbesteding, wanneer de productiecapaciteit nog niet is meegegroeid, leiden tot prijsstijging. Dat is inflatie.

Effecten van prijsinflatie thumb|Zimbabwaanse bankbiljetten uit 2008. Een inflatie van 2 of 3 procent per jaar wordt als acceptabel beschouwd. Een product dat dit jaar 100 euro kost, zal dan volgend jaar 102 tot 103 euro kosten. Als de lonen gelijk met de inflatie stijgen, blijft de koopkracht gelijk. Anders stijgt of daalt de koopkracht. Het handhaven van een lage inflatie is een belangrijk doel van de instantie (regering of centrale bank) die het uitgeven van geld beheert, en daarmee het monetair beleid voert. In Europa is dat de Europese Centrale Bank (ECB).

Inflatie wordt gemeten door middel van de consumentenprijsindex (CPI): een lijst van producten (goederen en diensten), hun wegingsfactoren en hun prijsindex, die centraal wordt bijgehouden en de verandering van het algemeen prijsniveau in de loop van de tijd bepaalt. In Nederland wordt de CPI bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).