De Hoge Raad der Nederlanden (kortweg Hoge Raad, gerechtscode HR) is de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op civielrechtelijk, strafrechtelijk en belastingrechtelijk gebied.De civiele kamer van de Hoge Raad behandelt ook wel zaken die in de rechtswetenschap eerder tot het staatsrecht of het bestuursrecht worden gerekend, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening, onteigening of gedwongen opnames. De Hoge Raad zetelt in Den Haag. Een rechter in de Hoge Raad wordt, ongeacht of het een man of een vrouw is, raadsheer genoemd.

Taken De wettelijke opdracht aan de Hoge Raad is gelegen in de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.Zie art. 118 Grondwet in verband met art. 79 lid 1 onder b. van de Wet op de rechterlijke organisatie. Door gebruik te maken van het begrip 'recht' ziet deze bepaling niet alleen op schending van nationale wetten maar op al wat het recht uitmaakt, behoudens het recht van vreemde staten. Onder 'recht' valt meer dan wat in wetten is neergelegd, zo toetst de Hoge Raad ook aan internationaal verdragsrecht met werking in Nederland, zoals het EVRM, want dat gaat vóór op nationale wetgeving, wetsartikelen die ermee in strijd zijn moeten buiten werking worden gelaten. Daarnaast wordt getoetst aan regels die in de jurisprudentie zijn gevormd, met name die van de Hoge Raad zelf, wordt de heersende mening in de juridische wetenschap over een bepaald leerstuk meegewogen en wordt getoetst aan ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen.

De Hoge Raad oordeelt niet over de feiten maar gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals die zijn vastgesteld door de lagere rechters. De Raad oordeelt over de vraag of het recht door lagere instanties juist is uitgelegd en juist is toegepast, of de procedureregels juist zijn gevolgd en of een uitspraak voldoende en voldoende begrijpelijk is onderbouwd met een juridische motivering.

Een minder bekende taak is het geven van adviezen over op handen zijnde wetgeving, of andere gevallen wanneer de regering daarom vraagt (artikel 74 Wet op de rechterlijke organisatie).

De maatschappelijke taken van de Hoge Raad staan als zodanig niet in enige wet maar worden door het college zelf benoemd als "het bevorderen van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid en het bieden van individuele rechtsbescherming". Die eerste twee taken zijn sinds 2012 nader geaccentueerd doordat rechtbanken en gerechtshoven de Hoge Raad rechtsvragen kunnen voorleggen (prejudiciële vragen) in het belang van de ontwikkeling en de eenheid van het recht (sinds 2012 voor civiele zaken, sinds 2016 in belastingzaken en sinds 1 oktober 2022 in strafzaken).

De individuele rechtsbescherming bestaat er in dat de Hoge Raad uitspraken vernietigt van lagere rechters en de rechtzoekenden daarmee beschermt tegen rechtens onjuiste uitspraken (hierna besproken onder 'cassatie').

De lagere rechters (gerechtshof en rechtbank) houden zich in beginsel aan de door de Hoge Raad gegeven interpretatie van het recht maar zijn daartoe wettelijk niet gehouden.In een onderzoek onder (bestuurs)rechters naar aanleiding van de zogenaamde toeslagenaffaire, vroegen enkele rechters zich af, hoe men bij belangrijke signalen uit de samenleving, ondanks bestendige jurisprudentie en beleid vanuit het ministerie, tegen de stroom in kon zwemmen zonder direct het risico te lopen dat een uitspraak uiteindelijk gecasseerd wordt. Zie: nieuwsbericht Raad voor de rechtspraak. Het is mogelijk dat de Hoge Raad in een arrest terugkomt van een eerder ingenomen standpunt. In zo'n geval heet het dat de Hoge Raad 'om is gegaan'. Dat gebeurt echter niet lichtvaardig want de uitspraken van de Hoge Raad dienen er nu juist bij uitstek voor om de rechtseenheid te bevorderen. Het is echter onvermijdelijk dat de Hoge Raad tot een ander oordeel komt als de omstandigheden van een concreet geval daar aanleiding toe geven of tot herbezinning komt naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen. Vooral waar het gaat om ongeschreven rechtsregels of wanneer de wetgever 'open normen' heeft gebruikt, zijn de uitspraken van de Hoge Raad bepalend voor de rechtsvorming.Een van de belangrijkste voorbeelden daarvan is de onrechtmatige daad. Deze is in open normen in de wet (art. 6:162 B.W.) geformuleerd en sinds ruim honderd jaar (het baanbrekende arrest Lindenbaum/Cohen, ()) is door de Hoge Raad ook de schending van ongeschreven normen als onrechtmatig erkend. Een handelen of nalaten kan in strijd zijn met 'hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt'. Deze 'maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm' wordt min of meer dagelijks door de rechtspraak nader ingevuld en zo dus in hoogste instantie door de Hoge Raad. Als de Hoge Raad blijkens zijn overwegingen 'om gaat' en dus terugkomt op een standpunt van een of meer eerdere arresten, wordt dit expliciet vermeld in het arrest waarin het gebeurt.Zie bijvoorbeeld: , rechtsoverweging 4.4.3: "Waar in eerdere uitspraken van de Hoge Raad meer of andere eisen zijn gesteld aan “eenzelfde gebeurtenis” bij voordeelstoerekening met toepassing van art. 6:100 BW, komt de Hoge Raad daarvan terug."

Arresten die van groot belang zijn voor de rechtsontwikkeling worden 'mijlpaalarresten' genoemd. Sinds december 2019 publiceert de Hoge Raad deze mijlpaalarresten, inclusief de conclusie van de advocaat-generaal, binnen de rechtsgebieden civiel-, straf- en fiscaal recht. Het oudste arrest gaat terug tot 1841.

Cassatie

Tegen uitspraken van de rechtbank kan in civiele- straf- en belastingzaken - in beginsel -In de civiele zaken is er een 'drempel' ingebouwd (de zgn. 'appellabiliteitsgrens'). Ingevolge art. 332 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat geen beroep open van zaken waarin het belang onder € 1.750 ligt. Die worden dus in eerste en - behoudens eventuele gevallen waarin door de kantonrechter essentiële beginselen zijn geschonden, waartegen dan cassatieberoep openstaat - ook hoogste instantie berecht door de sector kanton van de rechtbank. In strafzaken is er ook zo'n drempel: de verkeersboetes (type 'Wet Mulder') zijn niet aan cassatie onderworpen en voor overige boetes is de ondergrens € 250.- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Die procedure houdt een volwaardige 'tweede kans' in. Partijen kunnen in hun stukken die aan de rechter worden voorgelegd hun stellingen aanpassen, het feitencomplex aanvullen en eventuele fouten die ze in de eerste instantie hebben gemaakt, veelal herstellen. Het is de zogenaamde tweede 'feitelijke instantie'. Er gelden echter wel strakkere spelregels en in civiele zaken is de bijstand van een advocaat vereist, ook als dat bij de rechtbank (sector kanton) nog niet het geval was. De procedure bij de Hoge Raad is geen volwaardige 'derde instantie'. In de cassatie kunnen namelijk alleen klachten worden aangevoerd tegen uitspraken waarin vormen zijn verzuimd die tot nietigheid leiden; het recht niet goed is toegepast of het oordeel niet afdoende is gemotiveerd.De laatste twee geven de belangrijkste gronden waarop cassatie kan plaatsvinden; de zgn. rechts- en motiveringsklachten (die ook nog gemengd kunnen zijn). De vormverzuimen spelen nauwelijks een eigen rol omdat die ook schending van het recht inhouden (zie: Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen 7 2015 Cassatie in burgerlijke zaken, nr 100, 179). Het eerder naar voren gebracht feitencomplex of de juridische standputen kunnen niet meer worden aangepast. In de regel gaat het bij cassatie om arresten van een gerechtshof. Als de cassatie slaagt kan de Hoge Raad de kwestie soms zelf afdoen. In meerderheid van de gevallen zal de zaak echter 'terug worden verwezen' naar een ander gerechtshof met de opdracht de zaak opnieuw te berechten in de stand waarin de procedure zich bevond onmiddellijk voordat de vernietigde beslissing werd gegeven en zulks met inachtneming van het door de Hoge Raad gewezen arrest.Dit heeft een belangrijk gevolg vanwege de zgn. 'twee conclusieregel'. Deze houdt in dat in het hoger beroep bij het hof iedere partij maar één gelegenheid heeft om in een processtuk zijn feitelijk en juridisch betoog te houden. Daar kunnen bij de erop volgende mondelinge behandeling (vroeger: pleidooi) uitwerkingen en toelichtingen van worden gegeven maar er kunnen geen nieuwe juridische en feitelijke standpunten meer worden ingenomen. Aangezien na cassatie de procedure bij het 'verwijzingshof' wordt voortgezet 'in de stand waarin deze zich bevond' Is de omvang van de verdere discussie - behoudens zeer zeldzame uitzonderingen - dus beperkt tot de wederzijds reeds bij het vorige hof schriftelijk ingenomen standpunten. Om die reden levert een geslaagde cassatie ook lang niet altijd een materieel succes op. Het is namelijk goed mogelijk dat het verwijzingshof de fouten van het eerdere hof, die tot de cassatie hadden geleid, verbetert, maar vervolgens tot dezelfde eindbeslissing komt als het eerdere hof. Omdat in zo'n geval enorme kosten zijn gemaakt, die niets hebben opgeleverd, moet de cassatieadvocaat ook de kansen van de zaak na verwijzing betrekken in diens 'cassatieadvies' aan de cliënt. Hier geldt een uitzondering op de regel dat een rechter ex nunc mag oordelen, naar de stand van zaken op het moment van het oordeel.

Een nieuwe beoordeling van de feiten blijft bij de Hoge Raad dus achterwege. Daardoor is de cassatieprocedure strak afgeperkt want ook rechtsoordelen die 'verweven zijn met een waardering van de feiten', zijn door de Hoge Raad niet te toetsen.

Het voeren van een civiele cassatieprocedure mag - zowel eisend als verwerend - alleen worden gedaan door een 'advocaat bij de Hoge Raad'.Dit is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering: art. 407 lid 3 voor de eiser en art. 409 lid 1 voor de verweerder. Advocaten bij de Hoge Raad hebben een toelatingsexamen afgelegd en moeten naast permanente bijscholing, ook per tijdseenheid een minimum aantal cassatieverrichtingen doen om de bevoegdheid te behouden. Alvorens cassatie in te stellen begint deze met een schriftelijk 'cassatieadvies' aan de cliënt. Als dat negatief luidt zal de advocaat geen cassatieberoep instellen. Als het positief uitvalt zal hij/zij dat advies uitwerken tot 'cassatiemiddelen', die bij de Hoge Raad worden ingediend. Vervolgens is er nog een ingangstoets: als de zaak naar het oordeel van de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de eiser onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de cassatiemiddelen 'klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden',Zo'n oordeel is uiteraard in het algemeen geen compliment aan de cassatieadvocaat, die de zaak immers geschikt had geoordeeld (tenzij deze strategische redenen had om het toch maar te proberen). Blijkens de door het WODC in 2021 is de ingangstoets voor de civiele zaken zonder belang omdat daar de filtering al plaatsvindt door de opleidingseisen van de cassatieadvocaten. Voor de straf- en belastingzaken is het effect wel aanzienlijk. wordt de zaak niet verder in behandeling genomen en wordt er afgedaan met een niet-ontvankelijkheid.Deze ingangstoets is geregeld in art. 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en strekt tot ontlasting van de Hoge Raad. Overeenkomstige toetsen bestaan ook in straf- en belastingzaken. Een belastingzaak kan men in alle drie instanties zelf - en dus zonder advocaat - voeren. In strafzaken kan de verdachte zelf cassatie instellen maar moeten de cassatieklachten door een advocaat (welke dan ook) worden ingediend.Artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat - en wanneer - de 'schriftuur' door een advocaat moet worden ingediend. Als alleen het Openbaar Ministerie cassatieberoep heeft ingesteld mag de verdachte desgewenst zelf het verweer voeren.

Cassatie in het belang der wet