Het Fort aan den Hoek van Holland, ook Fort 1881 genoemd, is een voormalig pantserfort in Hoek van Holland.
Het fort, gelegen aan de Nieuwe Waterweg, diende om de vaarweg in oorlogstijd te beschermen tegen een vijandelijke vloot en het strand tegen een invasie. Daartoe beschikte het fort over zes kanonnen in drie draaibare pantserkoepels. Verder kon een mijnversperring in de vaarweg worden gelegd. Zowel het draaien van de geschutkoepels als het eleveren van het geschut gebeurde met gebruikmaking van hydrauliek. Hiermee was het fort bij voltooiing erg modern. Door de komst van de nieuwste slagschepen, waarvan het geschut een groter bereik had dan het fort, was het tegen 1900 al verouderd. Geld voor grootschalige verbeteringen was er niet en zo bleef de situatie grotendeels gelijk tot aan de Tweede Wereldoorlog.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 bleef Nederland neutraal. Wel werd overgegaan op algehele mobilisatie en het fort was gevechtsklaar om de neutraliteit te verdedigen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd opnieuw een algehele mobilisatie afgekondigd. Na de Duitse inval in 1940 vonden rondom het fort gevechten plaats. Nadat Nederland gecapituleerd had namen de Duitsers het fort in gebruik. De koepels en het geschut en ander metaal werden in 1943 uit het fort verwijderd en omgesmolten om gebruikt te worden in de Duitse industrie. Na de oorlog kwam het fort in handen van de Koninklijke Marine die het gebruikte als opslagplaats. Het fort stond vanaf 1978 leeg, totdat het in 1987 werd overgedragen aan de Stichting Fort aan den Hoek van Holland die het als museum inrichtte. In 1995 kreeg het fort replica's van de koepels, zij het van spuitbeton in plaats van het oorspronkelijke gietijzer.
Geschiedenis Voorgeschiedenis De noodzaak voor het bouwen van kustverdediging in Hoek van Holland kwam met de gereedkoming in 1870 van de Nieuwe Waterweg, waarmee de belangrijke haven van Rotterdam open kwam te liggen voor vijandelijke schepen. Voordat de Nieuwe Waterweg was gegraven konden schepen slechts via een omweg naar Rotterdam. thumb|center|800px|De Nieuwe Waterweg in 1874. Het fort zou op de noordoever komen, aan de overkant van het water, in het midden van de foto.
Modern en achterhaald thumb|Het fort in 1900. Het fort is tussen 1881 en 1889 gebouwd als onderdeel van de Nederlandse kustverdediging, ter bescherming van de Nieuwe Waterweg. Het fort werd in 1889 in gebruik genomen, maar was rond de eeuwwisseling door de technische ontwikkelingen al verouderd. blz 197 Het schieten ging traag en het bereik was klein vergeleken met de modernste slagschepen. Het was een voordeel dat het fort verdekt lag en dus niet vanuit zee te zien was. Vanaf 1903 werd gesproken over verbeteringen en uitbreidingen aan het fort en het geschut, maar niets werd ondernomen vanwege de hoge kosten daarvan en vanwege de bezuinigingen op het leger door het toenmalige kabinet. Pas na het aantreden van Colijn werd besloten het fort te moderniseren. Zo moest de vuursnelheid verbeterd worden door het gebruik van dieselmotoren voor de beweging van de koepels en voor het aanvoeren van projectielen. Ook moest er elektrische verlichting komen in het fort, moest er een nieuw soort rookvrij buskruit gebruikt worden en moesten de pantsergranaten omgevormd worden tot brisant-halfpantsergranaten. Uiteindelijk werden de stoommachines niet vervangen door dieselmotoren vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met de komst van de brisantgranaat werd noodzakelijk geacht de aarden laag op het escarpgebouw te vervangen door een dak van gewapend beton. Het vervangen zou betekenen dat het escarpgebouw een tijd ongedekt zou zijn en dat was onmogelijk na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en dus werd dit uitgesteld.
Mobilisatie 1914-1918 Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog eind juli 1914 koos Nederland ervoor om neutraal te blijven. Om die neutraliteit te bewaken werd de mobilisatie op 1 augustus 1914 afgeroepen. Twee onderzeeboten bewaakten de toegang tot de Nieuwe Waterweg en ook het fort werd in staat van verdediging gebracht. Omdat het niet permanent was ingericht om zoveel manschappen onder te brengen moesten snel nog extra bedkribben geplaatst worden. Op de eerste mobilisatiedag voor 12:00 moest 90% van de manschappen aanwezig zijn, zodat het mogelijk was de kanonnen te bedienen. Dit zorgde voor chaos op de eerste dag, onder andere bij de smalle toegangstrap naar het fort en bij de foerier waar men het uniform kon inwisselen als dat niet goed meer paste. De wacht bestond door de ernst van de situatie uit meer dan 100 man en de geweergalerij was permanent bezet door 30 man. Men was angstig en bij onregelmatigheden werd er paniekerig gereageerd. Omdat in het fort nieuws over het verloop van de oorlog uitbleef verslechterde de stemming. blz 201
Bouwwerken buiten het fort, zoals het liftgebouw en het vredesprivaat (toilet voor wachtlopende soldaten), werden gesloopt. De bewoners van huizen aan de zeekant werden geëvacueerd, maar de huizen werden nog niet gesloopt. Ook met de sloop van het kantinegebouw werd gewacht. Om een beter schootsveld te krijgen werden burgers opgeroepen, veelal werklozen, om een stuk duin ten noorden van het fort af te graven. Later werd het graafwerk voortgezet door soldaten.
Indien de situatie zo ernstig was dat het dorp Hoek van Holland ontruimd moest worden, lag er een evacuatieplan klaar, waarbij alle inwoners, huisdieren en vee overgebracht zouden worden naar 's-Gravenzande. Verschillende verordeningen moesten spionage tegen gaan. Burgers mochten onder andere niet buiten de verharde wegen komen, na zonsondergang mocht de weg langs het strand niet meer betreden worden, mochten er geen foto's gemaakt worden en mochten er geen prenten van het terrein met verdedigingswerken gemaakt worden.
De neutraliteit werd in eerste instantie beschermd door een onderzoeksschip. Dat kon binnenkomende schepen controleren en zo nodig verbieden binnen te varen. Via alarmseinen kon om de hulp van de nabijgelegen torpedoboot en zo nodig van het fort gevraagd worden. Als een buitenlands oorlogsschip binnen de territoriale wateren zou varen, dan werd eerst het sein "onzijdigheid eerbiedigen" gehesen door de Militaire Kustwacht. Zou hier geen gehoor aan gegeven worden, dan vuurde het fort een eerste granaat af voor de boeg van het schip. Werd hier nog niet op gereageerd dan zou er overgegaan worden op het beschieten van het schip. blz 205-206
Interbellum Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd duidelijk dat Belgische forten niet bestand waren tegen de zware Duitse granaten van de Dikke Bertha. blz 207 Zo kon in het Belgische fort Loncin bij de inslag een Duitse granaat tot in de kruitopslag raken met een enorme explosie tot gevolg. De explosie en de daarmee gepaarde luchtdruk zorgde ervoor dat de pantserkoepels van 39 ton in de lucht werden geslingerd. Meer dan 250 man kwamen hierbij om en van het fort waren alleen nog brokstukken over. De Franse forten, die iets moderner waren, waren wel bestand tegen het Duitse geschut. Daarnaast werd duidelijk dat pantserkoepels, droge grachten en voorzieningen voor de nabijverdediging ook kwetsbaar waren. Om het fort in Hoek van Holland te verbeteren en de overlevingskansen te vergroten aan de hand van deze geleerde lessen werd in 1917 door Van Essen onderzoek en aanbevelingen gedaan. Hij constateerde dat het fort erg blootgesteld was aan beschietingen vanuit zee. Ondanks de verscholen ligging achter de duinen was het gemakkelijk te herkennen door markante bouwwerken in de buurt. Het fort zelf had geen kans tegen beschietingen vanuit zee, omdat het bereik van de eigen kanonnen met 7500 tot 8000 m niet voldoende was tegen modern scheepsgeschut met een groter bereik. Verder waren de pantserkoepels niet bestand tegen dit zware geschut en de onderliggende kruit- en munitiemagazijnen lagen ook kwetsbaar. Van Essen gaf een aantal adviezen zoals het vullen van de droge gracht met aarde om beter bestand te zijn tegen zware granaten, het verplaatsen van het munitiemagazijn en het verplaatsen van het torpedostation naar een plek buiten het fort. Het torpedostation werd ondergebracht in een schuilplaats van gewapend beton in de buurt van de kabelkist, waarmee de mijnen geactiveerd konden worden. Er werd in die tijd gedacht over de bouw van een nieuwe kustbatterij die wel wat kon uitrichten tegen modern scheepsgeschut vanuit zee; dat was de reden dat overige kostbare verbeteringen aan het fort werden uitgesteld. blz 210 Wel werden er in de duinen een stelsel van betonnen schuilplaatsen en loopgraven gebouwd.
Toen de koepels in 1922 voor onderhoud geverfd moesten worden werd voorgesteld te onderzoeken of ze met een camouflagebeschildering minder zouden opvallen. Ondanks dat de volvormige koepels afstaken tegen de horizon werd de test doorgezet en werd de B-koepel voor de helft beschilderd met camouflagetinten. Vergeleken met de A-koepel die nog de originele grijsgroene kleur had, viel de B-koepel van dichterbij meer op. blz 216 Een grijsgele kleur was ook geen goede keuze omdat daarmee de betonnen rand om de koepel vanuit de lucht meer zou opvallen. Uiteindelijk werd besloten om de koepels maar grijs te schilderen, om niet meer geld uit te geven aan het verouderde fort. blz 217
Vanaf 1922 maakte het fort deel uit van de Vesting Holland.
Tweede Wereldoorlog Terwijl de Tweede Wereldoorlog in 1939 in Oost-Europa al was uitgebroken, werden er in het duingebied nog een aantal betonnen schuilplaatsen en mitrailleurkazematten gebouwd. Ook werd in duinen een kustbatterij geplaatst met 15 cm lang 40 geschut, dat op 12 oktober 1939 de eerste schietoefening deed.
In 1939 op 28 augustus werd de algehele mobilisatie afgekondigd met als eerste mobilisatiedag 29 augustus, waarmee de bemanning van het fort op oorlogssterkte werd gebracht. Lang had het geschut niet meer gefunctioneerd dus toen het fort weer bezet was, werd de eerste taak het geschut gevechtsklaar maken. blz 224 Door de afwezigheid van deskundigen was dit geen gemakkelijke taak. Alle verloven van soldaten werden op 7 mei ingetrokken. Tussen 7 en 10 mei 1940, vlak voor het invallen van het Duitse leger, was het fort zodanig paraat dat op alle momenten wanneer nodig snel gevuurd kon worden. Op 9 mei werd, na een telefonische waarschuwing van de Chef Marinestaf, tegen 03:00 uur voor heel Hoek van Holland een gevechtsklare toestand bevolen. Uiteindelijk werd Nederland op 10 mei binnengevallen door het Duitse leger. Duitse parachutisten landden op de zuidelijke oever van de Nieuwe Waterweg en daarop werden beschikbare manschappen, zo'n 12 onderofficieren en 50 korporaals en manschappen, van het fort naar het eiland Rozenburg gezonden. Het detachement keerde op 11 mei terug met 12 gevangengenomen Duitse militairen en buitgemaakte lichte mitrailleurs. De gevangenen werden op het fort vastgehouden. Op de dag van de invasie legden Duitse watervliegtuigen magnetische mijnen in de Waterweg. Vruchteloos werd geprobeerd deze te laten ontploffen door met het koepelgeschut erop te schieten. In de drie dagen erna werd het Staelduinse Bos onder vuur genomen, ter ondersteuning van de Nederlandse infanterie, omdat daar zich Duitse parachutisten schuilhielden. Door het slechte onderhoud van de kanonnen en gebrek aan deskundigheid bij het personeel traden door het schieten storingen op waardoor op 13 mei de twee 15 cm kanonnen en het draaimechanisme van de B-koepel uitvielen. blz 227-228