De Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen (BWHI) is de belangrijkste bijzondere wet in het Belgisch recht. Het bevat de basisregels van de werking van de gemeenschappen en gewesten.
Deze bijzondere wet is het werkinstrument bij uitstek van de tweede staatshervorming (1980). Hierin wordt de werking van de instellingen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschappen en van het Vlaamse en het Waalse Gewest beschreven en zijn hun bevoegdheden ook opgenomen (voor zover dit niet opgenomen is in de Belgische Grondwet). De artikelen uit de Bijzondere Wet met betrekking tot de Brusselse Instellingen en de Wet tot Hervorming der Instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap verwijzen vaak gewoon naar de BWHI, zodat een wijziging van de bevoegdheden in de BWHI ipso facto ook geldt voor de Duitstalige Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De bijzondere wet werd aangenomen op 8 augustus 1980 en verscheen in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980. Overeenkomstig haar artikel 95 trad ze in werking op 1 oktober 1980. Sedertdien werd ze meermaals gewijzigd.
De gemeenschapsbevoegdheden
De Grondwet stelt dat de gemeenschappen in het algemeen bevoegd zijn voor de culturele aangelegenheden, het onderwijs, de persoonsgebonden aangelegenheden en het gebruik van de talen. Daarnaast zijn ze ook steeds bevoegd voor de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen voor deze aangelegenheden. De begrippen "culturele aangelegenheden" en "persoonsgebonden aangelegenheden" moeten volgens de Grondwet verder uitgewerkt worden in een bijzondere wet. Dit gebeurde in art. 4 en 5 BWHI.
De culturele aangelegenheden De culturele aangelegenheden bedoeld in de Grondwet zijn: De bescherming en de luister van de taal; De aanmoediging van de vorming van navorsers; De schone kunsten; Het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen met uitzondering van de monumenten en landschappen; De bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten, ; de inhoudelijke en technische aspecten van de audiovisuele en de auditieve mediadiensten met uitzondering van het uitzenden van mededelingen van de federale regering; (zesde staatshervorming) De hulp aan de geschreven pers; Het jeugdbeleid; De permanente opvoeding en de culturele animatie; De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven; De vrijetijdsbesteding; De voorschoolse vorming in de peutertuinen; De post- en parascolaire vorming; De artistieke vorming; De intellectuele, morele en sociale vorming; De sociale promotie; De beroepsomscholing en -bijscholing, behoudens de bevoegdheden van de RVA. de stelsels van alternerend leren, waarin een praktijkopleiding op de werkvloer op alternerende wijze wordt aangevuld met een opleiding in een onderwijs- of opleidingsinstelling.(zesde staatshervorming)
Het toerisme
De bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap omvatten de bevoegdheid om Brussel te promoten op nationaal en internationaal niveau (zesde staatshervorming)
Het onderwijs De Grondwet stelt dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor het onderwijs, met uitsluiting van: de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's; de pensioenregeling;
De persoonsgebonden aangelegenheden De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in de Grondwet, betreffen het gezondheidsbeleid en de bijstand aan personen.
Het gezondheidsbeleid 1° Onverminderd datgene wat bepaald is in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, het beleid betreffende de zorgenverstrekking in en buiten de verplegingsinrichtingen, met uitzondering van: a) de organieke wetgeving, met uitzondering van de investeringskost van de infrastructuur en de medisch-technische diensten; b) de financiering van de exploitatie, wanneer deze geregeld is door de organieke wetgeving en dit onverminderd de bevoegdheden van de gemeenschappen bedoeld onder het vorige punt; c) de basisregelen betreffende de programmatie; d) de bepaling van de voorwaarden en de aanwijzing tot universitair ziekenhuis overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen; 2° het beleid betreffende de verstrekkingen van geestelijke gezondheidszorg in de verplegingsinrichtingen buiten de ziekenhuizen;; 3° het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in oudereninstellingen, met inbegrip van de geïsoleerde geriatriediensten; 4° het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie. 5° het beleid inzake long term care revalidatie; 6° de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de ondersteuning van de gezondheidszorgberoepen van de eerste lijn; 7° wat betreft de gezondheidszorgberoepen : a) hun erkenning met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden; b) hun contingentering, rekening houdende, in voorkomend geval, met het globale aantal dat de federale overheid per gemeenschap jaarlijks kan vastleggen voor de toegang van elk van de gezondheidszorgberoepen; 8° de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals alle initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg.
De federale overheid blijft evenwel bevoegd voor : 1° de ziekte- en invaliditeitsverzekering; 2° de nationale maatregelen inzake profylaxis.
Elk voorontwerp of voorstel van decreet, elk amendement op een ontwerp of voorstel van decreet, evenals ieder ontwerp van besluit van een gemeenschap met als doel om de erkenningsnormen van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, zorgprogramma's en ziekenhuisfuncties vast te leggen, wordt voor verslag voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof zodat zij de gevolgen op korte en lange termijn op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid evalueert.
Dit verslag wordt ook overgemaakt aan de federale regering evenals aan alle gemeenschapsregeringen.
Na verplicht advies te hebben ingewonnen van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering en de bevoegde administratie van de betrokken gemeenschap en na, in voorkomend geval, het facultatief advies te hebben ingewonnen van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, brengt de algemene vergadering van het Rekenhof binnen de twee maanden na de ontvangst van het voorontwerp, het voorstel, het amendement of het ontwerp een omstandig verslag uit met betrekking tot de gevolgen van deze normen, op korte en lange termijn, op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Deze termijn kan met één maand worden verlengd.
Dit verslag wordt meegedeeld door het Rekenhof aan de aanvrager van het verslag, aan de federale regering en aan alle gemeenschapsregeringen.
Indien het verslag stelt dat het aannemen van deze normen, op korte of lange termijn, een negatieve impact heeft voor de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid, zal een overleg plaatsvinden tussen de federale regering en de gemeenschapsregeringen op vraag van de federale regering of de betrokken gemeenschapsregering. Indien dit overleg niet tot een akkoord leidt, zullen de normen onderworpen worden aan het akkoord van de federaal bevoegde ministers of aan het akkoord van de Ministerraad indien een van zijn leden de evocatie van het dossier vraagt.
Indien het verslag niet wordt gegeven binnen de termijn van twee maanden, verlengd met één maand, kan het overleg zoals bepaald in het zevende lid plaatsvinden op initiatief van de betrokken gemeenschapsregering of de federale regering.
Het Rekenhof stelt elk jaar een omstandig verslag op dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige begrotingsjaar, van de van kracht zijnde erkenningsnormen van de gemeenschappen op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Dit verslag wordt meegedeeld aan de federale regering en aan de gemeenschapsregeringen.
De bijstand aan personen Het gezinsbeleid met inbegrip van alle normen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen; Het beleid inzake maatschappelijk welzijn, met inbegrip van de organieke regels betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van: de vaststelling van het minimumbedrag, de toekenningvoorwaarden en de financiering van het wettelijk gewaarborgd inkomen overeenkomstig de wetgeving tot instelling van het recht op een bestaansminimum; de aangelegenheden met betrekking tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW) die geregeld zijn in de artikelen 1 en 2 en in de hoofdstukken IV, V en VII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de bevoegdheid van de Gemeenschappen om aanvullende of bijkomende rechten toe te kennen; de aangelegenheden met betrekking tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die geregeld zijn in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand; de regelingen met betrekking tot de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten bedoeld in artikelen 6 en 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, die opgenomen zijn in de artikelen 6, § 4, 11, § 5, 18ter, 27, § 4, en 27bis, § 1, laatste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en in de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen. Het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen; Het beleid inzake minder-validen, met inbegrip van de beroepsopleiding, de omscholing en de herscholing van minder-validen en de mobiliteitshulpmiddelen, met uitzondering van: de regelen betreffende en de financiering, met inbegrip van de individuele dossiers, van de toelagen aan de mindervaliden behoudens de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden; de regelen betreffende de financiële tegemoetkoming voor de tewerkstelling van minder-valide werknemers, die toegekend wordt aan de werkgevers die minder-validen tewerkstellen. Het bejaardenbeleid met uitzondering van de vaststelling van het minimumbedrag, van de toekenningvoorwaarden en van de financiering van het wettelijk gewaarborgd inkomen voor bejaarden; De jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van: de burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarigen en van de familie, zoals die vastgesteld zijn door het Burgerlijk Wetboek en de wetten tot aanvulling ervan; de strafrechtelijke regels waarbij gedragingen die inbreuk plegen op de jeugdbescherming, als misdrijf worden omschreven en waarbij op die inbreuken straffen worden gesteld, met inbegrip van de bepalingen die betrekking hebben op de vervolgingen, onverminderd artikel 11 en artikel 11bis; de organisatie van de jeugdgerechten, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die gerechten; de uitvoering van de straffen uitgesproken ten aanzien van minderjarigen die een als een misdrijf omschreven feit hebben gepleegd die uit handen zijn gegeven, behalve voor het beheer van centra die bestemd zijn voor de opvang van deze jongeren tot de leeftijd van drieëntwintig jaar; de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen De sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale re-integratie. De juridische eerstelijnsbijstand.
Justitiehuizen