thumb|350px|Kikkervisjes kunnen massaal voorkomen, hier larven van de gewone pad in de Briese, een rivierarm van de Havel in het noorden van Berlijn. De ontwikkeling van de kikkers is het proces van ei tot adult bij de kikkers (Anura). De tussenliggende stadia worden respectievelijk het embryonale, het larvale en het subadulte stadium genoemd.
Kikkers zetten de eieren (kikkerdril of kikkerrit genoemd) af in het water; dit is een verzameling eieren met een gelatineus en glibberig, doorzichtig omhulsel. Uit de eieren komen na enige dagen tot weken de larven of kikkervisjes tevoorschijn. De larven worden ook wel dikkopjes, donderkopjes of kwakkebollen genoemd. Ook de larven van padden worden kikkervisje genoemd, het idee dat kikkers en padden twee verschillende groepen zijn, is echter verlaten.
In tegenstelling tot andere amfibieën, zoals salamanders, zijn kikkers slechts zelden eierlevendbarend; wel kunnen ze zich op het land ontwikkelen. Het verschil met larven van salamanders is dat salamanderlarven geen volledige metamorfose kennen. Zo hebben ze uit het ei al direct vier pootjes, en de staart wordt alleen maar groter, terwijl deze bij kikkervisjes uiteindelijk verdwijnt. Ook zijn salamanderlarven zeer kannibalistisch en echte roofdieren, in tegenstelling tot de larven van kikkers.
Ontwikkeling In de onderstaande tabel is de ontwikkeling in verschillende stappen van bevrucht ei tot kleine kikker weergegeven. De ontwikkeling wordt verdeeld in de zogenaamde Gosnerstadia. Dit door K.A. Gosner in 1960 ontwikkelde schema telt 60 stappen, die worden doorlopen van ei tot adult en in principe bij alle kikkers voorkomen. Een andere indeling is die in veldstadia, waarbij de ontwikkeling van de larven is verdeeld in acht stappen. Zowel een aantal embryonale stadia als de veldstadia (met bijbehorende GosnerstadiaTrent University - The Tadpole Monitoring Project - Tadpole development - trentu.ca) zijn onderstaand beschreven.
{| class="wikitable mw-collapsible mw-collapsed" width="100%" style="float:right;" |- ! colspan="3"| De ontwikkeling van ei tot subadult |- | 150px | style="text-align:center;" | EiFoto: klauwkikker | De vrucht is vaak gepigmenteerd en zwart van kleur en rond van vorm. Na een paar uur wordt een deling zichtbaar en het ei verandert van vorm. |- | 150px | style="text-align:center;" | Embryo in vroege ontwikkelingFoto: klauwkikker | Het embryo krijgt een komma-achtige vorm, waarbij de buikzijde korter is dan de rugzijde. Bij embryo's van salamanders is dit overigens precies andersom; de buikzijde is langer. |- | 150px | style="text-align:center;" | Het embryo ontwikkelt zich verderFoto: bruine kikker | De kop en het lichaam snoeren zich af en de staart begint zich te ontwikkelen en is zichtbaar als een knop. Het hechtorgaan is al aanwezig tussen de kop en de buik, hiermee zet het dier zich later vast op planten en andere objecten. |- | 150px | style="text-align:center;" | Ontwikkeling van externe kieuwenFoto: bruine kikker | Kop en staart zijn duidelijk te onderscheiden door de lateraal (aan de zijkant) afgeplatte staart maar dorsaal (aan de bovenzijde) afgeplatte kop. De kieuwen worden zichtbaar als kleine pluimpjes. |- | 150px | style="text-align:center;" | Ontwikkeling van de staartFoto: bruine kikker | De staart is langer dan het lichaam, de kieuwen zijn pluimachtig en duidelijk zichtbaar. De oogaanzet is duidelijk te zien en de staart heeft zowel aan de boven- als onderzijde een staartzoom. |- | 150px | style="text-align:center;" | Van embryo naar larveFoto: bruine kikker | Het kikkervisje is aan het eind van het embryonale stadium of heeft het ei net verlaten en leeft de eerste tijd van de dooier. De kieuwen zijn klein maar nog goed te zien. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 1(Gosner stadium 25)Foto: bruine kikker | De kieuwen worden kleiner en het kikkervisje ontwikkelt tandenrijen waarmee voedsel vermalen kan worden. Hierdoor kan de larve vast voedsel opnemen en vaak verandert het voedselpatroon. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 2(Gosner stadia 26 - 30)Foto: onbekend | De achterpoten beginnen zich te ontwikkelen maar bestaan nog uit twee kleine stompjes die gemakkelijk verward kunnen worden met de feces of de anus van de larve, de anus is voorzien van een buisvormige structuur. Afgebeeld is de larve van een onbekende soort. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 3(Gosner stadia 31 - 35)Foto: gewone pad | De achterpoten ontwikkelen zich nu en worden steeds groter en beter zichtbaar. De tenen die in het begin zijn versmolten (Gosner 31) separeren zich en zijn steeds beter te onderscheiden. De voorpoten ontwikkelen zich in de kieuwzakken aan de voorzijde en zijn hierdoor niet zichtbaar. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 4(Gosner stadia 36 - 40)Foto: gewone pad | De tenen splitsen zich steeds verder en bij Gosner 37 zijn ze volledig gescheiden, in Gosner 38 is de metatarsusknobbel zichtbaar. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 5(Gosner stadium 41)Foto: gewone pad | De buisvormige anusuitgang wordt afgebroken, de monddelen worden omgebouwd waarbij de tanden en de hoornkaak afvallen. De voorpoten bevinden zich nog in de kieuwzakken maar zijn duidelijk te zien als twee bulten aan weerszijden van het lichaam. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 6(Gosner stadium 42)Foto: gewone pad | De voorpoten komen tevoorschijn en hebben direct gespleten tenen. De kop wordt platter en de ogen worden groter en gaan uitpuilen. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 7(Gosner stadia 43 - 45)Foto: gewone pad | De kop is nu typisch kikker-achtig, voor- en achterpoten zijn volledig ontwikkeld. Het kikkervisje lijkt uiterlijk op een kikker maar heeft nog wel een staart. |- | 150px | style="text-align:center;" | Veldstadium 8(Gosner stadium 46)Foto: gewone pad | De staart is bijna verdwenen en de larve is nu vrijwel volledig gemetamorfoseerd tot een klein kikkertje. Het is dan een juveniel en alle volgende Gosner-stadia (47 tot 60) beschrijven de verdere ontwikkeling tot subadult en volwassen kikker. |- | 150px | style="text-align:center;" | SubadultFoto: gewone pad | De jonge kikker krijgt de kleuren van de oudersoort en verlaat het water om pas terug te keren als het volwassen stadium is bereikt, meestal enkele jaren later.
Ei
Een kikker begint zijn leven in een ei; de eiermassa wordt meestal in het water afgezet. In het ei vindt de ontwikkeling plaats van embryo tot larve. Zodra het embryonale stadium is voltooid, verlaat de larve het ei. Het ei van een kikker heeft meerdere functies: een ideale en constante vochtigheid; bescherming tegen uitdroging; het vasthouden van warmte; bescherming tegen predatie; bescherming tegen schimmels en bacteriën; centreren van het zonlicht naar de vrucht door de lensvorming.
De vorm en de grootte van het ei zijn afhankelijk van de soort en de specifieke aanpassingen. Sommige kikkersoorten kennen geen vrijzwemmend larvestadium: de larven metamorfoseren in het ei. Dergelijke eieren zijn relatief groot vanwege de grote dooier; de larve kan immers zelf geen voedsel verzamelen. Ook zijn de eieren van zich op het land ontwikkelende soorten meestal minder of niet gepigmenteerd en zijn lichter tot wit van kleur. De eieren van dergelijke soorten worden altijd afgeschermd van de zon, omdat ze anders uitdrogen.
Kikkers die de eieren vroeg in het voorjaar in het water afzetten, hebben grotere geleiachtige omhulsels en een zwart gekleurde vrucht in vergelijking met soorten die de eitjes pas later in het jaar afzetten. Dit heeft te maken met de lagere temperaturen in het voorjaar: de grotere omhulsels vangen meer zonlicht weg en de zwarte kleur van het embryo neemt meer warmte op.
In Nederland en België leggen kikkers een ronde, geleiachtige bol eieren vaak drijvend net onder het wateroppervlak. De eieren hebben zonlicht nodig omdat de temperatuur van grote invloed is op de ontwikkeling van de eieren. Padden leggen eieren in lange eiersnoeren, die tussen de waterplanten worden gewikkeld. Dit wordt ook wel paddendril genoemd en omdat de snoeren vaak in een kluwen worden gewonden, is het verschil soms moeilijk te zien. De eimassa van de knoflookpad is een combinatie hiervan; langwerpige klonten eieren, die vaak om een voorwerp zoals een waterplant worden 'gevouwen'. De meeste inheemse kikkers en padden leggen de eieren bij voorkeur in permanente wateren met enkele honderden tegelijk, op de knoflookpad en Europese boomkikker na. De laatste legt de eieren in meerdere kleine groepjes van hooguit tientallen eieren in klompjes ter grootte van een walnoot.
Niet-bevruchte eieren worden grijs en later wit. Beschimmelde eieren krijgen een wittige waas in het normaal gesproken doorzichtige omhulsel. Recent onderzoek naar het verdwijnen van kikker- en paddensoorten heeft aangetoond dat eiersterfte de voornaamste oorzaak is, wat overigens voor alle amfibieën geldt. Vervuiling en verhoogde ultraviolette-straling verzwakken de weerstand tegen bepaalde soorten schimmels, die hierdoor een grote opmars hebben gemaakt. In de tropen zijn sommige dieren, zoals een aantal soorten slangen, gespecialiseerd in het opsporen en eten van kikkereieren, zie afbeeldingen onder.
Van zygote tot larve thumb|Ontwikkelingsfases van de pijlgifkikker Ranitomeya imitator. De bevruchte, ongedeelde eicel (zygote) van kikkers is met een volume van 1,6 miljoen keer dat van een normale lichaamscel uitzonderlijk groot in vergelijking met andere dieren.Kimball's Biology Pages - Frog Embryology - Website Dit is naast het doorzichtige omhulsel de belangrijkste reden waarom de kikkerembryo's veel worden gebruikt in onderzoek naar de embryonale ontwikkeling van gewervelde dieren. Een andere bijzonderheid is dat het ei zich zal ontwikkelen tot een jonge larve, die als het ei wordt verlaten, miljoenen lichaamscellen heeft, maar nauwelijks in omvang is toegenomen. De eicel bestaat vlak na bevruchting uit twee delen, die polen worden genoemd. De dierlijke pool is gepigmenteerd en is donker gekleurd, de vegetatieve pool is licht van kleur. Na de bevruchting deelt de cel zich waarbij het volume niet toeneemt, dit wordt klieving genoemd. Na de eerste en tweede deling is de cel in vier delen verdeeld. Na de derde deling, waarbij er acht cellen zijn gevormd, splitsen de vegetatieve en de dierlijke pool zich waarbij het vegetatieve deel duidelijk groter is. Bij alle volgende delingen splitsen de dierlijke cellen zich echter sneller dan de vegetatieve cellen, ze worden niet alleen groter in aantal maar ook steeds kleiner van afmeting.
Na 24 uur is de zygote veranderd in een holle structuur met aan de buitenzijde duizenden cellen, de blastula , de holte wordt blastocoel genoemd en is gevuld met vloeistof. Met het blote oog is er tussen de bevruchting en de vorming van de blastula en blastocoel geen verschil waarneembaar. Pas als er ongeveer 4000 cellen zijn, vindt er een duidelijke verandering plaats, waarbij er verschillende structuren ontstaan die bestaan uit lagen. De buitenste laag wordt het ectoderm genoemd, de binnenste laag het endoderm met daartussen het mesoderm of tussenlaag. Een onderbreking in het ectoderm zal later uitgroeien tot de uiteindelijke anus en wordt blastoporus genoemd. De blastocoel wordt kleiner en een andere holte wordt gevormd, die de basis vormt voor de lichaamsholte. Het endo-, meso- en ectoderm veranderen in structuren die de belangrijkste organen en andere lichaamsdelen zullen worden: Ectoderm: huid, wervelkolom, tastzintuigen, hersenen. Mesoderm: ruggenmerg, spieren, botten, bloed, geslachtsorganen. Endoderm: darmen, longen, lever, blaas, gifklieren, thymus.