thumb|Herrijzenis van Christus, Francesco Buoneri, 1619-20
De dood en herrijzenis, verrijzenis of opstanding van Jezus is een centraal thema in het christendom. De verhalen hierover in de evangeliën zijn het hoogtepunt van een reeks verhalen over Jezus' passie. Deze verhalenreeks start met Jezus' aankomst in Jeruzalem voor Pesach. Nadat hij de Joodse tempel had gereinigd, hield hij het Laatste Avondmaal met zijn twaalf apostelen. Hierna volgden zijn arrestatie, zijn proces en daarna zijn executie door kruisiging op bevel van de Romeinse prefect Pontius Pilatus. Jezus werd op de derde dag na zijn dood, uit de doden opgewekt en hij verscheen lijfelijk aan zijn leerlingen.In het Nederlands is opstanding onder protestanten gebruikelijk, verrijzenis of herrijzenis onder katholieken. Zie Veertig dagen later vond Jezus' hemelvaart plaats.
Zoals geldt voor alle verhalen over Jezus wordt er een verschil gemaakt tussen de religieuze betekenis in het christendom en in historische zin. De eerste betekenis wordt vooral bepaald in de theologie. De tweede betekenis valt binnen de zoektocht naar de historische Jezus, door historici die gebruik maken van de historisch-kritische methode.
Bronnen De oudste bron waarin verwezen wordt naar de dood en herrijzenis van Jezus is 1 Tessalonicenzen 1:10, een vers in Paulus' oudste brief (ca. 50). Enkele jaren later (ca. 55) schreef hij aan de Korintiërs wat hij hen ook had verteld toen hij de gemeente stichtte en zelf ook weer van anderen overgeleverd had gekregen. Paulus schreef dat Jezus is gestorven voor "onze zonden", begraven, en op de derde dag is opgewekt en achtereenvolgens verschenen aan Kefas, "de twaalf [leerlingen]", meer dan 500 broeders en zusters tegelijk, van wie de meesten nog leefden, Jakobus, alle apostelen en tot slot aan Paulus zelf, die zich onwaardig acht omdat hij eerder christenen had vervolgd (1 Korintiërs 15:3-8). Paulus gaf geen details van de opstanding van Christus, maar noemt hem een pneuma zôöpoioun, "levendmakende geest" (1 Korintiërs 15:45).
De latere vier canonieke evangeliën in het Nieuwe Testament van anonieme auteurs (die net als Paulus geen ooggetuigen waren) verhalen uitvoerig over het lijden, sterven en de opstanding van Jezus. De verhaallijnen zijn grotendeels hetzelfde, maar de vier verslagen spreken elkaar tegen met betrekking tot de aanloop, de setting, de personages, de handelingen en de chronologie: Matteüs 27:32–28:15 (geschreven rond het jaar 80) Marcus 15:21–16:8 (geschreven rond het jaar 70) Lucas 23:26–24:43 (geschreven rond het jaar 80) Johannes 19:17–20:18 (geschreven rond het jaar 90)
De gerechtelijke procedure tegen Jezus en zijn executie worden ook genoemd door JosephusFlavius Josephus: De Joodse Oudheden, 18.63-64 en Tacitus.Tacitus: Annalen, 15.44
Voorafgaande aan Jezus' dood volgens de Evangeliën Arrestatie
Hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een list om Jezus te doden. In waarschijnlijk zijn 33e levensjaar werd Jezus van Nazareth net voor het joodse paasfeest door Judas Iskariot, een van zijn volgelingen, met een kus verraden en door een groep van Romeinse soldaten, hogepriesters, oversten en tempeldienaars gearresteerd. Er werd gewapend verzet geboden (Matteüs 26:51, Marcus 14:47, Lucas 22:49, Johannes 18:10), waar Jezus zich tegen keerde (maar niet volgens Marcus), terwijl Jezus eerder twee zwaarden voldoende achtte (Lucas 22:36–38). Jezus, die wist wat er zou gebeuren, had enkele benauwde uren doorgemaakt in een tuin net buiten de muren van Jeruzalem, die volgens Matteüs en Marcus de Hof van Getsemane heette. Jezus liet zich meevoeren met de gewapende bende, terwijl volgens Matteüs en Marcus alle discipelen wegvluchtten. Alleen Petrus liep achter hen aan tot aan het huis van hogepriester Kajafas (of diens vader Annas, volgens Johannes), waarbinnen de Sanhedrin Jezus berechtten. Op de binnenplaats werd Petrus door omstanders herkend en beschuldigd een volgeling van Jezus te zijn, maar hij ontkende dat driemaal.
Proces en veroordeling
Jezus werd volgens de evangeliën tijdens zijn verhoor bij de Sanhedrin beschuldigd van godslastering, bespot, bespuwd en geslagen; de evangeliën wijken af in volgorde en details. Daar werden door getuigen valse beschuldigingen tegen hem geuit en scheurde de hogepriester zijn kleren uit verontwaardiging dat Jezus niet ontkende de zoon van God te zijn.
Hierna werd Jezus naar het pretorium gebracht, de verblijfplaats van de Romeinse prefect Pontius Pilatus. Deze was ter gelegenheid van het Pesach naar Jeruzalem gekomen. Pilatus kon geen misdaad vinden en wilde Jezus vrijspreken, omdat hij niets kon vinden wat de doodstraf verdiende. Hij liet Jezus geselen en verleende onder invloed van een toegestroomde menigte Barabbas amnestie en beval de kruisiging van Jezus. Volgens Marcus en Matteüs werd Jezus vervolgens bespot en mishandeld door soldaten, en volgens Marcus, Matteüs en Lucas door de Romeinse soldaten weggevoerd; volgens Johannes werd Jezus echter teruggegeven aan de hogepriesters en weggevoerd.
Kruisiging thumb|Hans von Tübingen (ca. 1430) volgde het Lucasevangelie: de 'goede misdadiger' links en de 'slechte misdadiger' rechts.
Na zijn veroordeling werd Jezus naar Golgotha, de plaats van terechtstelling, gevoerd. In de traditie is dit de Kruisweg gaan heten. Volgens de synoptische evangeliën rekruteerden de soldaten bij het vertrek uit het pretorium een toevallige voorbijganger, Simon van Cyrene, om het kruis (mogelijk de dwarsbalk) te dragen. Dit was een voortzetting van de bespotting: de balk van het kruis was een parodie van de fasces die dienaren van een magistraat in een processie meedroegen.Helen K. Bond, 'Paragon of discipleship? Simon of Cyrene in the Markan passion narrative', in: Kristian A. Bendoraitis en Nijay K. Gupta (red.), Matthew and Mark Across Perspectives: Essays in Honour of Stephen C. Barton and William R. Telford, Library of New Testament Studies 538, London en New York, Bloomsbury T & T Clark, 2016, blz. 18-35. Marcus vermeldt dat Simon de vader was van Alexander en Rufus, die kennelijk bekend waren bij de eerste hoorders van het Evangelie volgens Marcus (Marcus 15:21). Johannes laat dit alles weg en zegt uitdrukkelijk dat Jezus zelf zijn kruis droeg, mogelijk om net als bij de arrestatie Jezus zoveel mogelijk initiatief te geven. In de traditie van de Kruisweg zijn deze verhalen geharmoniseerd: Jezus zou bezweken zijn onder het kruis, zodat Simon Jezus moest helpen. In het Lucasevangelie duurt de Kruisweg extra lang omdat Jezus aan toekijkende huilende vrouwen nog een voorspelling doet over wat er met Jeruzalem zou gaan gebeuren en dat dat veel erger zou zijn dan zijn eigen dood.
Jezus werd volgens Marcus op het derde uur na zonsopgang op Pesach (ongeveer negen uur 's morgens) gekruisigd (Marcus 14:12, 15:25). Volgens Johannes 19:14,31 gebeurde dit echter na het middaguur van de voorbereidingsdag van Pesach (een dag eerder).
Volgens alle vier de evangeliën kreeg Jezus tijdens zijn executie drank aangeboden, maar ieder verhaal vertelt dit anders. Bij aankomst op Golgotha kreeg Jezus volgens Matteüs wijn met gal aangeboden, volgens Marcus wijn met mirre. Het eerste is een aanpassing aan Psalm 69:22, het tweede past bij de spot van de soldaten met Jezus als pseudo-koning.Robert H. Gundry, Mark: A Commentary on His Apology for the Cross, Grand Rapids, Mich, 2004, deel 2, blz. 956. Jezus weigerde deze wijn. Het tweede moment waarop Jezus drank krijgt aangeboden is aan het kruis. Lucas plaatst dit moment iets eerder in het verhaal dan de andere evangeliën, in zijn evangelie krijgt Jezus, terwijl de soldaten spotten met zijn koningschap, azijnwater aangeboden (ook wel vertaald als 'edik' of 'zure wijn'). Dit was een dorstlessende drank van het gewone volk, terwijl de elite liever wijn dronk. In Matteüs en Marcus krijgt Jezus azijnwater aangeboden op het moment dat de omstanders willen kijken of Elia Jezus van het kruis komt redden, maar deze poging strandt omdat Jezus sterft. In Johannes krijgt Jezus azijnwater nadat hij geroepen had dat hij dorst had, het heeft daar te maken met de vervulling van de Schrift.
Naast Jezus werden volgens alle vier evangeliën twee anderen meegekruisigd. In Matteüs en Marcus worden zij λῃσταί (léstaì) genoemd, wat 'dieven' of 'bandieten' betekent; oorspronkelijk verwees dit naar iemand die diefstal pleegde, maar het kon later ook naar misdadigers in het algemeen verwijzen. In Lucas worden zij κακοῦργοι (kakoúrgoi) genoemd, hetgeen 'misdadigers' in het algemeen betekent. Johannes geeft geen beschrijving van de meegekruisigden of waarom zij ter dood veroordeeld waren, ze worden simpelweg ἄλλους δύο (állous dúo) 'twee anderen' genoemd. Volgens Matteüs 27:44 en Marcus 15:32 bespotten beide dieven Jezus, terwijl Johannes niets vermeldt over wat de twee anderen zouden hebben gezegd. Maar volgens Lucas spotte een van de twee misdadigers met Jezus, terwijl de andere hem verdedigde en daarna Jezus vroeg om na de dood aan hem te denken, waarop Jezus antwoordde: 'Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.' Door de eeuwen heen hebben christenen de neiging gehad om zich volkomen te focussen op de versie van Lucas en de andere drie evangeliën te negeren. De 'slechte misdadiger' kreeg de naam Gestas en de 'goede misdadiger' Dismas. In de kunst wordt de laatste vaak rechts van Jezus (voor de kijker links) afgebeeld met een engel terwijl hij naar Jezus kijkt, terwijl de 'slechte misdadiger' links van Jezus (voor de kijker rechts) wegkijkt van Jezus en wordt vergezeld door een duivel.
Er werd een bord boven Jezus' hoofd bevestigd; de evangeliën spreken elkaar tegen over de precieze tekst, maar deze zou spottend beweren dat Jezus de koning van de Joden was. Volgens Johannes waren de hogepriesters hierover verontwaardigd en klaagden bij Pilatus dat de tekst veranderd moest worden in "Deze man zegt dat hij de koning der Joden is", maar dat weigerde Pilatus met de woorden "Quod scripsi, scripsi" (Ik heb geschreven wat ik heb geschreven). Soldaten dobbelden onder het kruis om zijn kleding; sommige discipelen en Maria, Jezus' moeder, keken van een afstandje toe.
Om een uur of twaalf werd het opeens in het hele land donker, drie uur lang (volgens Matteüs, Marcus en Lucas). Tijdens zijn zes uren aan het kruis zou Jezus verschillende uitspraken hebben gedaan, die de kruiswoorden genoemd worden; de evangeliën spreken elkaar tegen welke precies. Om drie uur 's middags hoorden omstanders Jezus hard roepen (niet volgens Johannes, waarin hij gewoon sprak), waarna hij stierf. Soldaten staken volgens Johannes een speer in zijn zij. Volgens de Evangeliën volgens Marcus en Matteüs scheurde het 'voorhangsel' in de tempel doormidden nadat Jezus overleed, volgens Lucas ervoor; Johannes noemt dit niet. Alleen Matteüs schreef dat er een aardbeving plaatsvond, waarbij rotsen scheurden, graven opengingen en vele doden tot leven kwamen en in Jeruzalem zich kenbaar maakten aan mensen. Volgens Johannes gingen er wel vier profetieën in vervulling door wat er gebeurde.
Onderstaande vergelijking is gemaakt op basis van de Nieuwe Bijbelvertaling (2004). Matteüs Marcus Lucas Johannes Kruisweg Matteüs 27:32–33 Soldaten dwongen Simon van Cyrene Jezus' kruis te dragen. Marcus 15:21–22 Soldaten dwongen Simon van Cyrene Jezus' kruis te dragen. Lucas 23:26–32 Soldaten dwongen Simon van Cyrene Jezus' kruis te dragen. Jezus sprak onderweg huilende vrouwen aan: 'Huil niet om mij, maar om uw kinderen.' Johannes 19:17 "Ze" lieten Jezus zijn kruis zelf dragen. Kruisiging Matteüs 27:34–36 Jezus proefde met gal vermengde wijn, weigerde verder te drinken. Soldaten kruisigden Jezus, dobbelden om zijn kleren en bleven zitten bewaken. [Geen tijdsaanduiding] Marcus 15:23–25 Jezus weigerde met mirre vermengde wijn te drinken. Soldaten kruisigden Jezus en dobbelden om zijn kleren. Dit gebeurde het 3e uur na zonsopgang op Pesach (14:12, 15:25). Lucas 23:33–34 [Geen drank aangeboden]