Johan V van Nassau-SiegenIn veel Nederlandstalige bronnen wordt hij J(oh)an V van Nassau-Dillenburg genoemd. (Breda, 9 november 1455Cawley.Schutte (1979).Dek (1970).Van de Venne & Stols (1937).Vorsterman van Oyen (1882).Joachim (1881). – Slot Dillenburg, 30 juli 1516Cawley, Schutte (1979) en Dek (1970) noemen als overlijdensplaats Dillenburg. Assman & Menk (1996) vermelden echter overleden te Slot Siegen en Joachim (1881) vermeldt Siegen als overlijdensplaats.), Duits: Johann V. Graf von Nassau-Siegen (officiële titels: Johann V. Graf zu Nassau, Vianden und Diez, Herr zu Breda), was graaf van Nassau-SiegenHet graafschap Nassau-Siegen wordt in veel Nederlandstalige bronnen ten onrechte Nassau-Dillenburg genoemd. Het graafschap was niet genoemd naar het kleine, onbelangrijke, stadje Dillenburg, waar tot 1491 zelfs nog geen kerk stond, maar naar de, voor die tijd, grote stad Siegen, het economische zwaartepunt van het graafschap, en de belangrijkste residentie van de graven. Zie o.a. Lück (1981). Het blijkt ook uit de nummering van de regerende graven met de naam Johan. Eén Johan zonder nummering die heerste over Nassau-Dillenburg in de periode 1303–1328, en acht graven met de naam Johan die in de periode 1362–1638 regeerden over Nassau-Siegen. (een deel van het graafschap Nassau) en half Diez. Hij was korte tijd stadhouder van Gelre en Zutphen. Tijdens zijn regering begon de Katzenelnbogische Erbfolgestreit met de landgraven van Hessen, die pas 41 jaar na zijn overlijden werd beëindigd. Hij stamt uit de Ottoonse Linie van het Huis Nassau.

Biografie Johan was de tweede zoon van graaf Johan IV van Nassau-Siegen en Maria van Loon-Heinsberg,Schwennicke (1978). dochter van heer Johan II van Loon-Heinsberg en Anna van Solms.

Op 4 mei 1472 sloten Johan IV en zijn zoons Engelbrecht en Johan een erfverdrag waarin besloten werd de bezittingen van Johan IV na diens overlijden te verdelen. Engelbrecht zou de bezittingen in de Nederlanden verkrijgen, en Johan de bezittingen rechts van de Rijn.Huberty, et al. (1981).Becker (1983), p. 13.Lück (1981), p. 27.

miniatuur|links|Slot Siegen miniatuur|links|De Burcht Ginsburg miniatuur|links|De Burcht Diez

Graaf van Nassau-Siegen en Diez Johan volgde in 1475 zijn vader op overeenkomstig het erfverdrag van 4 mei 1472. Tot zijn bezittingen behoorden Siegen en Dillenburg, delen van Löhnberg, Ellar en Hadamar, de ambten Diez, Kirberg, Altweilnau, Wehrheim en Camberg, de Esterau, Nassau, de Einrich en Ems, voorts de Gulikse heerlijkheden Kerpen en Lommersum, leengoederen in Nideggen en Düren, tolrechten in Ehrenfels, Düsseldorf en Königsdorf en inkomsten in het graafschap Mark. Aan de vele gemeenschappelijke bezittingen, waar hij met de verschillende dynastieën samen bestuurde, voegde hij een nieuwe toe, namelijk die over Seel- en Burbach met de graven van Sayn. De complexe jurisdictieverhoudingen in Seel- en Burbach leidden tot veelvuldige geschillen. Het resultaat van de vele onderhandelingen hierover (1542) heeft Johan echter niet meer meegemaakt.

Voor het bestuur was het graafschap Nassau-Siegen opgedeeld in ambten. In elk ambt stelde de graaf een Amtmann aan. Deze kwamen uit de lokale adel en traden op als plaatsvervanger van de graaf. Hun stond een aantal knechten ter beschikking voor de bewaking van de openbare orde. In tijden van oorlog vormden dezen de kern van het leger.Becker (1983), p. 28.

Voor de rechtspraak had het graafschap Nassau-Siegen in de meeste ambten schouten. De oudst bewaard gebleven verordening voor de schout van het ambt Dillenburg is van 10 april 1465, die overigens slechts een deel van diens opdrachten en bevoegdheden bevat. In 1498 volgde de voor de ambten en Siegen en Dillenburg gezamenlijk geldende gerechtsverordening die het complete toenmalige recht bevatte. Deze verordening moest elk jaar voor alle onderdanen hardop voorgelezen worden. In de verordeningen uit 1465 en 1498 nemen de bepalingen over het huwelijksrecht een opvallende grote plaats in.Becker (1983), p. 26. Als beroepsinstantie werd het Landgericht zum Oberhof zu Siegen aangewezen. Tot dan toe was het Reichshofgericht in Rottweil voor hoger beroep competent geweest. In een decreet van 8 juni 1494 bevrijdde rooms-koning Maximiliaan I Johan van deze beroepsplicht naar Rottweil alsmede de ondergeschiktheid aan de Westfaalse land- en veemgerichten. Johan stelde wegens de toenemende “Rauben, Morden, Brennen und andere Gewalttätigkeiten” en om een snellere en werkzamere justitie uit te kunnen oefenen een veemgericht in op de Ginsburg. Voor de Blutgerichtsbarkeit (hoge jurisdictie) waren de Hochgerichte competent. Het ambt Ebersbach had een eigen Hochgericht auf dem Stein. Bij de executies daar hanteerde de graaf bij gelegenheid zelf het zwaard om de misdadigers te onthoofden. Maar meestal liet hij dat over aan scherprechters. Ook de overige straffen en boeten die de graaf in bijzondere gevallen, om een voorbeeld te stellen, zelf oplegde, waren bij de toenmalige geldwaarde niet gering.Becker (1983), p. 27. Ook in Hadamar richtte Johan een Oberhofgericht in.

Het financieel bestuur was verhoudingsgewijs nog eenvoudig, er bestond nog geen onderscheid tussen de staatskas en de privékas van de graaf. Alle inkomsten vloeiden in de privékas van de graaf. De graaf ontving de opbrengsten van de boerderijen in de dorpen, die door de daar in vroondienst werkzame lijfeigenen werden geleverd, in natura. Met de toename van het muntverkeer, waardoor de betalingen in natura steeds vaker vervangen werd door betalingen in geld, werd het ambt van rentmeester steeds belangrijker. Tot de vaste inkomsten van de graaf behoorden de mei- en herfstbede, die over het grondbezit geheven werd. Ook bestond de lijfbede, een hoofdelijke belasting, die geheven werd als de lijfeigene overleed en door zijn nabestaanden betaald moest worden. Deze bestond oorspronkelijk uit het beste stuk vee, maar werd later vervangen door een geldbedrag. Tot slot was er een haardbelasting die in de vastentijd betaald moest worden. Tot de onregelmatige inkomsten van de graaf behoorden allereerst de zogenaamde schattingen voor bijzondere uitgaven en noodgevallen. Verder waren er de inkomsten uit tollen, die vaak aan onderdanen verpacht werden. Dat gold ook voor visserijrechten die de graaf bezat. Ook in de steden werden belastingen geheven, over huizen, tuinen, akkers en weides.Becker (1983), p. 29. Een niet te onderschatten bron van inkomsten voor de graven van Nassau is altijd de ijzertol geweest. In een oorkonde van 1 april 1470 betreffende de bij Siegen, Netphen en Wilnsdorf te heffen in- en uitvoerrechten worden de afzonderlijke heffingen voor ruwijzer, staal, gietpannen, plaatwerk, zeisen, ketels enz. nauwkeurig vermeld.Lück (1981), p. 61. De uitgaven betroffen onder andere de reizen van de graaf en zijn familie, feestelijkheden aan het hof, de bezoldiging van beambten, hofkleding, altaarkaarsen en miswijn, maar vooral voor de werklieden en materialen voor bouwwerkzaamheden aan de verschillende kastelen.Becker (1983), p. 30.

In 1481 slaagde Johan er volledig in de nog steeds niet voltrokken regeling van de aanspraken van zijn nicht Odilia van Nassau-Siegen op het graafschap Diez af te dwingen. Dit werd bevestigd in 1510. In 1485 pleegde graaf Oswald I van Tierstein, de tweede echtgenoot van Odilia, een moordaanslag op Johan wegens ontevredenheid over de huwelijksgift en de regeling van de erfenis. De rentmeester van Siegen, Heinrich Weiß, kon de aanslag verhinderen.Lück (1981), p. 33.

miniatuur|Rooms-koning Maximiliaan I Johan hervatte in 1485 bepaalde aanspraken op het hertogdom Kleef en het graafschap Mark, waarvoor hij – in bondgenootschap met de om andere redenen daartoe geneigde rooms-koning Maximiliaan I – hertog Johan II van Kleef de oorlog verklaarde. Het kwam echter niet tot openlijke vijandelijkheden, de geschillen werden bijgelegd, niet zonder dat dit voor Johan bepaalde voordelen in klinkende munt met zich meebracht.

In de strijd met de heren von Bicken hield Johan stand, maar het leverde hem wel de vijandschap van de machtige landgraven van Hessen op. Bij verdrag van 26 mei 1486 nam Johan de heren von Bicken de Burcht Wallenfels en het Gericht Ebersbach af en liet hen alleen de Burcht Hain onder voorbehoud van de erkenning van de landsheerlijke rechten. Daarmee werd de laatste lokale adellijke familie in het graafschap onderworpen aan de graven van Nassau.Lück (1981), p. 32.Becker (1983), p. 14.

Net als Maximiliaan I, wiens verkiezing in Frankfurt en kroning in Aken in 1486 hij persoonlijk bijwoonde, was Johan een liefhebber van het middeleeuwse ridderdom. Hij nam net als Maximiliaan graag deel aan toernooien.

Bij de Slag van Béthune in 1487 werd Johans broer Engelbrecht krijgsgevangen gemaakt. Johan ijlde met ruiterij zijn broer ter hulp,Lück (1981), p. 34. maar moest Engelbrecht mit 84.000 frank losgeld vrijkopen, waarvoor de stad Siegen vrijwillig een bijdrage leverde. Engelbrecht gaf daarop Johan het graafschap Vianden met Sankt Vith en Dasburg in pand. Zo'n “reisiges gezüge” moest Johan het jaar daarop herhalen want toen zat Engelbrecht met Maximiliaan I in Brugge gevangen.

De al tijdens het leven van zijn vader begonnen Heinsbergische Erbfolgestreit met de graven van Wied-Isenburg wist Johan in 1488 met een overeenkomst bij te leggen. Vermeldenswaard is ook het sluiten van het zogenaamde Verdrag van Bertram (1494), een regeling die door Johan door bemiddeling van Bertram van Nesselrode met het keurvorstendom Trier werd getroffen over de gemeenschappelijke grenzen van het graafschap Diez en de Trierse graafschappen Limburg en Molsberg.

Johan beschermde en bevorderde de mijnbouw door nuttige verordeningen, waaronder de mijnbouwverordening uit 1489 en de gerechtsverordening uit 1498. Tijdens zijn regering steeg het aantal ijzermijnen in het Siegerland van 25 naar 40 en in het ambt Dillenburg naar 10. De economische vooruitzichten van het graafschap waren daarmee positief. Ook bevorderde Johan de opleving van de handelsactiviteiten door talrijke gildebrieven uit te vaardigen. De steden Herborn en Siegen genoten een bijzondere ondersteuning van hem. Hij stelde al in 1499, lang voordat andere landen op dit idee kwamen, beurzen voor hoogbegaafden in.Lück (1981), p. 60.

Omdat Johans broer Engelbrecht geen wettige kinderen had, haalde hij in 1499 Johans oudste zoon Hendrik naar zijn hof in Breda en Brussel, zorgde voor zijn verdere opvoeding en benoemde hem tot zijn erfgenaam. Hendrik volgde zijn oom na diens overlijden in 1504 op in al diens bezittingen.Van Ditzhuyzen (2004), p. 94–95, 120.Jansen (1979), p. 37.

Johan liet rond 1500 Slot Siegen vernieuwen.Assman & Menk (1996). Hij was in de periode 1504–1505 stadhouder van Gelre en Zutphen. “Umb seiner vernunft und schicklichkeit willen” benoemde Maximiliaan I hem in 1505 tot keizerlijk raadsheer. In datzelfde jaar woonde Johan de Rijksdag van Keulen bij. Desondanks nam Johan weinig deel aan de rijkspolitiek. Zijn verhouding met Maximiliaan was meer een persoonlijke band, ontstaan door de band van zijn broer Engelbrecht met Maximiliaan en Johans hulpverlening tijdens de gevangenschap van Maximiliaan in Brugge. Johan richtte zich voornamelijk op het bestuur van zijn eigen landen.

miniatuur|links|De Evangelische Stadtkirche in Dillenburg Zijn vroomheid bewees Johan doordat hij een vermoedelijk eerder gegeven gelofte inloste en op 27 april 1484 op pelgrimstocht naar het Heilige Land ging. Hij keerde op 31 januari 1485 behouden in zijn graafschap terug.Becker (1983), p. 31. In 1481 had hij al een kerk in Hadamar laten bouwen, in 1488 stichtte hij in Siegen een franciscanerklooster.