Eugène-Auguste Ysaÿe (Luik, 16 juli 1858 – Brussel, 12 mei 1931) was een Belgische (Franstalige) violist, componist en dirigent. Hij wordt beschouwd als een van de grootste violisten van zijn tijd in zowel vioolconcerten als kamermuziek. Als spil van de Franco-Belgische vioolschool oefende hij grote invloed uit op een hele generatie van vioolsolisten. Hij bouwde daarnaast een carrière op als dirigent in Europa en de Verenigde Staten. Hij verrijkte het vioolrepertoire door eigen composities, waaronder een beroemd geworden reeks van zes sonates voor soloviool, maar ook doordat vele componisten muziek voor hem schreven, onder wie César Franck, Guillaume Lekeu, Gabriel Fauré, Camille Saint-Saëns, Ernest Chausson en Claude Debussy.
Muzikale carrière Vroege jaren Ysaÿes ouders waren Nicolas-Joseph Ysaÿe (1826-1905) en Marie-Thérèse Sottiau (1831-1868). Hij kreeg als vijfjarige zijn eerste vioollessen van zijn vader, die dirigent was van het orkest van het Pavillon de Flore in Luik. Later verklaarde hij dat de lessen van zijn vader al de kern bevatten van alles wat hij kon en wist. Op zevenjarige leeftijd gaf hij zijn eerste concert voor publiek en werd hij toegelaten tot het Conservatoire royal de Liège, waar hij in 1867 de tweede prijs won bij een concours, ex aequo met Ovide Musin. Omdat zijn vader kritiek had op de didactiek van zijn leraar Desiré Heynberg, maar ook omdat hij bekend stond als lui en brutaal, werd hij van het conservatorium afgestuurd. In die tijd stierf zijn moeder; hij was toen net tien jaar geworden. Hij speelde enige jaren in twee orkesten, waaronder dat van zijn vader. De beroemde violist Henri Vieuxtemps, die hem in het voorbijgaan toevallig viool hoorde studeren, was zo onder de indruk dat hij de jongen onder zijn hoede nam. Hij wist hem in 1870 terug te krijgen op het Luikse conservatorium, waar hij voortaan les kreeg van Rodolphe Massart.Sommige bronnen noemen ten onrechte Rodolphes beroemde oom Lambert Massart, die les gaf aan het Conservatoire de Paris, als Ysaÿes leermeester.
In 1873 kreeg hij de eerste prijs van het conservatorium, een jaar later gevolgd door de zilveren medaille. Hij verwierf via Vieuxtemps een stipendium om in Brussel twaalf lessen te volgen bij Henryk Wieniawski, die hij vereerde. Dit had een beslissende invloed op zijn carrière. Na een jaar als tweede violist in het orkest van de Kursaal van het Casino van Oostende vertrok hij in 1875 naar Parijs om verder te studeren bij Vieuxtemps. Die stelde hem voor aan vele vooraanstaande musici, onder wie Franz Liszt en Anton Rubinstein. Zij waren zeer onder de indruk van zijn spel en noemden hem "der famöse Kerl". In 1879 introduceerde Joseph Joachim hem in het muzikale leven van Keulen, waar hij optrad met Clara Schumann in Beethovens 7e vioolsonate. In 1879-1882 was hij concertmeester bij het symfonieorkest van Benjamin Bilse in Berlijn, de directe voorloper van de Berliner Philharmoniker.
Doorbraak thumb|De jonge Ysaÿe met de Nederlandse cellist Joseph Hollman thumb|Marie-Léontine Bordes-Pène gaf met Ysaÿe de eerste uitvoeringen van Francks vioolsonate (schilderij Jacques-Émile Blanche) Na Vieuxtemps' overlijden in 1881 werd Anton Rubinstein een nieuwe vriend en mentor. De start van Ysaÿe's internationale carrière had veel aan hem te danken. Rubinstein wist hem in 1882 te verlossen van het contract in Berlijn, nam hem mee naar Noorwegen en bracht hem in contact met Edvard Grieg en Johan Svendsen. Hij trad op bij een benefietconcert ter nagedachtenis van de beroemde violist Ole Bull, die in 1880 was overleden. Hij speelde samen met diens zoon Alexander Bull en met de pianiste Karen Ølstad. Hij componeerde er een Légende norvégienne, die pas in 2014 werd teruggevonden en uitgevoerd. In 1883 ondernamen Rubinstein en Ysaÿe een concerttournee door Rusland en het Balticum, waarbij opnieuw Rubinsteins invloed vele deuren voor hem opende. Terug in Parijs maakte hij in 1885 zijn solistendebuut bij de Concerts Colonne in het Théâtre du Châtelet. Hij speelde de Symphonie Espagnole van Lalo en Introduction et Rondo Capriccioso van Saint-Saëns, met als toegift een praeludium van Bach. Het succes was groot en daarmee was zijn roem definitief gevestigd.
Hij raakte bevriend met de ook uit Luik afkomstige César Franck, die zijn vioolsonate in A-majeur aan hem opdroeg.De officiële opdracht van de Vioolsonate (Franck) was volgens Vincent d'Indy aan de broers Eugène en Théophile Ysaÿe gezamenlijk; zie Vincent d'Indy, César Franck, 1906. Charles Bordes presenteerde die als Francks geschenk op de ochtend van de bruiloft van Ysaÿe en Louise Bourdeau de Courtrai op 26 september in 1886 in Arlon. De sonate was niet speciaal voor Ysaÿe gecomponeerd, maar werd door Franck aan hem opgedragen op verzoek van Bordes' schoonzuster, de pianiste Marie-Léontine Bordes-Pène.Xavier Falques: Virtuoso and composer, liner notes van de cd-uitgave A Tribute to Ysaÿe, Fuga Libera FUG 758, 2019, p. 16-36 Na een gehaaste repetitie voerde de violist met de pianiste het stuk uit tijdens zijn eigen huwelijksfeest. De officiële première vond plaats op 16 december van dat jaar tijdens een "séance Franck" in Brussel, weer met Marie-Léontine Bordes-Pène. De hele Cercle Artistique et Littéraire was aanwezig in het Musée Moderne de Peinture waar het concert plaatsvond. Kunstlicht was niet toegestaan bij de schilderijen, zodat de sonate in het donker en uit het hoofd gespeeld moest worden.Gramophone, februari 1938. Toen de violist Armand Parent opmerkte dat Ysaÿe de aanwijzingen van de componist niet had gevolgd, antwoordde Franck: "Misschien is dat zo, maar vanaf nu kan het niet meer op een andere manier gespeeld worden. Ysaÿe is degene die het bij het rechte eind heeft".
Dit sindsdien veel gespeelde meesterwerk behoorde tot de vele kamermuziek die Ysaÿe uitvoerde. Weinig grote violisten hebben zoveel voor de kamermuziek gedaan als hij, in strijkkwartetten zowel als duo's met piano. Hij combineerde de gevestigde meesterwerken met nieuw werk, dat vaak speciaal voor hem gecomponeerd was. Hij vormde een pianotrio met Ferruccio Busoni (piano) en Hugo Becker (cello). Van 1886 tot 1894 was hij primarius van het Quatuor Ysaÿe met tweede violist Mathieu Crickboom, altviolist Léon Van Hout en cellist Joseph Jacob. Op 27 april 1890Acht dagen na de première door een ander kwartet in de Parijse Salle Pleyel; zie Vincent d'Indy, César Franck, 1906. speelden ze met groot succes César Francks strijkkwartet in D-majeur in Doornik. Het was het laatste concert waarbij de componist, die later dat jaar stierf, nog aanwezig was.
Voor het Quatuor Ysaÿe componeerde Claude Debussy zijn strijkkwartet in g-mineur, dat ze in 1893 in première brachten. Ook dat is tot de meest gespeelde kamermuziekwerken gaan behoren. Hoewel Franck en Debussy de boegbeelden waren van uiteenlopende muzikale richtingen waarvan de aanhangers elkaar in felle discussies bestreden,Fabien Michel: La Querelle des d'Indystes et des Debussystes. Dissertatie Universiteit van Bourgogne, 2000. waren beiden bevriend met Eugène Ysaÿe. Zijn eigen voorkeur ging uit naar de muziek van de "bande à Franck", maar hij nam in deze geschillen geen positie in en steunde ook de Franse componist Théodore Dubois, wiens muziek door beide kampen als ouderwets en oninteressant werd afgedaan. Toen Dubois een vioolsonate opdroeg aan Ysaÿe, trachtte de invloedrijke Vincent d'Indy hem ertoe te bewegen dit gebaar van de "macabere componist" Dubois niet aan te nemen. Ysaÿe trok zich daar niets van aan, voerde de sonate wel degelijk uit en dirigeerde later ook twee van Dubois' symfonieën in Brussel.
Wereldroem thumb|V.l.n.r. zoon Gabriel, Eugène Ysaÿe en Raoul Pugno thumb|Ysaÿe de roker, 1898 François-Auguste Gevaert benoemde Ysaÿe in 1886 tot viooldocent aan het Conservatoire royal de Bruxelles. In deze periode vond hij een geestverwant in Octave Maus, begunstiger van zowel de beeldende kunst als de muziek in België. Met zijn broer Théo sloot hij zich in 1894 aan bij Maus' Brusselse kunstenaarsgroep La Libre Esthétique.
Van de jaren negentig tot aan de Eerste Wereldoorlog was hij op het hoogtepunt van zijn roem. Hij gold als een van de grootste violisten van zijn tijd, zo niet de grootste. Hij maakte vele concertreizen door heel Europa en de VS. Zijn Amerikaanse debuut was op 16 november 1894 in Carnegie Hall in New York. Hij speelde het Derde vioolconcert van Saint-Saëns en de Schotse Fantasie van Bruch met de New York Philharmonic onder Anton Seidl. Tussen 1894 en 1919 heeft hij in totaal 56 keer in Carnegie Hall opgetreden.Carnegie Hall Performance History Hij was in de VS zeer populair en werd beschreven als "the king of the violin" en "the Belgian giant".
Dirigeren deed hij ook. In 1894 begon hij in Brussel een concertserie met zijn eigen orkest, de Société des Concerts Ysaÿe, waarmee hij de nieuwste muziek presenteerde. Dat was ook het jaar waarin zijn bijna twintig jaar durende samenwerking met de pianist Raoul Pugno begon. Ze vormden een vast duo dat in zeventien seizoenen zowel het gevestigde repertoire speelde als vele nieuwe composities in première bracht, onder de titel La Sonate ancienne et moderne. Dankzij de vele werken die ze lieten schrijven omdat ze elk seizoen iets nieuws wilden laten horen, werd het repertoire voor viool en piano aanzienlijk uitgebreid en verrijkt. De vioolsonate van Richard Strauss, een vroeg werk uit 1888 dat de inmiddels beroemde componist in 1904 aan hen voorlegde, wezen Ysaÿe en Pugno in eerste instantie af. Na bemiddeling door Romain Rolland speelden ze de sonate toch.Richard Strauss et Romain Rolland: Correspondance, fragments de journal. A. Michel, Paris, 1951. Engelse versie: Richard Strauss and Romain Rolland: Correspondence, Diary and Essays. University of California Press, 1968, pagina 225.
Ysaÿe kreeg in 1898 de functie van muziekdirecteur van de New York Philharmonic aangeboden na de onverwachte dood van Anton Seidl, maar hij weigerde vanwege zijn drukke concertagenda. Om dezelfde reden had hij een jaar eerder zijn lessen aan het conservatorium overgedragen aan César Thomson. Hij bleef wel privélessen geven, in Brussel of 's zomers in zijn villa La Chanterelle in Het Zoute. Een baan die hij wel ambieerde was die van directeur van het Brusselse conservatorium na de dood van Edgar Tinel in 1912. Hij moest Léon Du Bois voor laten gaan, maar de erefunctie van 'Maître de Chapelle de la Cour' (kapelmeester aan het Belgisch hof), die traditioneel aan de conservatoriumdirecteur toeviel, ging deze keer als troostprijs naar Ysaÿe.
Raoul Pugno overleed begin 1914 tijdens een Russische concertreis met Nadia Boulanger. Hierdoor verloor Ysaÿe zijn vaste pianopartner, maar ook een goede vriend en een even flamboyante drink- en tafelgenoot. De jaren van de Eerste Wereldoorlog bracht hij door in Londen, waar hij samenspeelde met de pianist Arthur Rubinstein. Eind 1917 vertrok hij voor een tournee naar de Verenigde Staten. Van 1918 tot 1922 had hij de positie van muziekdirecteur bij het Cincinnati Symphony Orchestra. Hij maakte daarmee diverse opnamen voor Columbia, met als meest substantiële werk Shéhérazade van Rimski-Korsakov, waarin hij ook de vioolsolo voor zijn rekening nam. Hij gaf in Cincinnati ook les aan het conservatorium.
Laatste jaren