Het Nederlandse rechtspersonenrecht is het deel van het Nederlandse recht waar regels zijn gegeven voor het oprichten, instandhouden, besturen en opheffen van organen, organisaties en andere juridische structuren die rechtspersoonlijkheid hebben. Dit wil zeggen dat ze zelfstandig rechten en plichten kunnen hebben en uitoefenen, los van de mensen die ermee verbonden zijn.
Zulke structuren worden in de wet rechtspersonen genoemd, als zodanig staan ze tegenover natuurlijke personen.
Het rechtspersonenrecht is in Nederland primair geregeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast zijn er wetten met aanvullende regels, zoals de Handelsregisterwet die bepaalt dat alle rechtspersonen zich moeten inschrijven in het handelsregister.
Nederland kent een zogenaamd gesloten systeem van rechtspersonen. Dit houdt in dat de wet aangeeft wanneer een juridische entiteit rechtspersoonlijkheid heeft, wat daarvoor de regels zijn, en dat bijvoorbeeld een zelfbedachte entiteit met rechtspersoonlijkheid niet mogelijk is buiten de kaders van het Burgerlijk Wetboek (zie artikel 25). Alle Nederlandse soorten rechtspersoon naar civiel recht zijn dan ook te vinden in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Indeling wet Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, het deel over rechtspersonen, is als volgt opgebouwd: Algemene bepalingen Bepalingen over afzonderlijke categorieën van rechtspersonen: Verenigingen Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen Naamloze vennootschappen Besloten vennootschappen Stichtingen Fusie en splitsing Bepalingen over de controle op het functioneren van rechtspersonen: Geschillenregeling en recht van enquête De jaarrekening en het jaarverslag
Algemene bepalingen Een rechtspersoon is een juridische entiteit waaraan de wet rechtspersoonlijkheid toekent, met rechten en verplichtingen. Voor oprichting en ontbinding gelden vormvereisten.
In de algemene bepalingen staan regels die voor alle rechtspersonen in Boek 2 Burgerlijk Wetboek gelden. Allereerst wordt in artikel 1 aan bepaalde publiekrechtelijke organen rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht gegeven. Een aantal van deze rechtspersonen wordt bij naam genoemd (bijvoorbeeld de Staat, provincies en gemeenten), maar de regeling kent een open einde. Of een publiekrechtelijk orgaan rechtspersoonlijkheid heeft naar burgerlijk recht, hangt af van de vraag of het publiekrechtelijk orgaan via een andere wet verordenende bevoegdheid heeft gekregen of bij wet is bepaald dat het rechtspersoonlijkheid bezit.
Kerkgenootschappen kennen hun eigen regeling in artikel 2. Deze rechtspersonen worden eigenlijk buiten het kader van Boek 2 Burgerlijk Wetboek geplaatst. Zij kunnen dus, bij wijze van uitzondering, geheel hun eigen regeling kennen voor interne organisatie, maar ook voor vertegenwoordiging richting derden. Dit is een punt om rekening mee te houden indien een derde zaken doet met een kerkgenootschap.
In artikel 3 wordt rechtspersoonlijkheid gegeven aan alle rechtsvormen die in Boek 2 Burgerlijk Wetboek staan. Deze rechtsvormen worden hieronder kort besproken.
Enkele belangrijke onderdelen van de algemene bepalingen beschrijven doelsoverschrijding (artikel 7), interne aansprakelijkheid van bestuurders (artikel 9), de algemene boekhoudplicht (artikel 10), regels omtrent interne besluitvorming van organen van de rechtspersoon en vernietiging/nietigheid van besluiten van de rechtspersoon en ontbinding en liquidatie van de rechtspersoon. Ten slotte wordt een aantal begrippen gedefinieerd die op meerdere plaatsen in Boek 2 Burgerlijk Wetboek worden gebruikt, zoals de begrippen dochtermaatschappij en groepsmaatschappij.
Verenigingen De kernelementen van een vereniging zijn: het hebben van leden; geen winst verdelen onder leden.
Bij verenigingen moet onderscheid gemaakt worden tussen de vereniging met en zonder volledige rechtsbevoegdheid (de zogenaamde informele vereniging). De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid heeft statuten die zijn neergelegd in een notariële akte en is geheel zelfstandig drager van rechten en verplichtingen. De vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid is niet geheel zelfstandig en kan vormvrij ontstaan. De plaatselijke kaartbijeenkomst van buurtbewoners zou in dat verband best eens een informele vereniging kunnen zijn. Het grote verschil tussen deze twee soorten verenigingen is erin gelegen dat: een informele vereniging geen erfgenaam kan zijn (bij testament aangewezen); de bestuurders van de informele vereniging hoofdelijk aansprakelijk zijn naast de vereniging voor bepaalde rechtshandelingen van de informele vereniging.
Een standaard vereniging bestaat uit een bestuur en een ledenvergadering. Het bestuur heeft de algehele leiding over de vereniging. Tevens vertegenwoordigt het bestuur de vereniging zowel in als buiten rechte. Een belangrijk element bij de vereniging betreft overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of als medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. Dit moet expliciet in de statuten zijn toegestaan, want anders kan de vereniging dat niet. Deze bepaling heeft werking jegens derden en is daarom in de praktijk een belangrijk aandachtspunt. De ledenvergadering wordt gevormd door de leden en bezit bepaalde kernbevoegdheden. In principe benoemt de ledenvergadering het bestuur, maar de wet kent hierop een paar uitzonderingen. Tevens zal de ledenvergadering de bevoegdheid hebben tot statutenwijziging.
Deze structuur van bestuur en een ledenvergadering is geen verplicht stramien. Bij grotere verenigingen is geregeld sprake van afdelingen en onderverenigingen. Het kan zelfs zo zijn dat van de hoofdvereniging slechts verenigingen lid zijn en geen natuurlijke personen. De wet biedt vrij veel ruimte om deze structuur naar eigen goeddunken in te kleden. Dit kan dan ook behoorlijk ingewikkeld worden in de praktijk. Het uitgangspunt van een bestuur en een algemene ledenvergadering blijft behouden, maar kan op meerdere niveaus worden ingekleed.
Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen De coöperatie is een bijzondere vorm van een vereniging. Het is een rechtsvorm voor gemeenschappelijk eigendom die een belangrijke rol speelde in de economische emancipatie van grote groepen van de bevolking, vooral rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20e eeuw. Bekende coöperaties zijn bijvoorbeeld FrieslandCampina en de Rabobank. Ook de onderlinge waarborgmaatschappij is een bijzondere vereniging. Het algemene verenigingenrecht wordt van toepassing verklaard op de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij tenzij de wet in deze titel daarvan afwijkt. Het belangrijkste verschil tussen de gewone vereniging en de coöperatie is dat de coöperatie winst aan de leden mag uitkeren, bij een gewone vereniging mag dit niet.
Naamloze vennootschappen De naamloze vennootschap, geregeld in Titel 4, is een zogenaamde kapitaalvennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Zij wordt opgericht bij notariële akte en voor de oprichting is een verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Justitie vereist. De statuten bevatten de naam, de zetel en het doel van de vennootschap en in de naam moeten de letters N.V. voorkomen.
Een naamloze vennootschap kent een zogenaamd maatschappelijk kapitaal en een geplaatst kapitaal. Het maatschappelijk kapitaal is een waarde die in de statuten van de naamloze vennootschap is vermeld. Dit is een waarde die aangeeft hoe groot het kapitaal van de naamloze vennootschap maximaal kan bedragen. Indien men meer geplaatst kapitaal uit wil geven dan het maatschappelijk kapitaal bedraagt, moeten de statuten gewijzigd worden. Het maatschappelijk kapitaal is dus een fictieve waarde en geeft niet aan wat het daadwerkelijke kapitaal van de naamloze vennootschap is. Het werkelijke kapitaal wordt weergegeven door het geplaatst kapitaal. Dit is een reële waarde waarvan de waarde in totaal verder niet in de statuten wordt weergegeven. Het geplaatste kapitaal moet bij oprichting minimaal € 45.000 bedragen en staat in de vorm van aandelen daadwerkelijk uit bij aandeelhouders.
Het gaat bij een naamloze vennootschap natuurlijk om aandelen als we het over het geplaatst kapitaal hebben. De naamloze vennootschap kan aandelen op naam kennen, maar ook aandelen aan toonder. Bij aandelen op naam is de vennootschap in principe op de hoogte van de identiteit van de aandeelhouder en bij aandelen aan toonder moet de vennootschap maar afwachten wie er komt opdagen op de aandeelhoudersvergadering met de aandelen aan toonder in de hand (dit is natuurlijk een versimpelde weergave, welke niet (meer) noodzakelijk overeenstemt met de praktische gang van zaken). Voor beursvennootschappen zijn aandelen aan toonder van belang. Doordat de aandelen aan toonder zijn kunnen zij op eenvoudige wijze vrijelijk worden verhandeld op de beurs. Aandelen op naam moeten namelijk in principe geleverd worden bij notariële akte hetgeen onwerkbaar zou zijn voor een beursvennootschap.
Dan rijst de vraag wat nu precies het karakter van een aandeel is. Een aandeel kan worden omschreven als een vordering van de aandeelhouder op de vennootschap met een voorwaardelijk karakter. De aandeelhouders staan achteraan in de rij van schuldeisers. Je kan het aandeel zien als een rechtsbetrekking tussen aandeelhouder en vennootschap met meerdere lijnen. Dit zijn financiële betrekkingen zoals storting op aandelen en dividenden/uitkeringen op aandelen en zeggenschapsbetrekkingen in de vorm van stemrecht. Bij uitgifte van aandelen moeten de aandelen volgestort worden, althans, in ieder geval voor de nominale waarde. De nominale waarde van een aandeel staat in de statuten vermeld bij de vermelding van het maatschappelijk kapitaal. De besloten vennootschap kent alleen maar aandelen op naam wat dus een verschil is met de naamloze vennootschap. De naamloze vennootschap kan ook aandelen aan toonder hebben en daarom is het belangrijk dat bij de uitgifte van aandelen, als de aandeelhouder die de aandelen krijgt nog bekend is, het aandeel in ieder geval volgestort wordt. De volstorting van het aandeel kan in geld geschieden maar ook in natura. Als het aandeel in natura wordt volgestort is een verklaring van een accountant vereist over de goederen die dan worden ingebracht in de vennootschap (dit ter bescherming van de vennootschap).
De statuten van een naamloze vennootschap kunnen een blokkeringsregeling bevatten die de overdraagbaarheid van aandelen beperkt. Deze regeling mag niet van dien aard zijn dat de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk wordt gemaakt. Deze regeling is niet verplicht bij de naamloze vennootschap en wel bij de besloten vennootschap. Dit is een van de belangrijkste verschillen tussen de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap. Men kan zich voorstellen dat een beursvennootschap geen blokkeringsregeling kent terwijl een familie N.V. best eens een blokkeringsregeling in de statuten kan hebben.
De naamloze vennootschap kent een bestuur en, uiteraard, een algemene vergadering van aandeelhouders. Het bestuur van de naamloze vennootschap heeft de algehele leiding over de vennootschap en vertegenwoordigt haar in en buiten rechte. Besluiten kunnen aan goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering worden onderworpen maar een dergelijke regeling kan in principe niet worden tegengeworpen aan een derde (anders, zie stichting\vereniging voor bepaalde besluiten). De aandeelhoudersvergadering benoemt het bestuur en heeft een aantal andere kernbevoegdheden. De algemene vergadering heeft onder meer de bevoegdheid de statuten te wijzigen, de jaarrekening al dan niet vast te stellen en een besluit tot ontbinding van de vennootschap te nemen.