Seismosaurus is een geslacht van uitgestorven herbivore sauropode dinosauriër uit de groep van de Diplodocidae. Hij leefde tijdens het Laat-Jura, zo'n 152 miljoen jaar geleden, in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
In 1991 werd de naam Seismosaurus, 'aardschoksauriër', gegeven aan het fossiel van een gigantische sauropode die in 1979 in de woestijn van Nieuw-Mexico ontdekt was. Dr. David Gillette groef de resten van het dier op en dacht dat het oorspronkelijk wel ruim vijftig meter lang kon zijn geweest. Hij meende ook dat het een heel nieuwe soort was, Seismosaurus hallorum. Latere onderzoekers stelden de lengte naar beneden bij. Ze vonden ook dat het dier in wezen niets anders was dan een heel groot en oud individu van een al bekende soort van Diplodocus: Diplodocus longus. In 2015 kwam een onderzoek tot de conclusie dat D. longus geen geldige naam was omdat die eerst gegeven was aan wat beschadigde staartwervels die ook aan andere soorten hadden kunnen toebehoren. Gillette's grote sauropode en nog eens drie andere skeletten hoorden wel vaststelbaar bij een eigen soort die dan Diplodocus hallorum kan heten of naar keuze Seismosaurus; de typesoort van dat laatste geslacht blijft in beide gevallen Seismosaurus hallorum. De vier exemplaren vertegenwoordigen samen het grootste deel van het skelet maar de schedel ontbreekt.
Seismosaurus was een zeer lange dinosauriër die van kop tot staartpunt zo'n tweeëndertig meter mat. Zijn gewicht lag rond de dertig ton. De lengte werd vooral gevormd door een lange nek en staart. De nek diende om makkelijker voedsel te bereiken, stukken van coniferen. De geleerden zijn het er niet over eens of dat vooral in de hoogte of de breedte gezocht werd. Het plantenmateriaal werd heel ingeslikt en in de enorme buikholte verteerd die tussen de vier rechte poten hing. Dat leverde de energie om het warmbloedige lichaam op temperatuur te houden. De zuurstof werd gewonnen door een ingewikkeld systeem van luchtzakken dat steeds verse lucht door de stijve longen stuwde. Die luchtzakken hadden ook uitlopers in de wervels die daardoor uitgehold werden wat het gewicht iets omlaag bracht. Dit alles maakte Seismosaurus tot een energiek dier dat flink doorstappend een vijfentwintig kilometer per uur kon bereiken. Door de staart als zweep te gebruiken hield het zich roofdieren van het lijf, zoals Allosaurus.
Vondst en naamgeving Ontdekkingsgeschiedenis thumb|Het karakteristieke landschap van de Ojito Wilderness In 1979 maakten twee amateurarcheologen, Arthur Loy en Jan Cummings, in Sandoval County, New Mexico zestien kilometer ten westen van San Ysidro een trektocht naar de Ojito Wilderness Study Area om rotstekeningen te bestuderen die vroegere bewoners ingekrast hadden. Over een mesa lopend zag Arthur plots een reeks enorme staartwervels van een dinosauriër uit het zandsteen van een lage rotswand steken. Jan, een apotheker die vroeger geologie gestudeerd had, wist dat die zeldzaam waren in dit gebied. Een paar weken later kwamen ze terug op de vindplaats samen met hun vrienden Bill Norlander en Frank Walker. Bij die gelegenheid werden er filmopnamen gemaakt. Hetzelfde jaar meldden ze de vondst bij het United States Bureau of Land Management. Een paleontoloog van die instelling kwam kijken en identificeerde de vondst als een diplodocide sauropode maar oordeelde dat het gesteente te hard was om met werktuigen handmatig te verwijderen. Er zouden explosieven gebruikt moeten worden om de beenderen vrij te krijgen. Teleurgesteld bedekten de vrienden de botten zoveel mogelijk om ze tegen de elementen te beschermen.
In 1982 werd er een nieuw New Mexico Museum of Natural History opgericht. In het voorjaar van 1985 leverde de constructie van een groot gebouw daarvoor een hoop publiciteit op. Frank Walker besloot bij deze gelegenheid de vondst opnieuw onder de aandacht van de wetenschap te brengen. De conservator paleontologie van het museum, David Gillette, was eerst sceptisch omdat er uit de streek nauwelijks dinosauriërs uit het Jura bekend waren. Toen Walker daarop de foto's meebracht, werd Gillette echter meteen overtuigd van het belang van de vondst. Walker bleek daarbij een tv-ploeg naar de vindplaats meegenomen te hebben en al twee weken eerder was er een reportage over uitgezonden. Dat droeg het gevaar in zich dat nieuwsgierigen de vindplaats zouden plunderen. In mei 1985 bezocht Gillette de locatie; de gaafheid van de botten overtuigde hem ervan dat een opgraving in gang gezet moest worden. In korte tijd verkreeg hij hiervoor een vergunning van het USBLM, nodig omdat het fossiel op federale grond lag. Op vaderdag dat jaar bedekte hij samen met zijn vrouw, dochter, preparateur David Thomas en de vier vrienden zeven staartwervels met gips — in eerste instantie dacht hij dat het er acht waren — en hakte ze als steenblokken uit, waarna ze afgevoerd werden om in een garage opgeslagen te worden; het museum had voorlopig geen plaats want het zou pas in januari 1986 geopend worden. De vondst werd al in 1985 in de literatuur vermeld. Het exemplaar kreeg van Gillette de bijnaam 'Sam', gekozen omdat het zowel een jongensnaam, van 'Samuel', als een meisjesnaam, van 'Samantha', kon zijn — het geslacht van het dier was immers onbekend.
Een uit de rotswand stekend fragment van een wervel was achtergebleven, het bewijs dat de rest van het skelet zich dieper in de aardlaag voortzette, de rotswand in. In de zomer van 1985 vond Gillette dat nog niet zo'n probleem omdat hij ervan uitging dat het exemplaar een al bekende soort vertegenwoordigde, vermoedelijk van Diplodocus. In 1986 werd hij echter een tijdje gedetacheerd in het Smithsonian Institute en de directe confrontatie met de vele diplodocide fossielen daar overtuigde hem ervan dat zijn opgraving een nog onbekend taxon aan het licht gebracht had. In de zomer van dat jaar werden vier van de wervels door het museum opgesteld. Naar aanleiding daarvan maakte Gillette in een persconferentie een nieuwe geslachtsnaam bekend: Seismosaurus. De naam is afgeleid van het Oudgrieks σεισμός, seismos, 'aardbeving'. Op de vitrine werd het dier de Earth Shaker genoemd. Gillette schatte de lengte van het beest op honderdtien voet, zo'n drieëndertig meter. De vondst kreeg veel aandacht in de pers. Dit alles overtuigde Gillette ervan dat ook de rest van het skelet moest worden gevonden ondanks de bezwaarlijke hoeveelheid gesteente die daarvoor verwijderd moest worden.
Gillette zocht om deze moeilijkheid te verminderen naar een methode om de precieze positie van ontbrekende skeletdelen te bepalen. Al in 1985 had hij dit vraagstuk tijdens een seminar in het Los Alamos National Laboratory voorgelegd aan een gezelschap ingenieurs. Die vonden dit een inspirerende uitdaging en een mooie gelegenheid om allerlei geavanceerde exploratietechnieken uit te proberen op een wijze die ook het grote publiek zou aanspreken. Zo ontstond THE SEISMOSAURUS PROJECT, een los samenwerkingsverband om de beenderen te lokaliseren. Een eerste bijdrage werd geleverd door Shaun Levy die ultravioletfoto's nam van de omringende rotsen. In dinosauriërbotten hopen zich in deze aardlagen namelijk vaak sporen van uranium op, wat weer leidt tot een vaststelbare fluorescentie van het gesteente. Op deze wijze werden verschillende fragmenten gevonden die eerst over het hoofd waren gezien en ook bleek het een zeer nuttig hulpmiddel om bij het prepareren het fossiel te onderscheiden van het moedergesteente. Het werd echter duidelijk dat de ontbrekende botten zich niet dicht onder het oppervlak bevonden. Dat was ook de uitkomst van een chemisch onderzoek door Nate Bower dat echter wel vaststelde dat in de 'versteende' botten in feite verrassend veel van het oorspronkelijke botweefsel nog aanwezig was. Het onderzoek richtte zich hierna op de mogelijkheid van een diepere positie, aan te tonen met behulp van de modernste opsporingsmethoden, zoals seismografische instrumenten en grondradar. De eerste metingen met een grondradar werden uitgevoerd door Roland Hagan en Carrie Neeper maar dat leverde geen eenduidige resultaten op. Daarna zetten Wayne Cooke en Cliff Kinnebrew van het Sandia National Laboratory een militaire radar in, die vage indicaties gaf. Een volgende experiment werd uitgevoerd door Harold Bowen en Rod Hardee die een magnetometrie uitvoerden, het meten van verstoringen van het magnetisch veld; daarmee werden twee kleine botfragmenten gevonden. Bill Johnson zette hierop een Geigerteller in om zo de radioactieve beenderen te vinden maar nam geen speciale uitslagen waar. Uiteindelijk probeerde Alan Witten van het Oak Ridge National Laboratory de botten seismografisch op te sporen via akoestische diffractietomografie, het meten hoe geluidsgolven van kleine explosies zich door de aarde voortbewegen. Dit gaf aan dat er zich een belangrijke concentratie van beenderen in de grond bevond, schuin rechts van de lijn van de staart op een vijf meter van het punt waar het laatste stuk wervel zichtbaar was. Hierdoor gesterkt zette Gillette de opgraving door.
Een voorwaarde voor een succesvolle berging van deze omvang was het verwerven van voldoende fondsen; het budget van het museum was ontoereikend. De experimentele exploratietechnieken, die nog tot 1992 zouden worden voortgezet, kregen voor een jaar subsidie van de National Science Foundation. De opgravingen als zodanig zouden voor drie jaar betaald worden door de National Geographic Society. De Martin Marietta Corporation Foundation sponsorde nog een extra jaar.
Juli 1987 begon men verder de rotswand in te graven, met drilboren en pikhouwelen een toplaag van drie meter keiharde zandsteen verwijderend. Daarbij werden veel vrijwilligers ingezet, begeleid door Peggy Bechtel wier echtgenoot Wilson Bechtel zich zelf onder de gratis werkkrachten bevond. Al snel bleek dat het achtergebleven botfragment slechts een chevron betrof, een aan de onderkant van de staartwervel thuishorende hemaalboog, welke niet aan verdere wervels verbonden was. Desalniettemin hakte men stug door, welke inspanning na een maand beloond werd met de vondst van nog eens vier wervels, de vierde, vijfde, zesde en zevende uit de basis van de staart. Daarna bleken ook de eerste, tweede en derde staartwervel aanwezig te zijn. Aan het eind van het veldseizoen, oktober 1987, had men het heiligbeen bereikt, de wervels die tussen de bekkenhelften liggen, precies op de positie die de militaire radar had aangegeven. Verpakt in tissues en gips werden beide groepen staartwervels in 1988 ieder als een blok verwijderd, wat per groep drie maanden in beslag nam. Het heiligbeen werd in 1989 als een derde blok verwijderd, met een gewicht van anderhalve ton; het hele veldseizoen werd daaraan besteed. De ernaast liggende bekkendelen bleken eenvoudig te verwijderen, omvat door verkruimelend zand. In 1990 werden zeven achterste ruggenwervels, de vierde tot en met tiende, blootgelegd, op de positie voorspeld door de seismografische instrumenten. Deze werden als één blok geborgen, met een gewicht van ruim twee ton, wat pas eind 1991 voltooid werd. Daarnaast vond men los de derde ruggenwervel welke doorboord bleek door een van de boorgaten van de exploratietechnieken. Gedurende het verwijderen van de grote blokken bleef men verder de steeds hogere toplaag verwijderen. Eind 1991 en in 1992 werden uiteindelijk, vele meters van de romp, nog vier stukken van een halswervel ontdekt.
Seismosaurus wordt benoemd