thumb|Uitbreiding van het Mongoolse Rijk door de jaren heen
Het Mongoolse Rijk (Mongools: Их Монгол Улс, Ih Mongol Uls; of Монголын Эзэнт Гүрэн, Mongolyn Ezent Güren) werd in 1206 gesticht door Dzjengis Khan. Het omvatte op zijn hoogtepunt een gebied dat zich uitstrekte van Zuidoost-Azië tot Oost-Europa. Het is het op een na grootste imperium uit de wereldgeschiedenis, alleen het Britse Rijk was qua omvang groter. Na de dood van Koeblai Khan in 1294 viel het in meerdere, kleinere delen uiteen.
Tijdlijn van de heersers van het Mongoolse Rijk
Het verenigen van stammen 350px|thumb|Historische handelskaart van Azië Vóór Dzjengis Khan (±1162–1227) aan de macht kwam, bestond Mongolië uit een groot aantal rivaliserende stammen die een lange geschiedenis van onderlinge conflicten hadden. Deze conflicten werden regelmatig aangewakkerd door de Jurchen in het zuiden, die de Tatar en de Keiraïten tegen elkaar uitspeelden. Op deze wijze vormden de Mongolen geen bedreiging voor de gesinificeerde Jurchen-dynastie, het keizerrijk Jin.
Ten tijde van Dzjengis Khan was de belangrijkste spanning die tussen zijn stam, de Borjin, onderhorig aan Ong Khan die Keiraïet was, en de Merkieten, onderhorig aan de Tataren. De strijd leidde tot de dood van Yesükhei, de vader van Temujin (de latere Dzjengis Khan). Deze was de anda (bloedbroeder) van Ong Khan, wat Temujin rechten gaf als aangenomen zoon van Ong Khan. Op deze wijze kon Temujin zijn macht vergroten en stammen onderwerpen. Ook werd de vete met de Tataren beslecht. Na enige tijd kreeg Temujin een conflict met Jamuka, zijn eigen anda. Dit leidde tot een oorlog tussen beiden, waarin Ong Khan de kant van Jamuka koos. De dood van Ong Khan en de executie van Jamuka maakten voor Temujin de weg vrij. Op een khuriltai in 1206 liet hij zich tot khan kronen en kreeg de titel Dzjengis Khan, hetgeen 'opperste leider' betekent.
Vrijwel alle stammen waren in de oorlogen van Temujin onderworpen en als Dzjengis Khan hoefde hij enkel wat nomaden uit de bossen rond het Baikalmeer te onderwerpen, evenals enkele opstandige leiders te straffen. Door zijn moeder prinsen uit andere stammen te laten adopteren, door opstandige stammen te verdelen over loyale leiders en door strenge wetten, wist Dzjengis Khan een eenheid uit het volk te smeden. Ook werd de bevolking, evenals het leger, opgedeeld in groepen van tien, die weer werden onderverdeeld in groepen van honderd, duizend en tienduizend. Zo was het volk stevig georganiseerd.
Vele stammen traden ook vrijwillig toe tot het rijk van Dzjengis. Dit bracht hun het voordeel te kunnen leven onder een sterke leiding in een eengemaakt rijk. Er ontstond een hoog moreel niveau alsook een verfijnd sociaal en economisch systeem. Voorbeelden hiervan waren godsdienstvrijheid, vrouwenrechten, een verbod op lijfstraffen, extra bescherming voor geletterden en kunstenaars en een systeem van rechtspraak om dit te beschermen, de yasak. Veel regels en wetten werden op traditionele melodieën gezet, zodat de ongeletterde Mongolen deze tijdens het werken of tijdens veldtochten konden zingen.
De stichting van een imperium onder Dzjengis Khan In 1206 - na het met succes verenigen van de verschillende Mongoolse en Turkse stammen - gaf de khuriltai, een traditionele belegde vergadering tussen leiders en invloedrijke familieleden, Temüjin de titel van „Dzjengis Khan“ (andere spellingen van zijn naam zijn Jenghis Khan, Genghis Khan en Chingis Khan). Dit betekent letterlijk 'opperste leider'.
Dzjengis Khan zette de lange reeks Mongoolse aanvallen op China voort. Hij had meer succes dan zijn voorgangers omdat hij over een krachtig militair apparaat beschikte.
Als grote khagan gebruikte hij hetzelfde militaire systeem als de Hunnen, dat op het decimale stelsel was gebaseerd. De legers werden ingedeeld in groepen van 10, 100, 1000 of 10.000 soldaten. Ook de civiele bevolking werd door Dzjengis Khan verdeeld in groepen van tien. De soldaten namen hun familie en paarden met zich mee. Elke ruiter had twee tot vier paarden, zodat er altijd voldoende transportmiddelen ter beschikking waren. Aan het begin van zijn militaire campagnes had Dzjengis echter niet meer dan 25.000 militairen.
China thumb|300px|Slag tussen de Mongolen en Chinezen in 1211. Illustratie uit de Jami' al-tawarikh van de Perzische historicus Rashid al-Din thumb|300px|Dzjengis Khan en een Chinese delegatie. Illustratie uit de Jami' al-tawarikh van de Perzische historicus Rashid al-Din Ten tijde van de khuriltai raakte Dzjengis verwikkeld in een oorlog met de Westelijke Xia. Dit was de eerste van zijn buitenlandse veroveringsoorlogen. In 1209, bij de ondertekening van de vrede, had hij de heerschappij over de westelijke gebieden van de Xia veroverd.
Een belangrijk doel van Dzjengis was de verovering van het keizerrijk van de Jurchen in Noord-China. De Jurchen waren een aan de Mongolen verwant volk dat erin geslaagd was een koninkrijk in China over te nemen en dat vanuit dit gebied de machtsverhoudingen tussen de Mongolen frustreerde door burgeroorlogen aan te wakkeren, met name tussen de Tatar en de Keiraïten. Het koninkrijk van de Jurchen wordt wel aangeduid met Jin of de Jin. Hij verklaarde de Jurchen de oorlog in 1211. Hij had toen een leger van 150.000 mensen ter beschikking op een totale bevolking van slechts 700.000. Het Jin-leger telde meer dan 2 miljoen (misschien 3-5 miljoen) soldaten terwijl de Noord-Chinese bevolking bestond uit meer dan 80 miljoen mensen. Bondgenoot van Mongolië was de Zuid-Chinese Song-dynastie, die zijn noordelijke gebieden en oude hoofdstad aan de Jin verloren had.
De Mongolen waren superieur op open terrein, maar het lukte hen niet goedversterkte steden in te nemen. Met behulp van gevangengenomen Chinese ingenieurs ontwikkelden Dzjengis en zijn medewerkers geleidelijk aan een reeks technieken die hen uiteindelijk tot de meest succesvolle belegeraars in de geschiedenis van de oorlogvoering zouden maken. Enkele van deze technieken waren: het verleggen van rivieren, zodat steden overstroomden het bouwen van palissades om steden heen, zodat de bevolking uitgehongerd en gedemoraliseerd werd verschillende belegeringswerktuigen, zoals blijden, katapulten en zelfs primitieve kanonnen en bommen werden overgenomen van de onderworpen volken.
De Jin werden dus met behulp van de door hen eerder onderworpen Song verslagen door de Mongolen. In 1213 had Dzjengis het grondgebied van Jin zuidwaarts tot aan de Chinese Muur veroverd en geconsolideerd. Hij trok toen met drie legers door het grondgebied van Jin, tot aan de Gele Rivier. Met zijn leger van 75.000 man versloeg hij de troepen van Jin, die 600.000 soldaten telden. Hij verwoestte noordelijk China, nam talrijke steden in en in 1215 belegerde hij de hoofdstad Yanjing (het huidige Peking). De Jin-keizer, Xuan Zong, weigerde zijn hoofdstad over te dragen. Zijn opvolgers werden echter verslagen in 1234.
Centraal-Azië Het Mongoolse leger raakte uitgeput na tien jaar van ononderbroken veldslagen tegen de Westelijke Xia en Jin. Dzjengis zond kleine groepen strijders naar het westelijke gebied. In 1218 had de Mongoolse staat zich naar het westen uitgebreid tot aan het Balkasjmeer en grensde aan Khwarizm, een moslimgebied aan de Kaspische Zee in het westen en aan de Perzische Golf en de Arabische Zee in het zuiden.
In 1218 stuurde Dzjengis gezanten naar een oostelijke provincie van Khwarizm met de bedoeling handelsbetrekkingen met het Khwarizmidische Rijk aan te knopen. De gouverneur van de provincie doodde hen en Dzjengis nam wraak met een leger van 200.000 man. De Mongolen namen snel de stad in. Ze maakten de gouverneur af door gesmolten zilver in zijn oren en ogen te gieten. De yasak verbood namelijk het doen vloeien van bloed van vijandelijke leiders.
In 1219 besloten de Mongolen dat hun rijk in de moslimwereld verder uitgebreid moest worden. Mongoolse horden marcheerden door de hoofdsteden van Khwarizm, Buchara, Samarkand en Balkh. Ze overvielen sjah Muhammad II van Chorasmië. Deze kon zich niet weren tegen de veel vluggere Mongolen en werd gedwongen tot de terugtocht. In het nauw gedreven pleegde de sjah zelfmoord. In 1220 was het Khwarizmisch Rijk in Mongoolse handen. Nu splitsten de Mongolen hun legers. Dzjengis leidde een afdeling tijdens een inval in Afghanistan en noordelijk India. Een ander leger, geleid door Subedei, marcheerde door de Kaukasus en Rusland. Geen van beide campagnes voegde grondgebied aan het imperium toe, maar de Mongolen plunderden steden en versloegen alle legers die zij ontmoetten. In 1225 keerden beide legercontingenten naar Mongolië terug. Transoxanië en Perzië werden wel aan het reeds reusachtig imperium toegevoegd.
Dit vestigde de reputatie van Dzjengis Khan als bloeddorstige strijder. Zijn legers doodden, vernietigden en plunderden schijnbaar zonder genade alles wat weerstand bood. Zij gebruikten burgers als menselijke schilden en slachtten vaak systematisch alle overlevenden na hun invallen af wanneer zij zich niet overgaven. Kunstenaars, schrijvers en taalspecialisten werden niet gedood; deze konden als krijgsgevangenen nuttig zijn.
Europa Terwijl Dzjengis zijn krachten in Perzië en Armenië bundelde, drongen meer dan 40.000 van zijn manschappen diep in Armenië en Azerbeidzjan door. Daar vermoordde Dzjengis Georgische kruisvaarders, nam een Genuese handelsvesting in de Krim in en verbleef in de winter dicht bij de Zwarte Zee. Dzjengis kwam er in aanvaring met prins Mstislav III van Kiev en zijn 80.000 man; de Slag aan de Kalka volgde in 1223. Wederom wonnen Dzjengis' troepen de strijd.
Batu Khan, kleinzoon van Dzjengis en zijn begaafdste familielid, veroverde met zijn troepen in Oost- en Midden-Europa Polen en Hongarije. Zijn tegenstanders werden door legers van Duitse Teutoonse ridders gesteund. De Slag bij Legnica volgde in 1241.
De laatste campagne 350px|thumb|Het Mongoolse wereldrijk in 1227 De ondergeschikte keizer van de Westelijke Xia had geweigerd om aan de oorlog tegen de Khwarizm deel te nemen. Terwijl Dzjengis in Perzië was, hadden de Westelijke Xia en Jin een alliantie tegen de Mongolen gevormd. Dzjengis was op de hoogte van deze plannen en trof, na een tijd van rust en reorganisatie van zijn legers, voorbereidingen voor oorlog tegen zijn vijanden. Hij bracht een leger van 180.000 man op de been voor een nieuwe campagne.
In 1226 viel Dzjengis Khan de Tanguten (Westelijke Xia) aan. In februari nam hij de steden Heisui, Gan-Zhou en Su-Zhou in en in de herfst Xiliang. Een generaal van de Westelijke Xia daagde de Mongolen uit voor een veldslag dicht bij de berg Helanshan. De legers van de Westelijke Xia werden verslagen. In november belegerden zijn troepen de stad Tangut, kruisten de Gele Rivier en versloegen het Tangutisch hulpleger.
In 1227 viel Dzjengis Khan de hoofdstad van de Tanguten aan, en in februari nam hij Lintiao in. In maart veroverde hij de prefecturen Xining en Xindu, en in april kwam de prefectuur Deshun in zijn handen. In Deshun verzetten de Westelijke Xia zich, onder generaal Ma Jianlong, dagenlang tegen de Mongolen. Ma Jianlong stierf na met pijlen te zijn beschoten.
Dzjengis ging, na het veroveren van Deshun, naar de berg Liupanshan (provincie Qingshui/Gansu) om daar een schuilplaats te zoeken voor de hete zomer. Op die berg verklaarde hij aan zijn kameraden in een beroemde toespraak dat hij één jaar daarvoor vijf sterren in één lijn had gezien en hij vroeg de Mongolen geen mensen in het wilde weg te doden.
De Tanguten gaven zich officieel over in 1227, na 190 jaar te hebben bestaan, van 1038 tot 1227. De Mongolen doodden de keizer van de Tanguten en zijn koninklijke familieleden.
Voorbereiding voor opvolging