170px|thumb|De vier temperamenten volgens de klassieke leer De persoonlijkheidsleer is de studie van de verschillen en overeenkomsten in persoonlijkheid tussen mensen, waarin persoonlijkheid inhoudt hoe het individu zich gedraagt ten opzichte van zijn sociale omgeving, andere mensen en in verschillende situaties. De persoonlijkheidsleer probeert tot een allesomvattende theorie te komen die het gedrag van mensen kan voorspellen in verschillende situaties, maar tot op heden is dit niet of nauwelijks gelukt.

Stromingen In de geschiedenis van de psychologie zijn er diverse systemen ontwikkeld om de persoonlijkheid te beschrijven. De oude Grieken stelden dat er vier persoonlijkheden of temperamenten waren die bepaald werden door de humores, de lichaamssappen. Deze theorie heeft tot in de late middeleeuwen veel invloed gehad. Deze oude opvatting heeft een aantal moderne psychologen geïnspireerd tot een moderne persoonlijkheidstypologie, terwijl anderen deze benadering radicaal verwierpen. Hieronder een kort overzicht.

Psychoanalytische benadering left|100px|thumb|Sigmund Freud, foto genomen rond 1905 Freud heeft zich met zijn psychoanalytisch perspectief wel laten inspireren door de oude Grieken. Deze benadering stelt dat persoonlijkheid voortkomt uit een strijd van het hedonistische id en het superego met het reële ego. De persoonlijkheid speelt zich gedeeltelijk af in het onderbewuste, waar het id de scepter zwaait en de oerdriften probeert door te drukken naar het bewuste. Als het ego dit niet goed kan beheersen en niet (gedeeltelijk) toegeeft aan de lusten van het id, zal zich dat in verschillende persoonlijkheidsstoornissen uiten. Het ego kan, om zich te verdedigen tegen de oerkracht van het id, gebruikmaken van verschillende afweermechanismen. Het ego moet een goede verhouding vinden tussen de wil van het id en het superego, dat de normen en waarden behelst en de doelen in de toekomst vaststelt.

Carl Jung en Alfred Adler zijn verder ingegaan op de verschillende fasen van ontwikkeling van Freud en hebben de psychoanalytische benadering doorontwikkeld tot de neoanalytische benadering. In elke ontwikkelingsfase kan fixatie optreden, wat op latere leeftijd de verklaring kan zijn voor psychologische stoornissen. Een beknopt overzicht van de fasen: De orale fase, van waaruit angststoornissen verklaard worden De anale fase, die verklaart hoe mensen neurosen en faalangsten krijgen. De fallische fase, waarin het oedipuscomplex of elektracomplex opgelopen kan worden en jongens castratieangst voor de vader ontwikkelen. De latente fase, waarin het kind zich ontwikkelt naar volwassene. De genitale fase, waarin alle andere fases nog een keer worden doorlopen en waarin de stoornissen zich tot uiting brengen.

Om persoonlijkheid te meten, gebruikt een psychoanalyticus methoden als introspectie en apperceptieve testen. Ook de vrije associatie is en was een veelgebruikte methode om na te gaan wat voor persoonlijkheid iemand heeft.

Een belangrijke en interessante visie op het id is dat die vergeleken kan worden met het menselijk genoom, wat ook de oerdriften van een mens behelst. Deze visie maakt de psychoanalyse gedeeltelijk biologisch. Verder kan, in deze visie, het Superego vergelijken worden met de frontale kwab waarin het geweten huist.

thumb|Het functiekruis van Jung met de vier functies: intuïtie (boven) tegenover gewaarwording (beneden), denken (links) tegenover voelen (rechts)

Persoonlijkheidstypen van Jung Carl Gustav Jung was de eerste die een moderne typologie van de persoonlijkheid opstelde. Hij stelde dat er vier psychologische functies zijn: denken, voelen, gewaarwording en intuïtie. Denken en voelen zijn hierbij de rationele functies, en gewaarwording en intuïtie de irrationele functies. Deze vier functies combineerde hij met de twee fundamentele houdingen introversie en extraversie. Door combinatie van deze vier functies en twee houdingen ontstaan dus in totaal acht mogelijke persoonlijkheidstypen:

het extraverte denktype het introverte denktype het extraverte gevoelstype het introverte gevoelstype het extraverte gewaarwordingstype het introverte gewaarwordingstype het extraverte intuïtieve type het introverte intuïtieve type

In het functiekruis, een soort diagram, staan denken en voelen tegenover elkaar, evenals gewaarworden en intuïtie. Volgens Jung zal steeds een van de vier functies dominant (superieur) zijn in de persoonlijkheid en de tegenovergestelde inferieur. In een lezingDe Tavistock-lezingen: eerste lezing gaf hij zelf het voorbeeld van de manier waarop intuïtieve mensen naar de dingen kijken tegenover mensen die heel zintuiglijk zijn ingesteld. Je kunt, zo zegt hij, niet tegelijk nauwkeurig kijken (gewaarworden als superieure functie) en het beeld in zijn totaliteit beschouwen door er als het ware langs te kijken en in je op te nemen (intuïtie als superieure functie). Net zo zal iemand met een goed verstand over alles goed nadenken, maar het voelen - nodig bij sociaal verkeer en gevoelssituaties - zal bij zo iemand minder goed functioneren omdat het de inferieure functie is. Het denken is dan hooggedifferentieerd en het voelen laaggedifferentieerd.

Myers-Briggs typeindicator De Myers-Briggs typeindicator (MBTI) is een systematiek om de verschillen in persoonlijkheid van mensen te classificeren. Het model is ontwikkeld door Katharine Cook Briggs en haar dochter, Isabel Briggs Myers op basis van theorieën van Jung. MBTI gaat uit van de voorkeuren van een persoon op vier dichotomieën met elk twee polen. Op deze manier kunnen zestien types onderscheiden worden. De wetenschappelijke onderbouwing van het instrument ontbreekt grotendeels en sluit niet aan bij wetenschappelijk onderbouwde benaderingen als de Big Five.[...] the scientific evidence behind the MBTI is very skimpy. With few exceptions (e.g., Thorne & Gough, 1991), research has failed to show that the clean types provided by the MBTI actually correspond to demonstrable differences in personality functioning (Pittenger, 1993). Most problematic in this regard is the test’s either/or logic. Personality researchers tend to see traits as continuous and more-or-less normally distributed variables. Although we may speak casually about being an extravert or an introvert, the fact is that people are distributed on a continuum ranging from one extreme to another, and most of us lie somewhere in the middle of the two extremes. By forcing the person into an either/or type, the MBTI would seem to distort (or at best vastly oversimplify) psychological reality. (2008): The Person. An Introduction to the Science of Personality Psychology, John Wiley & Sons

Dispositionele benadering De dispositionele of trekken-benadering heeft de wortels in de late 19e eeuw, toen Alfred Binet voor het eerst op grote schaal persoonlijkheidstests ontwikkelde en afnam. Raymond Cattel kwam ook rond die tijd met 16 persoonlijkheidstrekken of traits waarop elke mens zou kunnen scoren en wat de persoonlijkheid in zou houden. Hij kwam op deze 16 trekken door middel van een statistische methode, de factoranalyse, waarbij hij keek naar de correlaties tussen verschillende kenmerken of karaktertrekken als warm, aardig en koel, die mensen gebruiken als ze andere mensen omschrijven en waarbij hij uitkwam op 16 supertraits of dimensies waaronder alle andere karaktertrekken genoemd zouden kunnen worden. Later onderzoek heeft opgeleverd dat er ook binnen deze 16 dimensies weer onderlinge correlationele verbanden liggen.

Big Five Een moderne theorie die daar uit is voortgekomen, en die ook empirisch ondersteund wordt, is de Big Five. Deze theorie stelt dat er vijf grote, onafhankelijke dimensies zijn van persoonlijkheidstrekken waarop mensen van elkaar verschillen of juist met elkaar kunnen worden vergeleken. Elke dimensie heeft een eigen tegenpool en iemand scoort dan ook hoog op het een en laag op de tegenpool, of omgekeerd. Deze dimensies met tegenpool en enkele voorbeelden zijn: Neuroticisme tegenover interne stabiliteit (het kunnen omgaan met tegenslag, stabiele emoties) Extraversie tegenover introversie (het kunnen spreken in het openbaar, omgang met andere mensen) Openheid (hoe staat men tegenover nieuwe dingen, creativiteit, intelligentie. deze heeft geen echt benoembare tegenpool). Consciëntieusheid tegenover laksheid (plannen, motivatie) Vriendelijkheid tegenover onaangenaamheid (vriendelijkheid, overeenstemming)

De revised NEO personality inventory (NEO PI-R) is de gold standard om de vijf dimensies te bepalen.; ; (2007): 'Construct validation of a short five-factor model instrument: A self-peer study on the German adaptation of the Ten-Item Personality Inventory (TIPI-G)' in European Journal of Psychological Assessment, Volume 23, p. 166-175 Daarbij staat NEO voor de domeinen neuroticism, extraversion en openness, waaraan agreeableness en conscientiousness werden toegevoegd. Door de lexicale achtergrond – gebaseerd op het voorkomen van woorden die betrekking hebben op persoonlijkheidstrekken – zijn die benamingen niet voor elke taal gelijk en brengt een directe vertaling risico met zich mee van gedeeltelijke begripsverandering. Er zijn dan ook verschillende vertalingen.

+NEO PI-R; ; (1999): The Five Factor Personality Inventory. FFPI, Handleiding, Swets & Zeitlinger Domeinen neuroticisme(emotionele stabiliteit) extraversie openheid(intellectuele autonomie) altruïsme(mildheid) consciëntieusheid(ordelijkheid) Facetten angst hartelijkheid fantasie vertrouwen doelmatigheid ergernis sociabiliteit esthetiek oprechtheid ordelijkheid depressie dominantie gevoelens zorgzaamheid betrouwbaarheid schaamte energie veranderingen inschikkelijkheid ambitie impulsiviteit avonturisme ideeën bescheidenheid zelfdiscipline kwetsbaarheid vrolijkheid waarden medeleven bedachtzaamheid Factoren IV I V II III

Situationisme De Big Five is echter nog niet perfect, omdat het uitgaat van een persoonlijkheid die stabiel is in verschillende situaties en voorspellend is voor nieuwe situaties. Dit blijkt in de praktijk niet zo te zijn. Een extreme tegenhanger van de trait-aanpak is het situationisme, dat uitgaat van het feit dat de situatie volledig bepalend is voor gedrag en dat hetzelfde gedrag niet gemeten kan worden in verschillende situaties. Tegenwoordig hangen de meeste psychologen toch een combinatie aan, het interactionisme, dat uitgaat van het feit dat een persoonlijkheid gedeeltelijk gedrag verklaart en dat de situatie een ander deel bepaalt. De Big Five is een voor veel mensen toegankelijke theorie, wat ook een deel van de populariteit verklaart.

De Big Five wordt ook veel gebruikt bij bijvoorbeeld sollicitatieprocedures, om te kijken of iemand geschikt zou zijn voor een baan. Een veelgebruikte test hiervoor is de NEO-PI, waarbij NEO staat voor de eerste drie van de vijf dimensies. Kritiek hierop is dan ook dat de test een momentopname is en niet voorspelt hoe echt gedrag in echte situaties is.

Biologische benadering De biologische benadering gaat ervan uit dat de basis voor persoonlijkheid terug te vinden is in de hersenen, werking van neurotransmitters (bijvoorbeeld dopamine en aangeboren) eigenschappen. Zo is er veel onderzoek gedaan naar de biologische basis van eigenschappen als affectieve stijl, emotionele stabiliteit en introversie-extraversie. De biologische benaderingen bedienen zich van neurobiologisch onderzoek als fMRI en EEG, in combinatie met vragenlijsten om persoonlijkheid te meten. Een belangrijke aspect vormt ook de gedragsgenetica, dus het onderzoek naar de erfelijke bepaaldheid van individuele verschillen in persoonlijkheidseigenschappen en menselijk gedrag.

Neuroticisme-extraversie left|150px|thumb|Doorsnede van de hersenstam, met in het midden het reticulaire activatiesysteem, ofwel (A)RAS